Conclusie
Feiten en procesverloop
Inleidende beschouwingen over staatsnoodrecht
Regelgeving betreffende de avondklok in verband met Covid-19
Bespreking van het cassatiemiddel
Conclusie
1.Feiten en procesverloop
Feiten
Outbreak Management Team(OMT). Het OMT bestaat uit deskundigen van verschillende disciplines die onafhankelijk van de Staat advies uitbrengen.
briefingvan 16 februari 2021 [5] blijkt dat het RIVM op dat moment verwachtte dat de nieuwe varianten van het virus (de Britse en een Zuid-Afrikaanse variant) tegen april 2021 bijna 100% van de gevallen zullen betreffen. De verdringing van de oude variant komt door de besmettingsgraad van de nieuwe varianten, die hoger is dan die van de oude variant: de besmettingsgraad ligt 37% hoger voor de Britse en 47% hoger voor de Zuid-Afrikaanse variant. Volgens het OMT zal zonder de maatregel van de avondklok en de bezoekbeperking het aantal ziekenhuis- en IC-opnames snel toenemen; naar verwachting is die toename veel beperkter wanneer de avondklok en de bezoekbeperking tezamen met de overige maatregelen gehandhaafd blijven.
buitengewone omstandighedendie het invoeren van deze avondklok noodzakelijk maken (rov. 6.6). Het hof overwoog:
a wide margin of appreciation).
2.Inleidende beschouwingen over staatsnoodrecht
Het begrip staatsnoodrecht
subjectief’) staatsnoodrecht en geschreven (of ‘
objectief’) staatsnoodrecht. [14] Er kunnen zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen waarin de centrale overheid zich genoodzaakt ziet om (regelend of uitvoerend) op te treden ter voorkoming of afwending van onmiddellijk dreigend gevaar of ter bestrijding van de gevolgen daarvan, óók wanneer een wettelijke basis voor dat optreden ontbreekt. Het kan daarbij gaan om gevallen waarin het geschreven recht ontoereikend is voor de situatie die zich voordoet of om gevallen waarin de procedure voor het in werking stellen van de noodregeling in het geschreven recht te veel tijd in beslag zou nemen of anderszins op beletselen stuit. Wanneer de centrale overheid zich bevoegdheden aanmatigt zonder (grond)wettelijke grondslag kan dit berusten op ongeschreven noodrecht. Men spreekt wel van: ‘nood breekt wet’. Er is enige gelijkenis met het juridische begrip ‘overmacht’: dat woord geeft iets duidelijker aan dat uiteindelijk niet het subjectieve oordeel van het betreffende overheidsorgaan over de noodzaak tot ingrijpen beslissend is, maar dat de gemaakte afweging in rechte kan worden getoetst. Veelal gaat het hierbij om conflicterende rechtsplichten, zoals de plicht tot het redden van mensenlevens tegenover de naleving van een wettelijk voorschrift.
objectievestaatsnoodrecht. Het staatsnoodrecht omvat drie categorieën: [15]
subjectief(ongecodificeerd) staatsnoodrecht. [16]
burgerlijkeuitzonderingstoestanden ontbrak. In 1887 werd een algemene bepaling over staatsnoodrecht in de Grondwet opgenomen als art. 187 Gw Pro. Deze bepaling luidde, voor zover hier van belang:
burgerlijkeuitzonderingstoestanden in de grondwet een basis gelegd voor het overdragen van bevoegdheden. Deze luidde als volgt: [22]
zowel met de vijand van buiten als met zijn aanhang van binnen, heeft wel duidelijk de realiteit van deze behoefte aangetoond. In troebele tijden, waarin, hetzij van uit het buitenland,
hetzij van uit het eigen land, hetzij van uit een combinatie van beide, de veiligheid in gevaar wordt gebracht, is het ter handhaving van de veiligheid noodzakelijk geworden, te beschikken over de mogelijkheid van een snel en deskundig werkend gezagsapparaat in tal van sectoren van het gemeenschapsleven. De doelmatigheid in de samenstelling daarvan wordt bevorderd, door, naast en behalve de mogelijkheid van overgang van bepaalde grondwettelijke bevoegdheden van burgerlijk gezag op militair gezag, ook mogelijk te doen zijn de overgang daarvan op een ander burgerlijk gezag. De ondergetekenden menen in het midden te moeten laten, of de geldende Grondwet deze laatste mogelijkheid al dan niet biedt. De practijk is immers geweest, dat de geldende Grondwet een beletsel voor de verwezenlijking dezer mogelijkheid heeft gevormd. En de practijk eist juist, dat er, wanneer de nood aan de man komt, een voor geen twijfel vatbare grondwettelijke grondslag voorhanden is, waarop ter handhaving van de uit- of inwendige veiligheid bevoegdhedenovergang op andere organen van burgerlijk gezag kan plaats vinden.
