Conclusie
1.De feiten
Fonds), door partijen ook “IJFAF” genoemd, behelst een fonds voor gemene rekening.
[verweerster 1]), een vennootschap van [betrokkene 1] (hierna:
[betrokkene 1]), en [verweerder 2] (hierna:
[verweerder 2]) elk voor € 300.000,-- in het Fonds deelgenomen. Hiertoe heeft ieder van hen een “Inschrijfformulier” getekend, waaruit volgt dat de “Voorwaarden van Beheer en Bewaring IJzerhart Financial Arbitrage Funds” (in genoemd arrest wel afgekort als de “Voorwaarden van Beheer en Bewaring”) en de “IJzerhart Financial Arbitrage Fund 2013 ǀ Fact Sheet” (in genoemd arrest wel afgekort als de “
Fact sheet”) van toepassing zijn. [betrokkene 1] en [verweerder 2] hebben beiden een achtergrond als beurshandelaar.
Stichting) als bewaarder en HDR Investment Solutions B.V. (hierna:
HDR Investment) als beheerder. De bedoeling was dat de ingelegde gelden zouden worden aangewend voor het uitvoeren van en het behalen van winst uit dividend arbitrage.
[eiser 3]) in een e-mail van 10 mei 2013 op vragen van [verweerder 2] over de kosten van deelname aan het Fonds het volgende geantwoord, met kopie aan [betrokkene 1] :
Registered Subordinated Notes(hierna: de
Notes), financiële instrumenten uitgegeven door Norwin Trading B.V. (hierna:
Norwin), de partij die centraal zou staan in het uitvoeringsmechanisme voor de dividend arbitrage. De
Notesgeven recht op terugbetaling van de hoofdsom vermeerderd met rente, waarbij tot uitgangspunt strekte dat de hoogte van het terug te betalen bedrag afhankelijk was van de waarde van het vermogen en de beschikbare middelen van Norwin.
HDR Management) is bestuurder van de Stichting;
HDR Capital) en [betrokkene 2] (hierna:
[betrokkene 2]) (laatstgenoemde vanaf 20 oktober 2014) zijn de bestuurders van HDR Management;
Notesovergegaan tot het openen van
trading accountsbij handelshuis ED&F Man (hierna:
ED&F) en tot het opzetten van de voor de beleggingstransacties benodigde fiscale en juridische structuren. Een belangrijk onderdeel hiervan was dat Norwin toegang kreeg tot de
clearing-faciliteiten van ED&F, hetgeen ook is gebeurd.
clearing-faciliteiten van ED&F voor nieuwe beleggingstransacties.
clearing-faciliteiten aan [verweerster 1] en [verweerder 2] geschreven, met kopie aan [betrokkene 2] :
Notesgesloten onder uitkering van € 300.000,-- aan [verweerster 1] en [verweerder 2] (€ 150.000,-- elk).
het Fonds, A-G]
bedraagt per medio April 2014 EUR 144.880.
Stichting c.s.) (althans een aantal van hen) aan [verweerster 1] en [verweerder 2] rekeningafschriften verstrekt betreffende de gedane uitgaven.
2.Het procesverloop
In eerste aanleg
rechtbank) een comparitie gelast, die heeft plaatsgevonden op 25 april 2018 en waarvan proces-verbaal is opgemaakt.
vonnis) heeft de rechtbank al het gevorderde afgewezen, met - in conventie - veroordeling van [verweerster 1] en [verweerder 2] in de kosten van het geding en de nakosten, in zoverre uitvoerbaar bij voorraad, en met - in reconventie - compensatie van de kosten in de zin dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.
hof) het bestreden vonnis zal vernietigen en - uitvoerbaar bij voorraad - alsnog hun vorderingen zal toewijzen, met hoofdelijke veroordeling van de Stichting c.s. in de kosten van het geding in beide instanties, met nakosten en rente, alsmede dat het hof de Stichting c.s. hoofdelijk zal veroordelen tot terugbetaling van hetgeen [verweerster 1] en [verweerder 2] aan de Stichting c.s. hebben voldaan ingevolge het bestreden vonnis en de beschikking van het hof van 14 mei 2019 met zaaknummer 200.245.963/01, die is gewezen op het verzoek van [verweerster 1] en [verweerder 2] tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor (door het hof geduid als “de beschikking van 14 mei 2019”). De Stichting c.s. hebben geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van [verweerster 1] en [verweerder 2] in de kosten van het geding in hoger beroep. Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.
