Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
[klager 3] B.V., gevestigd te [plaats] ,
[klager 4] B.V., gevestigd te [plaats] ,
[klager 5] B.V., gevestigd te [plaats] ,
hierna: de klagers.
Blijkens een lijst van inbeslaggenomen goederen is onder klagers, als verdachten van valsheid in geschrift, een groot deel van hun administratie in beslag genomen.
Op 10 januari 2019 is bij deze rechtbank binnengekomen het klaagschrift van klagers ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, welk klaagschrift betrekking heeft op voormeld inbeslaggenomen administratie.
De klaagschriftprocedure ingevolge artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering met rechtbanknummer 19/39 en de verlofschriftprocedure ingevolge artikel 552p van het Wetboek van Strafvordering met rechtbanknummer 19/155, zijn gelijktijdig behandeld.
De raadkamer heeft op 14 juni 2019 klager [klager 1] , de raadsman van klagers, mr. Chababi en de officier van justitie in openbare raadkamer gehoord. Bij tussenbeschikking van 12 juli 2019 heeft de raadkamer het onderzoek heropend, voor onbepaalde tijd aangehouden en verwezen naar de rechter-commissaris.
De officier van justitie heeft vervolgens een proces-verbaal van bevindingen van de FIOD van 16 oktober 2019 overgelegd aangaande de omvang en aard van het digitale beslag. Naar aanleiding van de reactie van de raadsman van 22 oktober 2020 op voornoemd proces-verbaal heeft de rechter-commissaris op 30 oktober 2019 aanvullende vragen gesteld over het digitale beslag. Deze vragen heeft de officier van justitie bij e-mail van 4 december 2020 beantwoord.
Bij e-mails van 19 december 2019 en 8 januari 220 heeft de rechter-commissaris te kennen gegeven dat zij van oordeel is dat het digitale beslag wordt geacht te passen binnen de grenzen van het Roemeense rechtshulpverzoek en zij heeft de klagers verzocht aan te geven welke van de inbeslaggenomen stukken niet zouden passen binnen de kaders van het rechtshulpverzoek. In afwachting van deze reactie heeft de rechter-commissaris de verwijzing gesloten en de zaak teruggestuurd naar de raadkamer.
Bij e-mail van 11 februari 2020 heeft de verdediging gehoor gegeven aan het verzoek van de rechter-commissaris waarna er tussen de officier van justitie en de verdediging nog verschillende e-mails zijn gewisseld over de inbeslaggenomen stukken.
Op 19 oktober 2020 is de behandeling voortgezet. Daarbij zijn de officier van justitie, C.E.J. Backer, klager [klager 1] en zijn raadsman gehoord.
Het standpunt van klagers
Tijdens het onderzoek in raadkamer heeft de raadsman zich primair op het standpunt gesteld dat de zaak wederom moet worden aangehouden en naar de rechter-commissaris moet worden verwezen zodat erop kan worden toegezien dat er geen geheimhoudersstukken en privédocumenten aan de Roemeense autoriteiten worden verstrekt. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de officier van justitie en klagers in de gelegenheid moeten worden gesteld tot een werkwijze te komen waarbij een gezamenlijk gedragen selectie van de inbeslaggenomen gegevens kan worden gemaakt. Meer subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat het klaagschrift gegrond moet worden verklaard (en dat de vordering moet worden afgewezen). Nog meer subsidiair heeft de raadsman gesteld dat het rechtshulpverzoek moet worden beperkt tot de gegevens die door de DLAF zijn gevorderd en dat de rest van de gegevens geretourneerd moet worden aan klager. Uiterst subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat alleen de stukken mogen worden verstrekt waarvoor klagers toestemming hebben verleend. Tot slot hebben klagers aangevoerd dat de behandeling van het klaagschrift dient te worden aangehouden, omdat [klager 1] ten onrechte niet geïnformeerd is over de mogelijkheid tot het indienen van een (zelfstandig) klaagschrift.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich verzet tegen teruggave van de in beslaggenomen goederen en voorwerpen en heeft daartoe aangevoerd dat de stukken en goederen in beslag zijn genomen op basis van en rechtshulpverzoek. Klagers hebben een kopie van de inbeslaggenomen stukken, dus voor hen is bekend welke stukken in beslag zijn genomen. Tot op heden heeft de raadsman onvoldoende aangegeven welke van de in beslag genomen documenten privé-documenten bevatten dan wel welke andere documenten volgens klagers niet onder de reikwijdte van het rechtshulpverzoek zouden vallen. Verder heeft er naar aanleiding van de door de raadsman opgegeven namen van geheimhouders tot driemaal toe een schoningsoperatie plaatsgevonden. Tot slot heeft de officier van justitie zich verzet tegen aanhouding van de behandeling.
Beoordeling
In een procedure als deze, toetst de raadkamer de rechtmatigheid van het beslag marginaal. De raadkamer overweegt voorts dat in het kader van deze raadkamerprocedure op basis van een klacht ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek, gelet op de aard van die procedure, niet anders dan summier kan zijn.
Het betoog van klagers komt er, kort gezegd, op neer dat niet alle in beslag genomen stukken, stukken van overtuiging betreffen en dat zich tussen de in beslag genomen stukken geheimhoudersstukken bevinden. In het kader van de verlofschriftprocedure ingevolge artikel 552p van het Wetboek van Strafvordering met rechtbanknummer 19/155 is dit verweer eveneens ten aanzien van de in beslag genomen stukken naar voren gebracht. Dit verweer is door de raadkamer bij beschikking van 30 november 2020 verworpen. Bij bedoelde beschikking is aan de officier van justitie verlof verleend om de beslagen stukken en bestanden af te geven aan de Roemeense autoriteiten. Om die reden passeert de raadkamer de overigens gedane subsidiaire verzoeken
Gelet hierop is de raadkamer van oordeel dat het strafvorderlijk belang zich verzet tegen teruggave van de in beslag genomen voorwerpen aan klagers. Het klaagschrift is ongegrond.
Ten aanzien van het verzoek om aanhouding overweegt de raadkamer als volgt.
Nog daargelaten de vraag of de raadkamer heeft verzuimd [klager 1] te informeren over het ingediende klaagschrift, kunnen klagers hierdoor niet in enig rechtens te respecteren belang zijn geschaad. De raadkamer acht het beklag van klagers immers ongegrond omdat het belang van strafvordering zich tegen teruggave verzet. De raadkamer vindt hiervoor steun in het arrest van de Hoge Raad van 12 juni 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BW7955). De raadkamer wijst het verzoek om aanhouding dan ook af.
De raadkamer zal daarom beslissen als hierna te melden en neemt daarbij de desbetreffende wetsartikelen in aanmerking.
De beslissing
De meervoudige raadkamer
verklaart het klaagschrift ongegrond.”
De middelen