burgerlijkgezag dat, beter dan het ter plaatse nieuw optredende militaire gezag, rekening kan houden met de plaatselijke en regionale verhoudingen en omstandigheden. Bovendien hebben de ‘staat van oorlog’ en de ‘staat van beleg’ reeds door hun naam een verontrustend karakter, waardoor − ook internationaal − repercussies zouden kunnen worden teweeggebracht. [28]
toestand van verhoogde waakzaamheid(hoofdstuk II) en de
burgerlijke uitzonderingstoestand(hoofdstuk III). Na een uiteenzetting, op blz. 7 – 8, hoe deze rechtstoestanden zich verhielden tot de begrippen
staat van oorlogen
staat van belegin de Grondwet, volgde een artikelsgewijze toelichting. Art. 3 Wbbbg Pro – hiervoor al geciteerd – is niet afzonderlijk toegelicht. Het voorgestelde art. 1 Wbbbg Pro werd toegelicht als volgt:
- onder 3) “dat men aan de eisen van de rechtsstaat meer tegemoet komt, indien men deze voorzieningen zoveel en zo goed mogelijk te voren reglementeert dan indien een Regering het daarbuiten zou moeten stellen. Voorts wil de Regering niet nalaten op te merken, dat het handelen van de overheid zich steeds voltrekt onder verantwoordelijkheid tegenover Parlement en rechter, die beide hun eigen taak hebben ter bescherming van de rechtsstaat.”
- en (onder 4) dat de regering de doelstelling van de Wbbbg heeft willen beperken tot handhaving van “de openbare rust en veiligheid in engere zin”. De minister vervolgde:
moetenvormen om tot instelling van een civiele uitzonderingstoestand over te gaan. De bewering, als zou de Regering „een slag om de arm willen houden en bij aanneming van deze wet, de maatregelen willen toepassen in omstandigheden, als het volk blijk geeft het met het beleid van deze Regering niet eens te zijn” moet zij wegens haar ongegrondheid terugwijzen. Toepassing der maatregelen
tegen de wil van het volklijkt in een democratisch staatsbestel, gezien de positie
der volksvertegenwoordiging, uitgesloten. (…)”
ter handhaving van de uit- of inwendige veiligheid van het Rijk in buitengewone gevallenvoorzieningen te treffen. De Regering heeft zich daarbij, zoals in de Memorie van Toelichting is uiteengezet, beperking opgelegd – een beperking waartegen de Grondwet zich niet verzet – en wel tot de handhaving van de „openbare orde, rust en veiligheid”. Dat dit begrip terminologisch ruimer is dan de woorden „openbare orde”, welke verderop in artikel 196 der Pro Grondwet voorkomen, levert geen overwegend bezwaar op. Laatstgenoemde termijn, kennelijk in navolging van artikel 195 in Pro artikel 196 opgenomen Pro, staat immers, evenals in artikel 195 der Pro Grondwet, geconjugeerd met de „politie”, een begrip waarin de handhaving van rust en veiligheid stellig functioneel geïncorporeerd geacht mag worden.”
