Conclusie
Nummer20/01083
Inleiding
De zaak
Tijdens de achtervolging werden “spullen” uit de auto gegooid en heeft de auto meerdere keren naar links gestuurd toen een achtervolgende politieauto, die zwaailichten voerde, de auto links probeerde in te halen. In de bebouwde kom vertoonde de bestuurder van de Citroen Berlingo gevaarlijk rijgedrag bijvoorbeeld door meteen linksaf te gaan op een rotonde en zo hard over de drempels te rijden dat de vonken onder de Citroen vandaan kwamen. Nadat een collega van de verdachte via de meldkamer toestemming had verkregen om een zogenoemde “geforceerde stop” uit te voeren, is de achtervolgde auto bij de derde “geforceerde stop”, tot stilstand gekomen. [slachtoffer] is toen aan de kant van de bijrijder de auto uitgestapt en na een korte worsteling met een collega van de verdachte, weggerend waarna de achtervolging door de politie te voet is voortgezet.
Bij het uitstappen hield het later beschoten slachtoffer “iets donkerkleurigs in zijn rechterhand” vast waarvan niet goed te zien was wat het was, maar het had volgens de verdachte “de grootte dat hij het in één hand kon houden”.
Bij de achtervolging te voet door een grasveld hebben twee collega’s van de verdachte in totaal drie waarschuwingsschoten gelost en de verdachte tenminste tweemaal twee waarschuwingsschoten. Bij de achtervolging is [slachtoffer] in een grasveld uitgegleden en weer opgestaan om vervolgens een sloot in te springen en over het prikkeldraad aan de overkant van het water het aansluitende weiland verder op te rennen. Kort daarop is op dezelfde plek als waar [slachtoffer] was uitgegleden een collega van de verdachte uitgegleden en weer opgestaan. Vervolgens heeft de verdachte tegen de net gevallen en weer opgestane collega geroepen dat hij moest wachten en heeft de verdachte – aangekomen bij de sloot waar het latere slachtoffer in was gesprongen en zijn vlucht had voortgezet – gericht geschoten op [slachtoffer] die zich toen op ongeveer twintig meter afstand bevond. De man is daarbij in zijn teen geraakt.
De verdachte heeft aangevoerd dat zijn vuurwapengebruik geoorloofd was op basis van art. 7, eerste lid, Ambtsinstructie en daarmee heeft gehandeld ter uitvoering van een wettelijk voorschrift als bedoeld in art. 42 Sr Pro. Het hof heeft dit beroep verworpen. De drie middelen hebben alle betrekking op de uitleg die het hof heeft gegeven aan art. 7, eerste lid, Ambtsinstructie en de motivering waarmee het hof het beroep daarop heeft verworpen.
De bewezenverklaring en bewijsvoering
als verklaring van getuige [verbalisant 1]:
als verklaring van verdachte:
het hof begrijpt: tot 9 januari 2015 om 07:00 uur) werken in de nooddienst. Ik was gekleed in een opvallend politie-uniform. Ik zat als bijrijder in een opvallende VW Touran. Ons roepnummer was de 22.04. Hoofdagent [verbalisant 5] (hierna: [verbalisant 5]) was bestuurder. Ik verzorgde de communicatie met de meldkamer. De mobilofoon en de portofoon zijn gekoppeld aan één kanaal. We hadden allebei een oortje in en hoorden allebei hetzelfde.
het hof begrijpt: [slachtoffer]) wegrende in een zijstraat. [verbalisant 5] en ik hebben beiden te voet de achtervolging ingezet op de wegrennende verdachte.
als verklaring van getuige [verbalisant 5]:
als verklaring van getuige [verbalisant 3]:
als relaas van de verbalisant:
als verklaring van getuige [verbalisant 7]:
verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van dit hof op 19 februari 2020, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven:
als verklaring van getuige [slachtoffer]:
Strafbaarheid van de verdachte
de bestuurdervan het voertuig terwijl door de politie ook gebruik was gemaakt van optische- en geluidssignalen.
Wettelijk kader
Het eerste middel
❖ De mededeling van collega's dat zij terwijl er hard wordt gereden, ze afgesneden worden door het voertuig met de verdachten c.q. verdachten beletten dat politie hen kan inhalen door dit afsnijden, tijdstip : hierbij het risico nemen dat er een zeer ernstige aanrijding ontstaat, mogelijk zelfs poging doodslag
❖ Horen via inrap net dat voertuig na twee keer "rammen" nog niet stil stond, tijdstippen 01:24:15, 01:27:14 en 01:28:09:[…]
❖ De achtervolging is inmiddels al ruim 25 minuten aan de gang. Gedurende deze tijd en ondanks de gevaarlijke situatie wordt er door meldkamer niet beslist tot afbreken van de achtervolging. Sterker nog, er worden zelf meerdere eenheden door Meldkamer achter de verdachtenauto aangestuurd, waarbij [verdachte] helemaal uit Apeldoorn moest komen.[…]
Fase na stoppen verdachtenauto
❖ Meerdere collega's trekken het dienstwapen en vuren waarschuwingsschoten. Collega [verbalisant 5] is de eerste die na roepen "stop politie" een waarschuwingsschot lost. Hierop wordt niet gereageerd door [slachtoffer]. Vervolgens worden er meerdere waarschuwingsschoten gelost nadat wederom is geroepen "Politie, staan blijven, anders zal er geschoten worden". Ook hierop wordt niet gereageerd door [slachtoffer] en deze blijft doorrennen.
