Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
success feepas opeisbaar is nadat Allerzorg (juridische) zekerheid heeft gekregen dat de subsidies ontvangen zullen gaan worden en niet is komen vast te staan dat dit het geval is.
Haviltex-criterium, en dat niet de letterlijke tekst van de overeenkomst bepalend is maar hetgeen partijen over en weer uit elkaars gedragingen hebben mogen afleiden en mogen begrijpen. Voor zover wel aan het
Haviltex-criterium is getoetst, zou het hof dit op onvoldoende kenbare wijze hebben gedaan.
woordelijkmet elkaar overeenstemmen, mogen in beginsel niet worden opgevat als verklaringen in gelijke zin’. Zo’n rechtsregel is echter evident in strijd met de
Haviltex-maatstaf, welke maatstaf de steller van het middel zelf in subonderdeel 2.1I niet onjuist heeft weergegeven (iets anders is dat, zoals gezegd, de daar opgenomen klacht ten onrechte niet toelicht waarom het hof de
Haviltex-maatstaf heeft geschonden).
succes feepas opeisbaar wordt nadat Allerzorg (juridische) zekerheid heeft dat de subsidies ontvangen zullen gaan worden, niet heeft gebaseerd op wilsovereenstemming van partijen
,maar op twee andere gronden, namelijk (a) de overweging dat de afwijking van het aanbod van ondergeschikte aard was en op die afwijking niet is gereageerd, en (b) de overweging dat uit het stilzwijgen van Finaal Adviesgroep volgt dat het afwijkende aanbod van Allerzorg door haar was aanvaard. Zie rechtsoverweging 5.6 van het arrest van het hof en de samenvatting daarvan hiervoor 2.5 onder c en d.
succes feepas opeisbaar wordt nadat Allerzorg (juridische) zekerheid heeft dat de subsidies ontvangen zullen gaan worden. Dit oordeel wordt door het subonderdeel niet op goede gronden bestreden. Voor zover de steller van het middel ervan uitgaat dat verklaringen en gedragen van partijen van ná het moment waarop een overeenkomst tot stand komt, niet op de uitleg van die overeenkomst van invloed (kunnen) zijn, vergist hij zich. In het algemeen kunnen ook omstandigheden die hebben plaatsgevonden nadat een rechtshandeling is verricht, voor de uitleg daarvan medebepalend zijn. [4] Bovendien is mogelijk dat na verloop van tijd een overeenkomst in een andere zin moet worden uitgelegd dan eerder, op de grond dat in verband met inmiddels ingetreden feiten en omstandigheden de redelijke verwachtingen van de handelende partijen zijn gewijzigd. [5]
onder 2.1-Vzegt, vat ik op als een inleiding op wat volgt. Klachten omtrent wat het hof heeft beslist, lees ik daar niet.
subonderdeel 2.1-Vbligt in het verlengde van het voorgaande en faalt eveneens.
hoeftaan de schending van de waarheidsplicht dus geen consequenties te verbinden, en als hij dat wel doet, mag hij de gevolgtrekking maken die hij geraden acht. Een sanctie wordt dus niet voorgeschreven, noch de aard of inhoud van een eventuele sanctie. De rechter kan ervoor kiezen de partij die de waarheidsplicht heeft geschonden te veroordelen in de proceskosten, maar hij kan aan die schending ook consequenties verbinden in de sfeer van stelplicht en bewijslast [8] en hij kan ook een sanctie achterwege laten. Over hetgeen ter discretie staat van de rechter die over de feiten oordeelt, kan in cassatie niet worden geklaagd. Hierop stuit de klacht reeds af.
Finaal Adviesgroepnader diende te onderbouwen dat Allerzorg subsidies had gerealiseerd, hoewel dit bij uitstek informatie in het domein van
Allerzorgbetreft
.Volgens de steller van het middel diende Allerzorg haar standpunt nader te onderbouwen, ‘hetzij op basis van een zelfstandig verweer, hetzij in het kader van de op haar rustende stel- c.q. betwistplicht (art. 149 Rv Pro).’ In dit verband voert het subonderdeel aan dat een feit van algemene bekendheid/ervaringsfeit is dat fiscale gegevens slechts aan de betrokkenen zelf kenbaar worden gemaakt en dat derden (zoals Finaal Adviesgroep) zonder expliciete volmacht daartoe geen toegang hebben. Zie voor een en ander de laatste alinea op blad van 11 van de procesinleiding in cassatie. Weliswaar verbindt de steller van het middel deze klachten vervolgens op voor mij niet goed navolgbare wijze met de waarheidsplicht, maar dat neemt niet weg dat hij aldus óók klaagt over hetgeen het hof (impliciet) omtrent de bewijslast (‘zelfstandig verweer’) respectievelijk de op partijen rustende stelplicht heeft beslist.
success feepas opeisbaar is nadat Allerzorg (juridische) zekerheid heeft gekregen dat de subsidies ontvangen zullen gaan worden, klaarblijkelijk opgevat als een opschortende tijdsbepaling. Daarvan uitgaande is het verweer van Allerzorg dat nog geen zekerheid over te ontvangen subsidies bestaat, niet een zelfstandig verweer, maar een betwisting van de opeisbaarheid van de verbintenis waarvan Finaal Adviesgroep nakoming vordert. De stelplicht en bewijslast rusten overeenkomstig de hoofdregel van art. 150 Rv Pro in beginsel op Finaal Adviesgroep.
subonderdeel 2.1-VIIwordt erover geklaagd dat het hof de derogerende werking van art. 6:2 BW Pro en 6:248 BW had moeten toepassen, al dan niet onder aanvulling van de rechtsgronden als bedoeld in art. 25 Rv Pro dan wel ambtshalve (kennelijk anderszins dan op grond van art. 25 Rv Pro [10] ). In dit verband betoogt de steller van het middel dat het een strategie is van Allerzorg om onbevoegde bestuurders hun gang te laten gaan en dat Allerzorg zich ten opzichte van Finaal Adviesgroep en haar diensten als een
free ridergedraagt
.
free rideris daar niet te lezen, noch iets dat met aanvulling van rechtsgronden (art. 25 Rv Pro) daarop uitkomt. De klachten van het subonderdeel missen dus feitelijke grondslag. Voor zover de steller van het middel veronderstelt dat hetgeen het hof ambtshalve had te doen nog verder strekt, in de zin dat het hof de vordering van Finaal Adviesgroep mede diende te onderzoeken op een andere grondslag dan van hetgeen Finaal Adviesgroep daaraan ten gronde had gelegd, gaat hij van een onjuiste rechtsopvatting uit (art. 24 Rv Pro).