richtlijnvoor de organen, die de in de wet toegekende bevoegdheden zullen hebben te hanteren. Omtrent de waarborgen, welke het wetsontwerp schept, is hierboven in de algemene beschouwingen, punten 2 en 3, reeds uitgeweid.
subjectieve’) staatsnoodrecht.
een ruime werkingssfeer van artikel 103 van Pro de Grondwet. (…) Aldus ontstaat de mogelijkheid van twee uitzonderingstoestanden, opklimmend naar zwaarte, waarbij alleen in de zwaarste uitzonderingstoestand kan worden afgeweken van de Grondwet.
flexibiliteit; de mogelijkheid moet blijven bestaan van toepassing van buitengewone bevoegdheden uit noodwetten buiten het kader van de uitzonderingstoestanden op basis van artikel 103 van Pro de Grondwet. Dit is noodzakelijk om te voorkomen dat bij een plaatselijke crisis van beperkte omvang, waarbij slechts een gering aantal buitengewone bevoegdheden nodig zullen zijn, aanstonds met het zware middel van een uitzonderingstoestand zou moeten worden gewerkt
.
eenduidige terminologiemet betrekking tot de buitengewone omstandigheden waarin noodwetgeving kan worden geëffectueerd. De te kiezen terminologie moet aansluiten bij het moderne begrip crisisbeheersing en rechtsonzekerheid zoveel mogelijk uitsluiten.
niet te motiveren verschillen in proceduresvoor het in werking stellen van noodwetten worden opgeheven. Dit is met name van belang indien noodwetten in werking worden gesteld buiten het kader van de uitzonderingstoestanden. (…)”
vice versa(art. 4 Cwu Pro). Het instellen van de noodtoestand houdt niet automatisch in dat een bepaalde noodbevoegdheid mag worden toegepast. Indien de (beperkte of algemene) noodtoestand is afgekondigd, worden bij Koninklijk besluit op voordracht van de minister-president voor heel Nederland of voor een gedeelte van het grondgebied een of meer bepalingen, vermeld op de bij de Coördinatiewet behorende lijsten, in werking gesteld. De op lijst A genoemde bepalingen kunnen in werking worden gesteld indien de
beperktenoodtoestand is afgekondigd (zie art. 7 lid 1 Cwu Pro); de op lijst B vermelde bepalingen indien de
algemenenoodtoestand is uitgeroepen (zie art. 8 lid 1 Cwu Pro). Eenvoudig gezegd zijn de op de lijsten vermelde wettelijke bepalingen te beschouwen als ‘reserve-wetgeving’: zij leiden een slapend bestaan, maar kunnen worden geactiveerd (in werking worden gesteld) indien buitengewone omstandigheden daartoe noodzaken.
diebuitengewone bevoegdheden welke door de situatie geboden zijn, komen ter beschikking. Loof schrijft hierover dat bij een ramp van beperkte omvang kan worden volstaan met inwerkingstelling van regels die bevoegdheden toekennen in een of meer op de betreffende situatie toegesneden wetten, zoals de Wet op de veiligheidsregio’s, de Wet verplaatsing bevolking en de Noodwet geneeskundigen etc., zonder dat meteen behoeft te worden overgegaan tot het in werking stellen van de bepalingen uit de Wbbbg. Ook bij internationale spanningen ziet Loof hiervoor mogelijkheden: naargelang van het verloop van de crisis kunnen de buitengewone bevoegdheden worden opgeschaald dan wel in omvang worden teruggebracht. [50]
crisisomstandigheden’te introduceren: “Dat begrip duidt op een situatie waarin de inzet van specifieke bevoegdheden noodzakelijk is om in die situatie adequaat te kunnen optreden, maar die het instellen van een noodtoestand (nog) niet rechtvaardigt.” [70] Voor zover mij bekend, is aan dit voornemen van de minister nog geen ander gevolg gegeven dan een opdracht tot wetenschappelijk onderzoek via het WODC.