3. Beoordeling
seed capitalom de handelsstructuur operationeel te houden die rondom het Fonds was opgezet. Het (eind)resultaat in juni 2015 was dat er niets van de inleg over was, hoewel op 6 mei 2014 nog was meegedeeld dat alle kosten waar mogelijk zouden worden bevroren. Bovendien zijn de Stichting c.s. de toezegging niet nagekomen dat een bedrag van (minimaal) € 205.000 aan [verweerster 1] en [verweerder 2] gezamenlijk zou worden terugbetaald bij beëindiging van hun deelneming in het Fonds.
- aan [verweerster 1] en [verweerder 2] kan worden toegegeven dat vraagtekens kunnen worden gezet bij de besteding van € 205.000 in het kader van een “waar mogelijk bevroren” handelsstructuur die al € 95.000 in opzet heeft gekost. Maar het verwijt van [verweerster 1] en [verweerder 2] dat de Stichting c.s. “bedrijfje zijn gaan spelen” met geld van [verweerster 1] en [verweerder 2] , evenals de verweten bestuurdersaansprakelijkheid, zullen zonder gevolgen moeten blijven wegens onvoldoende concrete onderbouwing;
- ook voor zover de vordering van [verweerster 1] en [verweerder 2] is gebaseerd op de stelling dat de Stichting c.s. hebben toegezegd dat een bedrag van € 205.000 aan [verweerster 1] en [verweerder 2] zou worden uitgekeerd, hebben zij niet voldaan aan hun stelplicht. Zij hebben niet voldoende concreet gesteld wanneer en door wie (namens welke rechtspersoon) de toezegging zou zijn gedaan, en voorts
- de enkele stelling van [verweerster 1] en [verweerder 2] dat “elk van beide heren” ( [eiser 3] en [betrokkene 2] ) had moeten spreken en openheid van zaken had moet geven waar dat niet is gedaan, is onvoldoende om van onrechtmatig handelen te kunnen spreken.
going-concern-situatie en de handelsstructuur moest operationeel en dus onderhouden blijven. Met [verweerster 1] en [verweerder 2] is slechts gesproken over een ‘garantiewaarde’ of ‘vaste hoofdsom’ in het kader van de vervanging van de participaties door omzetting van het Fonds naar een nieuw fonds. Uit de e-mail van 3 november 2014 van [eiser 3] , en meer in het bijzonder het daarin gebruikte woord ‘maximaal’ voorafgaand aan het bedrag van € 205.000, blijkt dat aan [verweerster 1] en [verweerder 2] duidelijk is gemaakt dat een soortgelijke garantie voor het Fonds niet gold. Het zou bovendien hoogst ongebruikelijk zijn als garanties zouden worden gegeven op risicovolle beleggingen/investeringen. Het ingelegde geld was
seed capitalen de daadwerkelijke waarde van de participaties op de vervaldatum was afhankelijk van de actuele waarde van de Notes op dat moment en eventueel de tot aan die datum binnen het Fonds vervallen kosten. Dit strookt ook met de opmerking in de e-mail van 14 april 2014 van [eiser 3] : “
Als alles is afgewikkeld moeten we kijken wat er daadwerkelijk over blijft.” Als de participaties wel een garantiewaarde zouden hebben gehad, zou dit opgenomen moeten zijn in het Inschrijfformulier, de Voorwaarden van Beheer en Bewaring en/of de
Fact sheet. Daaruit valt echter het tegendeel af te leiden. Geen van deze voorwaarden is aangepast en dus zijn zij alle van kracht gebleven zodat de betwiste (mondelinge) toezegging niet relevant is.
zoveel mogelijk uit de wind te houden wat risico’s betreft” (zie par. 61 memorie van antwoord). Deze verklaring sluit aan bij de opmerkingen in de e-mail van 12 augustus 2015 van [eiser 3] dat door de (nieuwe) afspraken geen direct verband meer bestond tussen de daadwerkelijke exploitatie en de uiteindelijk aanwezige middelen en dat [verweerster 1] en [verweerder 2] is toegezegd hun (resterende) ‘lening’ te minimaliseren op een ondergrens van € 205.000. Dat hier over een ondergrens wordt gesproken, past bij het betoog van [verweerster 1] en [verweerder 2] .