Verdachte heeft op geen enkel moment gehoord of gezien dat [slachtoffer] daadwerkelijk een vuurwapen bij zich droeg. Weliswaar heeft verdachte verklaard te hebben gezien dat [slachtoffer], toen deze uit de auto stapte, iets in zijn hand had, maar verdachte en [verbalisant 5] hebben geen van beiden verklaard dat dit voorwerp een vuurwapen was of daarop leek.Dat het betreffende voorwerp donker was en in één hand kon worden vastgehouden is onvoldoende voor de aanname dat [slachtoffer] mogelijk over een vuurwapen beschikte. Ook tijdens de eerdere achtervolging van het voertuig over de weg en de achtervolging daarna van [slachtoffer] te voet, heeft zich op geen enkel moment een concrete omstandigheid voorgedaan op grond waarvan verdachte redelijkerwijs mocht menen dat [slachtoffer] in het bezit was van een vuurwapen.
Toetsingskader:
de verdachtegelet op de gegeven feiten en omstandigheden ten aanzien van [slachtoffer] “redelijkerwijs” had mogen aannemen “dat hij een voor onmiddellijk gebruik gereed zijnd vuurwapen bij zich heeft en dit tegen personen zal gebruiken”. De overwegingen van het hof zijn toegesneden op “hetgeen verdachte zelf heeft gehoord en waargenomen”, zoals het hof bij de bespreking van het verweer voorop heeft gesteld. [5] In deze zaak zijn dat de feiten en omstandigheden die het hof heeft betrokken in zijn overwegingen die ik zojuist bij randnummer 14 heb weergegeven. In de overwegingen van het hof lees ik daarom dat de verdachte, op basis van de daar genoemde feiten en omstandigheden niet “redelijkerwijs” had mogen aannemen dat ten aanzien van [slachtoffer] mocht worden aangenomen dat hij een voor onmiddellijk gebruik gereed zijnd vuurwapen bij zich had en dit tegen personen zou gebruiken.
Het tweede middel
3.6 Onttrekking aanhouding bij verdenking ‘ernstig’ strafbaar feit ex art. 7 lid Pro 1 (B) Ambtsinstructie”39. President, er waren ook nog andere factoren die deze conclusie rechtvaardigen en die tevens een zelfstandig art. 7 lid Pro (b) van de Ambtsinstructie rechtvaardigen.
‘In casu wordt de informatie gegeven dat er door het achtervolgde voertuig meerdere keren wordt belet, dat de politieauto kan inhalen. Ik kan mij goed voorstellen, en ik heb dit ook in de praktijk moeten ervaren, dat indien je probeert een voertuig in te halen, waarbij dat voertuig bewust van zijn rechte lijn afwijkt, dit wordt ervaren als een bewuste actie om het inhalende voertuig van de weg te drukken. Gezien het risico en de gevaarzetting die dit met zich brengt, met alle mogelijke gevolgen van dien, wordt dit vaak ervaren als "poging doodslag’.Dit gegeven (gevoel) zorgt dan voor voldoende strafbaarstelling om uit bevoegdheid ter aanhouding het vuurwapen te gebruiken.
Door deze toestemming van de meldkamer (voor een geforceerde stop) wordt ook de passagier tot verdachte gemaakt. Dit wordt vervolgens versterkt door het feit dat de passagier/verdachte zich losrukt (zich onttrekt aan zijn aanhouding), en daarbij een donker voorwerp in zijn hand vasthoudt, wegrent en op geen enkele wijze gehoor geeft aan waarschuwingen, zelfs niet aan waarschuwingsschoten. Volgens mij is dit gedrag typerend voor "een verdachte", waarbij er sprake is van het plegen van een ernstig feit.’
Het derde middel
Meer subsidiair verweer: putatief noodweer”. De inhoud daarvan heb ik hierboven weergegeven bij randnummer 6.
Meer subsidiair verweer: putatief noodweer”. Dergelijke motiveringsklachten komen op tegen een niet bestaande motivering en komen daarom niet voor bespreking in aanmerking.