Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
In artikel 10 van Pro de maatschapsovereenkomst is het volgende opgenomen:
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Beide partijen aandeel in verstoorde verhoudingen
nietkan worden toegerekend. Beide partijen leggen dit zo uit dat het voortzettingsrecht toekomt aan degene aan wie het einde van de maatschap niet in overwegende mate kan worden toegerekend. Gelet op de strekking van de bepaling gaat het hof ervan uit dat partijen met “in overwegende mate” niet bedoelen een verhouding waarbij een van de partijen meer dan 50% blaam treft, maar een verhouding waarbij aan een van partijen in belangrijke mate duidelijk een groter verwijt kan worden gemaakt dan aan de ander. De partijen hebben ook geen andere uitleg verdedigd. In dit geval is echter geen sprake van een situatie dat het mislopen van de samenwerking hoofdzakelijk aan een van beide partijen is toe te rekenen en dat aan de andere partij weinig te verwijten valt, zodat artikel 10 lid 2 van Pro de maatschapsakte toepassing mist.
onder 2.2dat het hof
in plaats vande maatstaf van een verwijt ‘(niet) in overwegende mate’ is uitgegaan van de maatstaf ‘geen enkel of vrijwel geen verwijt’. Uit het voorgaande volgt dat die veronderstelling niet juist is.
waarom[eiser] en [betrokkene 1] daartoe zijn overgegaan. (onder 2.3.4)
waardoorde privéverhoudingen verstoord zijn geraakt. (onder 2.3.5)
Ontbinding wegens gewichtige redenen 7A:1684 BW
Onder 3.2zijn vervolgens motiveringsklachten opgenomen. In de eerste plaats (onder 3.2.1) formuleert [eiser] een aantal volgens hem essentiële stellingen waarop het hof niet, althans niet kenbaar is ingegaan. Die stellingen, volgens welke [verweerders] geen belang hebben bij voortzetting van de maatschap en toedeling van de bedrijfsgoederen in verband met (i) het naderende pensioen van [verweerders] (ii) de gewenste verkoop aan [eiser] of een ander en (iii) het feit dat niet is gebleken dat [verweerders] een bedrijfsopvolger op het oog hebben, brengen volgens de steller van het middel mee dat het oordeel van het hof dat [verweerders] het meeste belang hebben bij toedeling van de bedrijfsgoederen, onvoldoende is gemotiveerd. In de tweede plaats (onder 3.2.2) klaagt [eiser] dat het hof het belang van [verweerders] onvoldoende heeft afgewogen tegen het zwaarwegende belang van [eiser] bij voortzetting van het bedrijf in verband met de stellingen dat [eiser] (i) zijn hele leven daarop heeft ingericht, (ii) bedrijfsplannen heeft opgesteld voor na de overname en (iii) zijn toekomst als boer zal zijn geruïneerd als hij elders als loonwerker aan de slag moet.
onder 3.2.3verwijst onder meer naar de stelling dat [eiser] in staat is om het bedrijf van [verweerders] te kopen en [verweerders] daartegen geen bezwaar hebben. Die stelling maakt het oordeel van het hof echter niet onbegrijpelijk. Voor zover in de klachten kan worden gelezen dat het hof de economische eigendom van de aan [verweerders] toebehorende goederen aan [eiser] had kunnen toedelen (tezamen met de juridische eigendom van de wel tot het maatschapsvermogen behorende goederen), is die veronderstelling onjuist. De bedoelde economische eigendom bestaat in aanspraken voor de duur van de maatschap en niet in meer dan dat (vergelijk hiervoor 3.15).