Vorig jaar hebben wij toegezegd dat de ondergrens van de waarde van de participaties EUR 205k is.” Datzelfde geldt voor de e-mail van 12 augustus 2015 van [eiser 3] die (naast hetgeen in rov. 3.9 hiervoor is vermeld) de volgende opmerking bevat: “
Jullie besluit de participatie te willen beëindigen brengt ons tot onze toezegging jullie claim te honoreren van EUR 205k.” Anders dan de Stichting c.s. stellen, doet aan de bewijskracht van die e-mail niet af dat de tekst “uit wanhoop/emotie/frustratie” tot stand is gekomen. Ook indien dat juist is, bevestigt de e-mail de gegrondheid van het betoog van [verweerster 1] en [verweerder 2] . Bovendien heeft [eiser 3] later in zijn brief van 7 december 2015 geschreven: “
Jullie hebben in Q2 aangegeven jullie participaties van nominaal EUR 300.000 te willen beëindigen. Dit tegen het bedrag van EUR 205.000 dat wij jullie als ondergrens hebben geboden.” Hierop heeft [eiser 3] niet laten volgen dat [verweerster 1] en [verweerder 2] zijn uitlatingen verkeerd hebben begrepen.
3.De bespreking van het cassatiemiddel
De cassatieklachten
De nrs. 3 t/m 9 van het middelrichten zich, kort gezegd, op ’s hofs oordeel, zoals samengevat in rov. 3.12 als uitvloeisel van rov. 3.9-3.11, waarop het hof in zoverre terugvalt in rov. 3.17: dat voldoende is komen vast te staan dat de toezegging is gedaan, dat deze voor het eerst in 2014 is gedaan, en dat deze inhield dat een bedrag van (minimaal) € 205.000,-- aan [verweerster 1] en [verweerder 2] gezamenlijk zou worden terugbetaald bij beëindiging van hun deelneming in het Fonds. [6]
De nrs. 10 t/m 12 van het middelrichten zich, kort gezegd, op ’s hofs oordeel dat HDR Management (als bestuurder van de Stichting), HDR Capital (als bestuurder van HDR Management) en [eiser 3] (als bestuurder van HDR Capital) het in rov. 3.17 en 3.20 bedoelde persoonlijk ernstig verwijt treft, in het bijzonder de overwegingen: dat toen HDR Management namens de Stichting de toezegging deed, het voor haar gelet op de hoogte van de (haar bekende) structurele kosten van de handelsstructuur en de omstandigheid dat er geen liquide middelen binnenkwamen, reeds duidelijk moet zijn geweest dat de toezegging niet kon worden nagekomen, omdat niets kon worden terugbetaald als het bedrag van € 205.000,-- niet zou worden gereserveerd of niet drastisch in de kosten zou worden gesneden; en dat [verweerster 1] en [verweerder 2] niet over deze penibele financiële situatie zijn ingelicht. [7]
om hen zoveel mogelijk uit de wind te houden wat risico's betreft’, hetgeen volgens het hof aansluit bij de opmerkingen in de e-mail van [eiser 3] van 12 augustus 2015 (geciteerd in rov. 2.22.) dat door de nieuwe afspraken geen direct verband meer bestond tussen de daadwerkelijke exploitatie en de uiteindelijk aanwezige middelen en dat [verweerster 1] c.s. toen is toegezegd hun (resterende) lening te minimaliseren op een ondergrens van € 205.000.
te proberen er dit jaar het beste van te maken en mocht er kapitaal nodig zijn dan melden wij ons weer'. Evenzomin is die slotsom begrijpelijk in het licht van de e-mail van [eiser 3] van 12 augustus 2015, nu deze (dus) niet dateert uit 2014 en bovendien slechts sprak van een
leningvan minstens € 205.000, een toezegging om een
claimtot dat bedrag te
honorerenen een
intentieom dat te betalen, maar ook aangaf dat toen
niet te kunnen. Ook dat een en ander behelst onmiskenbaar géén terugbetalingstoezegging, zeker niet uit 2014.