3.Regelgeving betreffende de avondklok in verband met Covid-19
Wetgeving in de beginperiode van de Covid-19 pandemie
OMT-advies over de avondklok
bij ministeriële regeling. De Afdeling advisering wees op het bepaalde in het tweede lid van art. 8 Wbbbg Pro en vervolgde:
kan zijn geweest. Volgens Daniëls heeft in de onderhavige zaak de voorzieningenrechter de grenzen van deze toetsingsbevoegdheid overschreden door te oordelen dat geen sprake was van een ‘daadwerkelijke spoedsituatie’ of ‘acute noodsituatie’. Bij de rechtmatige toepassing van staatsnoodrecht staat volgens Daniëls slechts één criterium centraal: er moet sprake zijn van een buitengewone omstandigheid. Daarvan is sprake in een situatie waarin een vitaal belang wordt bedreigd en normale bevoegdheden niet toereikend zijn om deze bedreiging af te wenden. In dit criterium ligt volgens Daniëls de vereiste inachtneming van de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit besloten: het maakt mogelijk dat alle soorten noodsituaties, klein en groot, spoedeisend en niet spoedeisend, kunnen worden geadresseerd met noodbevoegdheden. De
cruxis dat noodsituaties doorgaans onvoorzien zijn en de wetgever niet bij machte is deze (vooraf) nader te duiden. Om die reden komen termen als ‘acuut’ en ‘evident aanwezig’, die de voorzieningenrechter gebruikte om de nood te duiden, in het staatsnoodrecht niet voor. Volgens Daniëls is heel wel denkbaar dat (bepalingen van) de Wbbbg in werking worden gesteld met het oog op een noodsituatie die zich langzaam ontwikkelt: het gaat om situaties van dreigend gevaar, waarvan men nooit zeker zal kunnen weten of de toepassing van de noodbevoegdheid nog enig uitstel had verdragen.
aarden de
omvangvan het gevaar of de
plaats en tijdvan het te duchten onheil niet bekend zijn en/of in de gevallen waarin het gevaar wel bekend is, maar niet bekend is welke maatregelen op dat moment het meest effectief zijn om het gevreesde onheil te verhinderen, althans de gevolgen daarvan af te wenden. Dan kan snelle besluitvorming nodig zijn en soms zelfs improvisatie.
liberty of movement’). Ingevolge het bepaalde in het derde lid van dit artikel kan de uitoefening van dit recht aan geen andere beperkingen worden gebonden dan die, welke bij de wet zijn voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid of van de openbare veiligheid, voor de handhaving van de openbare orde, voor de voorkoming van strafbare feiten, voor de bescherming van de gezondheid of van de goede zeden of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. [105] Een gelijkwaardige bepaling is opgenomen in art. 12 IVBPR Pro. [106] Het hof noemt in rov. 6.12 ook nog: het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer (art. 8 EVRM Pro), en indirect de vrijheid van vereniging, betoging en het belijden van een godsdienst of levensovertuiging.
4.Bespreking van het cassatiemiddel
buitengewone omstandighedendie invoering van de avondklok
noodzakelijk maken.
