Conclusie
1.Inleiding
2.Feiten
hof). [1]
[verweerders]) hebben in de zomer van 2015 hun woonark in de [a-straat] en een perceel grond met een oppervlakte van 680 m2 aan de [b-straat 1] in [plaats 1] te koop aangeboden. De woonark is gelegen in het water grenzend aan het door [verweerders] te koop aangeboden perceel grond (hierna: de
ligplaats). Het water behoort in eigendom toe aan de provincie Fryslân (hierna: de
provincie). Haaks op de oever liggen twee aanlegsteigers, met daartussen een strook water van een aantal meters breed.
[eisers]) hebben op 30 juli 2015 en 8 oktober 2015 de woonark bezichtigd in het bijzijn van de verkopende makelaar van [verweerders] , [de makelaar] (hierna: de
makelaar), zonder aanwezigheid van [verweerders] Op 3 november 2015 vond een derde bezichtiging plaats. Hierbij waren [verweerders] aanwezig.
[b-straat 1] , [postcode] te [plaats 1]
[001]
hectare
6are,
80centiare hierna te noemen: "de onroerende zaak", tegen een koopsom van totaal
€ 500.000,- ZEGGE VIJFHONDERDDUIZEND EUROmet inbegrip van de zaken zoals omschreven in de bij deze koopovereenkomst behorende lijst. De in de koopsom opgenomen roerende zaken worden door partijen gewaardeerd op
€ 0,- ZEGGE NUL EURO”.
A. Het woonschip, type ark, gelegen aan de [a-straat] te [plaats 1](...)
groot zes are en tachtig centiare,hierna ook te noemen: het verkochte sub A/vaartuig respectievelijk het verkochte sub B en tezamen ook te noemen: het verkochte, door koper te gebruiken als
woonark met perceel grond en insteekhaven. (...)”
insteekhaven" eruit gelaten.”
groot zes are en tachtig centiare,hierna ook te noemen: het verkochte sub A/vaartuig respectievelijk het verkochte sub B en tezamen ook te noemen: het verkochte, door koper te gebruiken als
woonark met een perceel grond.(...)”
Nadat cliënten de ark hadden betrokken ontvingen zij bericht van de Provincie Friesland. De huur voor de ligplaats was aanzienlijk hoger dan zij hadden verwacht. Meer dan € 2.000,00 hoger per jaar. (…)”
3.Procesverloop
In eerste aanleg
rechtbank) een comparitie van partijen bevolen. [4] Van de comparitie, die heeft plaatsgevonden op 14 augustus 2018, is proces-verbaal opgemaakt.
[eisers] hebben de ‘insteekhaven’ niet gekocht (grieven 1 tot en met 3)5.3 De rechtbank heeft voor het antwoord op de vraag wat [eisers] van [verweerders] hebben gekocht (en wat aan hen geleverd had moeten worden, artikel 7:9 BW Pro) overwogen dat de koopovereenkomst moet worden uitgelegd aan de hand van de ‘Haviltex-norm’ [8] . Volgens de rechtbank zijn bij die uitleg de taalkundige betekenis van de bewoordingen waarin de bepalingen van een schriftelijk contract zijn gesteld weliswaar niet doorslaggevend, maar wel van groot belang (…) (HR 23 december 2005, ECLI:NL:2005:AU2414). Die uitlegmaatstaf hebben [eisers] in hun memorie van grieven in randnummer 13 onderschreven, zodat ook het hof die maatstaf zal toepassen. Het hof tekent daarbij aan dat voor de uitleg van de koopovereenkomst ook kan worden gelet op feiten en omstandigheden die zich na de koopovereenkomst hebben voorgedaan. De verklaringen en gedragingen van partijen nadien kunnen aanwijzingen bieden voor het antwoord op de vraag hoe partijen hun afspraken hebben opgevat en wat hun daarbij bij het sluiten van de koopovereenkomst voor ogen heeft gestaan.”
5is) aan [eisers] - dat de zienswijze van de te kiezen notaris op de verdeling van de
grondwaardeen de woonark van belang is voor de kosten - dat niet is gesproken over de levering van (een perceel) water. [eisers] hebben deze stellingen van [verweerders] niet gemotiveerd weersproken; dat aan het e-mailbericht een andere betekenis of strekking toekomt, is door hen niet gesteld.
Het beroep op dwaling slaagt niet (grief 5)
[cursivering in origineel, A-G]
arrest). [9] [verweerders] zijn niet verschenen; tegen hen is verstek verleend. [eisers] hebben schriftelijke toelichting gegeven.
4.Bespreking van het cassatiemiddel
Inleiding
wetsvoorstel) wordt hieraan uitvoering gegeven. [19] In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel wordt over de huidige situatie het volgende geschreven: [20]
Voor het innemen van een ligplaats is daarnaast veelal een publiekrechtelijke vergunning of ontheffing nodig op basis van de Waterwet, het Binnenvaartpolitiereglement of een decentrale verordening; vaak zelfs meerdere. Als er geen vergunning of ontheffing nodig is, zijn ligplaatsen doorgaans aangewezen in het bestemmingsplan of zijn in een plaatselijke verordening gebieden aangewezen waar zonder toestemming van het college van burgemeesters en wethouders een ligplaats mag worden ingenomen.