Als startpunt voor de beoordeling van deze klachten dient dat het daarin bestreden oordeel van het hof omtrent de gedane toezegging (zie nader onder 3.1-3.2 hiervoor) moet worden bezien tegen de achtergrond van, en in onderling(e) verband en samenhang met, ‘s hofs daaraan voorafgaande en in cassatie onbestreden overwegingen in het arrest, in het bijzonder waar het hof, zakelijk weergegeven:
periode- het hof zich de vragen stelt of de daar bedoelde toezegging is gedaan, en zo ja, wat de aard en de strekking daarvan was (rov. 3.6 en 3.7);
going-concern-situatie en de handelsstructuur moest operationeel en dus onderhouden blijven. Met [verweerster 1] en [verweerder 2] is slechts gesproken over een ‘garantiewaarde’ of ‘vaste hoofdsom’ in het kader van de vervanging van de participaties door omzetting van het Fonds naar een nieuw fonds. Uit de e-mail van 3 november 2014 van [eiser 3] , en meer in het bijzonder het daarin gebruikte woord ‘maximaal’ voorafgaand aan het bedrag van € 205.000, blijkt dat aan [verweerster 1] en [verweerder 2] duidelijk is gemaakt dat een soortgelijke garantie voor het Fonds niet gold. Het zou bovendien hoogst ongebruikelijk zijn als garanties zouden worden gegeven op risicovolle beleggingen/investeringen. Het ingelegde geld was
seed capitalen de daadwerkelijke waarde van de participaties op de vervaldatum was afhankelijk van de actuele waarde van de Notes op dat moment en eventueel de tot aan die datum binnen het Fonds vervallen kosten. Dit strookt ook met de opmerking in de e-mail van 14 april 2014 van [eiser 3] : “
Als alles is afgewikkeld moeten we kijken wat er daadwerkelijk over blijft.” Als de participaties wel een garantiewaarde zouden hebben gehad, zou dit opgenomen moeten zijn in het Inschrijfformulier, de Voorwaarden van Beheer en Bewaring en/of de
Fact sheet. Daaruit valt echter het tegendeel af te leiden. Geen van deze voorwaarden is aangepast en dus zijn zij alle van kracht gebleven zodat de betwiste (mondelinge) toezegging niet relevant is.”
Het hof neemt eerst in aanmerking (in rov. 3.9) dat de Stichting c.s. er aldus aan voorbijgaan dat na de initiële inleg in 2013 medio april 2014 een “nieuwe situatie” is ontstaan, waarin immers [verweerster 1] en [verweerder 2] de helft van hun inleg hebben uitgekeerd gekregen (ieder € 150.000,--) om hen, naar eigen zeggen van de Stichting c.s., “zoveel mogelijk uit de wind te houden wat risico’s betreft”. [9] Daarbij betrekt het hof (nog steeds in rov. 3.9) dat deze verklaring van de Stichting c.s. aansluit bij de opmerkingen in [eiser 3] e-mail van 12 augustus 2015 dat door de “(nieuwe) afspraken” geen direct verband meer bestond tussen de daadwerkelijke exploitatie en de uiteindelijk aanwezige middelen en dat [verweerster 1] en [verweerder 2] “is toegezegd hun (resterende) ‘lening’ te minimaliseren op een ondergrens van € 205.000”, alsmede dat het past bij het betoog van [verweerster 1] en [verweerder 2] dat hier - dus in die e-mail van [eiser 3] - over een “ondergrens” wordt gesproken. [10] Het hof vervolgt (in rov. 3.10) met de overweging dat “[d]at”, wat dus ziet op het passen bij het betoog van [verweerster 1] en [verweerder 2] , ook geldt voor “de overige feiten en omstandigheden van dit geval”, die mede betrekking hebben op de periode vanaf medio april 2014, te weten:
clearing-faciliteiten van ED&F voor nieuwe beleggingstransacties verloren was gegaan, in die zin dat het Norwin niet was toegestaan nieuwe posities te openen of bestaande posities te vergroten, zodat in dit opzicht geen (verdere) kosten meer behoefden te worden verwacht (welk verlies van toegang blijkens rov. 2.12 begin september 2013 aan de orde was, naar aanleiding van welk verlies [eiser 3] op 14 mei 2014 aan [verweerster 1] en [verweerder 2] heeft geschreven, met kopie aan [betrokkene 2] , zoals het hof vaststelt in rov. 2.13);
Dit brengt mij bij de klachten in de nrs. 3 t/m 9 van het middel, die overigens niet, met verwijzing naar vindplaatsen in de gedingstukken in feitelijke instanties, reppen van enige concrete door de Stichting c.s. (dan wel [verweerster 1] en/of [verweerder 2] ) ingenomen stelling ter zake in die gedingstukken in feitelijke instanties. Zoals uit het voorgaande blijkt, oordeelt het hof met inachtneming ook van het partijdebat in rov. (3.9-11 en) 3.12, voortbouwend op de daaraan voorafgaande overwegingen waaronder rov. 3.6 en 3.7, dat voldoende is komen vast te staan dat in 2014 voor het eerst de toezegging is gedaan om een bedrag van ten minste € 205.000,-- terug te betalen aan [verweerster 1] en [verweerder 2] gezamenlijk bij beëindiging van hun deelneming in het Fonds, waarbij het hof zowel de juiste - in cassatie onbestreden - maatstaf als diverse feiten en omstandigheden betrekt die mede betrekking hebben op 2014, en tevens oog heeft voor het door de Stichting c.s. ter zake gevoerde verweer. Voor zover de klachten ervan uitgaan dat het hof de in rov. 3.12 bereikte slotsom (waarop het hof terugvalt in rov. 3.17) in rov. 3.9-3.11 slechts onderbouwt met feiten en omstandigheden die niet (ook) betrekking hebben op 2014, gaan de klachten uit van een onjuiste lezing van het arrest en missen deze feitelijke grondslag. Zie in dit verband bijvoorbeeld nr. 6 (“Evenzomin is die slotsom begrijpelijk in het licht van de e-mail van [eiser 3] van 12 augustus 2015, nu deze (dus) niet dateert uit 2014 (…)”) en nr. 9 (“Andermaal valt niet in te zien hoe dat een en ander (uit 2015) alsnog kan betekenen - zo zonder meer - dat de toezegging voordien (in 2014) inderdaad reeds is gedaan”), waarbij de klachten hoe dan ook eraan voorbijzien dat het gegeven dat bepaalde correspondentie uit 2015 dateert niet meebrengt dat die correspondentie, ongeacht de inhoud ervan, ‘dus’ niets kan zeggen over het reeds in 2014 gedaan zijn van de toezegging, zoals bedoeld door het hof (in navolging van [verweerster 1] en [verweerder 2] ). [15] Evenzeer missen de klachten feitelijke grondslag voor zover deze ’s hofs overwegingen in rov. 3.9-3.12 zo samenvatten dat daarmee geen correcte weergave meer wordt gegeven van hetgeen het hof in werkelijkheid overweegt en vaststelt in rov. 3.9-3.12. Illustratief is nr. 4, waar staat dat:
Volgens het hof is redengevend daarvoor dat het voor HDR Management toen zij namens de stichting de toezegging deed, gelet op de hoogte van de (haar bekende) structurele kosten van de handelsstructuur en de omstandigheid dat er geen liquide middelen binnenkwamen, reeds duidelijk zijn geweest dat de toezegging niet kon worden nagekomen omdat niets kon worden terugbetaald als het bedrag van € 205.000 niet zou worden gereserveerd of niet drastisch in de kosten zou worden gesneden, en voorts dat [verweerster 1] c.s. niet over deze penibele financiële situatie zijn ingelicht.