eerste klachthoudt het volgende in:
voorafgaand verweerheeft de Staat aangevoerd dat deze klacht nimmer tot cassatie kan leiden, omdat eisers aan hun vordering niet ten grondslag hadden gelegd (a) dat ‘buitengewone omstandigheden’ in de zin van de Wbbbg slechts die omstandigheden omvatten die betrekking hebben op de openbare orde en veiligheid (in beperkte zin), (b) dat het hier gaat om een maatregel die is gericht op het beschermen van de volksgezondheid, en (c) dat de Wbbbg, gelet op artikel 3 van Pro deze wet, geen grondslag biedt voor invoering van deze maatregel. [108]
In eerste aanleghebben eisers aan hun vordering ten grondslag gelegd dat de Staat onrechtmatig handelt door langs de weg van de Wbbbg de avondklok in te voeren. Voor zover op Viruswaarheid c.s. al een stelplicht rustte ten aanzien van de afwezigheid van ‘bijzondere omstandigheden’ – het lag mijns inziens veeleer op de weg van de Staat om te stellen dat ‘bijzondere omstandigheden’ in de zin van art. 1 lid 1 Wbbbg Pro aanwezig zijn – hebben eisers aan hun stelplicht voldaan. Na in de inleidende dagvaarding (randnr. 28) m.b.t. het begrip ‘bijzondere omstandigheden’ een gedeelte uit de memorie van toelichting te hebben weergegeven, hebben zij onder randnr. 29 aangegeven dat een “kwetsbare epidemiologische situatie” niet een ‘feitelijke gebeurtenis’ is en ook geen ‘noodsituatie’. Onder randnr. 31 stelden zij dat virussen en mutaties daarvan ‘bij de mensheid behoren’ en niet op een ‘nood’-situatie duiden. Eisers maakten (onder randnrs. 54 en 55) de gevolgtrekking dat hier geen sprake is van een noodsituatie waarop de invoering van de landelijke avondklok kan worden gebaseerd.
In hoger beroephebben eisers (in reactie op grief 2 van de Staat) aangevoerd dat de Wet publieke gezondheid de aangewezen wet (
lex specialis)is, wanneer het gaat om crisisbestrijding bij ziekte. Zij stelden dat het uitgangspunt van de Wet publieke gezondheid vrijwilligheid en ‘drang’ in plaats van dwang is. Dit uitgangspunt sluit volgens eisers uit dat onder de Wbbbg maatregelen worden genomen die onder de Wet publieke gezondheid niet zijn toegelaten. [109]
kunnenzijn. Dat is een rechtsvraag. Van een nieuw gesteld feit (‘
novum’) is in het cassatiemiddel geen sprake. Evenzeer staat het eisers vrij, in het kader van die rechtsklacht het standpunt in te nemen dat rechtens slechts omstandigheden die betrekking hebben op de openbare orde en veiligheid (in beperkte zin) in aanmerking komen voor de kwalificatie ‘buitengewone omstandigheid’. Het is waar, dat eisers in hoger beroep niet uitdrukkelijk (ook) op het bepaalde in art. 3 Wbbbg Pro (1996) een beroep hebben gedaan. Dit maakt het voorgaande niet anders: het hof was ingevolge art. 25 Rv Pro gehouden om – binnen de grenzen van de rechtsstrijd – de rechtsgronden aan te vullen, zo nodig ambtshalve. [111]
inhoudelijke bespreking van de klacht.
rechtsbegrip en in cassatie kan worden getoetst;
nietwerd beoogd de reikwijdte van de Wbbbg te verruimen.
separatetoepassing van art. 8, lid 1 en lid 3, Wbbbg: er is geen beperkte of algehele noodtoestand in de zin van de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden afgekondigd. De klacht dat bepaalde feiten of omstandigheden niet
kunnenworden aangemerkt als een ‘buitengewone omstandigheid’ in de zin van art. 1 Wbbbg Pro, stelt een
rechtsvraag aan de orde. Deze vraag kan in cassatie worden beoordeeld zonder dat de Hoge Raad behoeft te treden in de vaststelling en waardering van de feiten door het hof. [114]
separaatin werking wordt gesteld. Die mogelijkheid bestond niet in de Wbbbg (1952).
carte blanche’ zou krijgen, zelfs wanneer het gaat om een crisissituatie waarin de overheid met spoed moet handelen en dikwijls beslissingen moet nemen op een tijdstip waarop nog niet alle benodigde informatie voorhanden is. Om die reden heeft de wetgever gezocht naar andere waarborgen. In dit geval is gekozen voor een procedurele waarborg in art. 1 Wbbbg Pro. Deze is hierin gelegen dat terstond na de inwerkingstelling van art. 8, lid 1 en lid 3, Wbbbg een voorstel tot voortzetting van de in werking gestelde bepaling wordt ingediend. De avondklok is van korte duur, tenzij het parlement instemt met voortzetting.