Voor zover deze - tegen rov. 3.17 en 3.20 van het arrest gerichte - klachten voortbouwen op de klachten in de nrs. 3 t/m 9 van het middel, [23] die falen (zie onder 3.3 hiervoor), delen de onderhavige klachten in dat lot. Ook voor zover deze klachten gericht zijn tegen ’s hofs overwegingen in rov. 3.17 omtrent, kort gezegd, de daar bedoelde wetenschap van HDR Management als bestuurder van de Stichting [24] en ontbrekende wetenschap van [verweerster 1] en [verweerder 2] als schuldeisers van de Stichting, [25] op welke rov. 3.17 het hof voortbouwt in rov. (3.18-3.19 en) 3.20, stranden zij. Ik licht toe waarom, waarbij ik uitga van de door het hof in rov. 3.9-3.14 bedoelde toezegging en aan ’s hofs overwegingen ter zake geen specifieke aandacht besteed (zie daarvoor onder 3.3 hiervoor).
In rov. 3.17 geeft het hof ten aanzien van HDR Management als bestuurder van de Stichting duidelijk toepassing aan het zogenoemde ‘Beklamel’-criterium voor externe bestuurdersaansprakelijkheid op de voet van art. 6:162 BW Pro, kort gezegd het door het hof in rov. 3.16 [26] onder “de onder (i) bedoelde gevallen” aangeduide criterium:
wanneer de bestuurder bij het namens de stichting aangaan van verbintenissen wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de stichting niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, behoudens door de bestuurder aan te voeren omstandigheden op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat hem ter zake van de benadeling geen persoonlijk verwijt gemaakt kan worden.”
Nr. 11, eerste zin (in verbinding met nr. 10, eerste alinea). Wat betreft ’s hofs aangevallen oordeel in rov. 3.17, als weergegeven in nr. 10, tweede alinea, [36] geldt dat “[n]iets van dat alles echter (kenbaar) [volgt] uit 's hofs vaststellingen omtrent enigerlei in 2014 gedane toezegging”. [37]
Nr. 12. In het licht van nr. 11, tweede zin vanaf “heeft het hof” t/m vierde zin (“In het licht hiervan”, etc.) [38] is eens te meer, althans hoe dan ook, onnavolgbaar hoe het hof heeft kunnen oordelen dat het voor HDR Management reeds in 2014 duidelijk moet zijn geweest dat zich een penibele financiële situatie voordeed zoals het hof die heeft omschreven en waarover [verweerster 1] en [verweerder 2] niet zijn ingelicht, en dus ook onnavolgbaar is hoe het hof heeft kunnen oordelen dat HDR Management en daarmee HDR Capital en [eiser 3] ter zake een persoonlijk ernstig verwijt treft; “[v]an zodanig verwijt kan pas sprake zijn wanneer de situatie van de rechtspersoon hopeloos is c.q. zijn insolventie op dat moment onafwendbaar of ten minste redelijkerwijze te verwachten. Dat heeft het Hof echter hoe dan ook niet vastgesteld.”
Ik wijs daartoe met name, en kort gezegd, op het volgende, te bezien ook tegen de achtergrond van ’s hofs samenvattende weergave in rov. 3.2 en 3.6, in cassatie onbestreden, van de stellingname van [verweerster 1] en [verweerder 2] .
Over de kosten: deze gaan ten laste van het resultaat en daar deelt iedereen in mee.
Tot nu toe heb ik voorgefinancierd, en ik probeer te realiseren dat deze kunnen worden gefinancierd uit positieve cashflow. Het traject is echter langer en anders dan verwacht gebleken en ik ontkom er niet aan dat ik in de toekomst voor de financiering van de kosten een beroep doe op ingelegde gelden.
Om een idee te geven, een schatting van de uiteindelijke kosten op jaarbasis is 180k, in de meest ongunstige maand wordt 15k aan cash onttrokken.” [39]
Notes), de partij die centraal zou staan in het uitvoeringsmechanisme voor de dividend arbitrage;
trading accountsbij ED&F en tot het opzetten van de voor de beleggingstransacties benodigde fiscale en juridische structuren, waarvan een belangrijk onderdeel was dat Norwin toegang kreeg tot de
clearing-faciliteiten van ED&F, hetgeen ook is gebeurd;
clearing-faciliteiten van ED&F Norwin begin september 2013 verloor voor nieuwe beleggingstransacties, [41] en zij daarna niet opnieuw heeft gekregen;
Notesis gesloten onder uitkering van € 300.000,-- aan [verweerster 1] en [verweerder 2] (€ 150.000,-- elk).
clearing-faciliteiten van ED&F voor nieuwe beleggingstransacties verloren gegaan, in die zin dat het Norwin niet was toegestaan nieuwe posities te openen of bestaande posities te vergroten, zodat in dit opzicht geen (verdere) kosten meer behoefden te worden verwacht, en
clearing-faciliteiten van ED&F voor nieuwe beleggingstransacties begin september 2013 (in die zin dat het Norwin niet was toegestaan nieuwe posities te openen of bestaande posities te vergroten), in de relevante periode geen daadwerkelijk concreet en reëel uitzicht door de onderneming op (zelfstandige heractivering van de) beleggingsactiviteiten of een koerswijziging (zoals samenwerking met derden en het aantrekken van kapitaal) waarmee liquide middelen gegenereerd zouden (kunnen) worden. [44] Enige valide basis voor zulke positieve vooruitzichten valt niet aan te wijzen in die feitenweergave. [45]
Notesdie door het Fonds werden gehouden per 1 juli 2015 zijn beëindigd en dat de totale waarde van de belegging per 30 juni 2015 € 0,-- bedraagt:
Hierbij delen wij u mede dat [het Fonds, A-G] per 30 juni 2015 is ontbonden. Dit conform de ‘Voorwaarden van Beheer en Bewaring’, zie Bijlage 4. De rekening en verantwoording is in concept voorgelegd aan de accountant en treft u aan in bijlage 6.
De totale waarde van uw belegging bedraagt daarmee per 30 juni 2015 EUR 0.
Het Fund Fact Sheet treft u in Bijlage 2.
Gegeven dit een en ander ziet de klacht in nr. 11, eerste zin (in verbinding met nr. 10, eerste alinea) (zie onder a hiervoor) eraan voorbij dat ’s hof aangevallen oordeel in rov. 3.17, als weergegeven in nr. 10, tweede alinea, [46] dus wel degelijk kenbaar en afdoende basis vindt in ‘s hof daaraan voorafgaande feitenweergave. Dat aangevallen oordeel van het hof in rov. 3.17 moet immers worden bezien in het licht van hetgeen het hof aan feiten vaststelt, waaronder de hiervoor weergegeven feitenweergave waaruit het hof onder meer en kort gezegd het volgende afleidt, naar blijkt uit althans besloten ligt in rov. 3.17, en niet-onbegrijpelijk gelet ook op die weergave:
clearing-faciliteiten van ED&F voor nieuwe beleggingstransacties; dat na medio april 2014 van de (na terugbetaling van € 300.000,--) resterende inleg ad € 300.000,-- van [verweerster 1] en [verweerder 2] , toen de inleg in het Fonds, na aftrek van die € 95.000,-- nog € 205.000,-- over was; en dat dit resterende bedrag van € 205.000,-- voor de periode na medio april 2014 ook werd besteed aan deze uitgaven, die toen dus doorgingen; [48]
clearing-faciliteiten van ED&F voor nieuwe beleggingstransacties begin september 2013 (waardoor het Norwin niet was toegestaan nieuwe posities te openen of bestaande posities te vergroten), er ook in de periode na medio april 2014, waarvoor de genoemde uitgaven dus doorgingen (uiteindelijk, voorzienbaar, ten laste van dat resterende bedrag van € 205.000,--), geen daadwerkelijk concreet en reëel uitzicht door de onderneming was op (zelfstandige heractivering van de) beleggingsactiviteiten of een koerswijziging (zoals samenwerking met derden en het aantrekken van kapitaal) waarmee liquide middelen gegenereerd zouden (kunnen) worden; enige valide basis voor zulke positieve vooruitzichten valt in ‘s hofs feitenweergave niet aan te wijzen;
clearing-faciliteiten van ED&F voor nieuwe beleggingstransacties verloren was gegaan, in die zin dat het Norwin niet was toegestaan nieuwe posities te openen of bestaande posities te vergroten, zodat in dit opzicht geen (verdere) kosten meer behoefden te worden verwacht;
Notesdie door het Fonds werden gehouden per 1 juli 2015 zijn beëindigd en dat de totale waarde van de belegging per 30 juni 2015 € 0,-- bedraagt.