.In deze passage heeft de regering gesteld dat in wetsvoorstel 23 789 met het tekstuele verschil tussen art. 3 en Pro anderzijds art. 18 – het artikel over internering van personen − geen inhoudelijke wijziging is beoogd ten aanzien van het begrip ‘openbare orde en veiligheid’. Eisers willen hieraan kennelijk de gevolgtrekking verbinden dat in de Wbbbg (1996) de term “openbare orde en veiligheid” aansluit bij het begrip ‘handhaving van de openbare orde en veiligheid’
uitoefeningvan toegekende bevoegdheden. Dat beperkt, strikt genomen, niet het
toekennenvan die bevoegdheden bij Koninklijk besluit. Wel ligt het voor de hand om bij de uitleg van art. 1 Wbbbg Pro (1996) ook rekening te houden met hetgeen in art. 3 van Pro deze wet is bepaald.
juridischekwalificatie is. [123] Daniëls schreef over het (in alinea 2.55 hiervoor genoemde) voornemen van de minister tot evaluatie en modernisering van het huidige staatsnoodrecht:
feitelijkafbakeningsprobleem: wanneer is er sprake van nood? Hoe dringend moet de nood zijn alvorens een buitengewone bevoegdheid mag worden uitgeoefend? Wanneer is er sprake van (dreigend) gevaar? Enzovoorts. Maar wie de buitengewone omstandigheid juridisch kwalificeert, ziet haar voor wat zij is: een omstandigheid waarin een vitaal belang wordt bedreigd (1)
ennormale bevoegdheden niet toereikend zijn om deze bedreiging af te wenden (2). Dit zijn de elementen van de buitengewone omstandigheid. Als zodanig is de buitengewone omstandigheid na haar introductie als juridische kwalificatie in 1993 door de wetgever gehanteerd bij de harmonisatie van de terminologie voor buitengewone omstandigheden in het staatsnoodrecht. Bij de toekomstige herziening van het staatsnoodrecht zou deze kwalificatie m.i. gehandhaafd moeten blijven.”
tweede klachthoudt in dat het hof miskent dat art. 1 lid 1 in Pro verbinding met art. 8 lid 1 Wbbbg Pro een
noodrecht-regeling is en dat noodrecht een
subsidiairkarakter heeft: van noodrecht mag slechts gebruik worden gemaakt indien het bestaande wettelijke kader tekortschiet om de betreffende (nood-)situatie te beheersen. In de bestreden overwegingen ligt − volgens de klacht − het onjuiste uitgangspunt besloten dat art. 1 lid 1 in Pro verbinding met art. 8 lid 1 Wbbbg Pro kan worden gebruikt voor de bestrijding van een (nood)situatie óók wanneer deze kan worden bestreden door middel van reguliere (spoed-)wetgeving. Volgens de procesinleiding (onder 43) bouwt deze misvatting voort op een onjuiste uitleg van het begrip ‘noodzakelijk maken’ in art. 1 lid 1 Wbbbg Pro. Dat begrip ziet volgens het middelonderdeel op de vraag of het noodzakelijk is om art. 8, lid 1 en lid 3, Wbbbg in werking te stellen omdat, gelet op de buitengewone omstandigheden, reguliere wetgeving niet toereikend is. [126]
op voorhandaan de regering de bevoegdheid heeft toegekend om een avondklok in te stellen. Ter toelichting verwijzen eisers naar de wetsgeschiedenis. [127]
dreigendedijkdoorbraak. Ad (ii): Daarmee verwierp het hof ook het argument dat voorafgaand aan de invoering van de avondklok nog spoedoverleg met de Tweede Kamer heeft plaatsgevonden.