In het verlengde hiervan loopt ook vast de klacht in nr. 12 (zie onder b hiervoor). Waar de klacht aansluiting zoekt bij de opsomming in nr. 11, tweede zin vanaf “heeft het hof” t/m vierde zin (“In het licht hiervan”, etc.), geldt dat daaruit
nietvolgt dat ‘eens te meer, althans hoe dan ook’, onnavolgbaar is hoe het hof heeft kunnen oordelen dat het voor HDR Management reeds in 2014 duidelijk moet zijn geweest dat zich een penibele financiële situatie voordeed zoals het hof die heeft omschreven en waarover [verweerster 1] en [verweerder 2] niet zijn ingelicht, en ‘dus’ ook onnavolgbaar is hoe het hof heeft kunnen oordelen dat HDR Management ‘en daarmee’ HDR Capital en [eiser 3] ter zake een persoonlijk ernstig verwijt treft. Die opsomming betreft immers, op de keper beschouwd, alleen een globale verwijzing naar delen uit rov. 2.13 en 2.15-2.18. [51] ’s Hofs feitenweergave aldaar heb ik hiervoor al betrokken. Zeker zonder uitwerking, die in de klacht ontbreekt, valt niet in te zien waarom hetgeen de klacht opmerkt over rov. 2.13 en 2.15-2.18, [52] voor zover aansluitend bij wat het hof daar in werkelijkheid overweegt, [53] zou meebrengen dat ’s hofs bestreden oordeel in rov. 3.17, niettegenstaande al het voorgaande, toch onbegrijpelijk zou zijn (wat dus ook niet volgt uit hetgeen in rov. 2.13 en 2.15-2.18 staat). Op dit punt behoeft de klacht daarom geen verdere behandeling. Voor zover de klacht nog aanvoert dat “[v]an zodanig verwijt pas sprake [kan] zijn wanneer de situatie van de rechtspersoon hopeloos is c.q. zijn insolventie op dat moment onafwendbaar of ten minste redelijkerwijze te verwachten”, en dat het hof dit “echter hoe dan ook niet [heeft] vastgesteld”, ziet de klacht eraan voorbij dat het hof in rov. 3.17 duidelijk het in rov. 3.16 bedoelde ‘Beklamel’-criterium hanteert als invulling van het voor externe bestuurdersaansprakelijkheid ex art. 6:162 BW Pro vereiste persoonlijk ernstig verwijt en kenbaar vaststelt dat op basis daarvan in de gegeven omstandigheden zo’n persoonlijk ernstig verwijt te maken valt aan HDR Management als bestuurder van de Stichting, wat dus niet onbegrijpelijk is noch blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, en waarbij het hof niet nog weer apart hoefde (te beoordelen en) vast te stellen dat ‘de situatie van de Stichting hopeloos was c.q. haar insolventie op dat moment onafwendbaar of ten minste redelijkerwijze te verwachten was’. Tot slot zij nog opgemerkt dat ook hier de klacht geen beroep doet op een of meer stellingen van de Stichting c.s. (dan wel [verweerster 1] en/of [verweerder 2] ), laat staan met verwijzing naar vindplaatsen in de gedingstukken in feitelijke instanties. Nu ook deze klacht dus vastloopt wat betreft ’s hofs bestreden oordeel in rov. 3.17, valt daarmee ook de bodem weg onder de klacht voor zover deze gericht is tegen rov. 3.20, daar ook deze klacht bij dit laatste slechts voortbouwt op die bestrijding van rov. 3.17, wat dus eveneens zonder vrucht is gedaan. Ik lees ook in deze klacht niet (ook) een daarvan losstaand bezwaar dat specifiek is gericht tegen ’s hofs oordeel in rov. 3.20, welk oordeel - te bezien in het licht van de daaraan voorafgaande overwegingen, waaronder rov. 3.16-3.19, waarover hiervoor - m.i. dus geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting of ontoereikende motivering. Dit behoeft geen verdere toelichting.
Nu ik verder geen klachten kan ontwaren in de nrs. 10 t/m 12, valt daarmee ook in zoverre het doek voor het middel.
Hierop stuiten de klachten in nrs. 10 t/m 12 van het middel af.