Voor het gebruik van ligplaatsen dragen woonbootbewoners liggeld af aan de eigenaar van de grond onder de ligplaats. Wanneer de grond onder de ligplaats eigendom van een provincie, gemeente of waterschap is, kan voor het beprijzen van de ligplaats gebruikgemaakt worden van een precariobelasting. Een andere mogelijkheid voor de eigenaar betreft het verhuren van de ligplaats. Dergelijke huurovereenkomsten vallen onder de reikwijdte van het algemeen verbintenissenrecht, dat wordt geregeld in Boek 6 van het BW, en de eerste vier afdelingen van titel 4 van Boek 7 van het BW, waarin een algemene regeling voor huurovereenkomsten is opgenomen. Als de verhuurder een openbaar lichaam is, gelden daarnaast de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Voor de huurovereenkomst van een ligplaats geldt niet de huurbescherming zoals die voor de huur van woonruimte geldt. Dat houdt in dat wat betreft opzeggronden en rechten bij verkoop van de woonboot of bij overlijden van de huurder van de ligplaats slechts van toepassing is wat hierover in de huurovereenkomst zelf is opgenomen. In de praktijk leidt dat regelmatig tot conflicten. Voorts wordt dit als onvoldoende bescherming voor de huurders beschouwd.”
[zonder voetnoot uit origineel, A-G]
Voor zover in cassatie van belang oordeelt het hof (in rov. 5.10.3 en 5.13 van het arrest) over de vergoeding (‘liggeld’) die (dat) verschuldigd is aan de provincie voor het gebruik van de ligplaats van de woonark, dat vaststaat dat [verweerders] [eisers] tijdig hebben geïnformeerd dat ‘liggeld’ aan de provincie verschuldigd was (en hoe hoog dat liggeld op dat moment was). Voor [eisers] was kennelijk niet duidelijk dat daarmee ‘huur’ werd bedoeld; zij stellen te hebben aangenomen dat met ‘liggeld’ een soort belasting of heffing was bedoeld. Gelet op hetgeen ik onder 4.2 hiervoor opmerkte over precariobelasting is dat weliswaar niet ondenkbaar, maar, zo overweegt het hof, de term ‘liggeld’ wijst niet zonder meer op een dergelijke belasting of heffing, maar kan ook op ‘huur’ wijzen. Het lag daarmee volgens het hof op de weg van [eisers] om hun eigen aanname te toetsen. [eisers] mochten niet zonder meer afgaan op het ontbreken van mededelingen over die huurovereenkomst in de door [verweerders] ingevulde vragenlijsten. De zaak staat dus in de sleutel van de verhouding tussen de mededelingsplicht van de verkoper en de onderzoeksplicht van de koper. Het hof is van oordeel dat [verweerders] hebben voldaan aan hun mededelingsplicht door melding te maken van het liggeld. [eisers] hadden moeten onderzoeken wat de grondslag hiervan is. Daartegen wordt m.i. niet met succes opgekomen, zoals ik hierna verder toelicht.
onder 1eerst op, (i) dat [verweerders] in de aan de koopovereenkomst gehechte lijst van zaken bij de vraag of er zaken zijn die geen eigendom zijn van de verkoper, maar waarvan eventuele leasecontracten, huurkoopcontracten of huurcontracten over te nemen zijn, de vakjes NVT (dus: niet van toepassing) hebben aangekruist (zie ook onder 2.5 hiervoor en rov. 5.9 van het arrest), (ii) dat ook in art. 7.1 van de koopovereenkomst is aangegeven dat de feitelijke levering en aanvaarding plaatsvindt vrij van huurovereenkomsten, (iii) dat [verweerders] in de vragenlijst behorende bij de koopovereenkomst hebben aangegeven dat er geen afspraken zijn over aangrenzende percelen en dat zij evenmin grond van derden in gebruik hebben, en (iv) dat liggeld iets “totaal en wezenlijk” anders is dan huur. [30] Volgens het onderdeel zijn deze omstandigheden “bepaald anders en met name ook méér” dan “het enkele feit dat in de vragenlijst geen melding is gemaakt van de huurovereenkomst met de provincie”, zoals het hof in rov. 5.13 van het arrest heeft overwogen.
Het hof beoordeelt in rov. 5.13 van het arrest het beroep op dwaling van [eisers] (grief 5, zie ook onder 4.4 hiervoor). Deze grief is in de memorie van grieven zijdens [eisers] toegelicht onder 34-44. Dat is hetgeen in het kader van het beroep op dwaling voorlag, zoals ook blijkt uit rov. 5.12 van het arrest (“Zij stellen in de toelichting op grief 5 dat [verweerders] hen aantoonbaar onjuiste mededelingen hebben gedaan (…)”). In die toelichting op die grief 5 lees ik het volgende:
De omstandigheid die het onderdeel onder (ii) noemt, het beroep op artikel 7.1 van de koopovereenkomst, wordt in de memorie van grieven onder 9 gesteld en lag in zoverre dus niet voor bij het beroep op dwaling. [31] De omstandigheid die het onderdeel onder (iv) noemt, is kennelijk ontleend aan de memorie van grieven onder 20 (in het kader van de toelichting op grief 2):
huurmoet worden betaald, om aan te geven in de eerste plaats dat er een huurovereenkomst is en in de tweede plaats dat er huur betaald moet worden. Onder liggeld wordt algemeen verstaan volgens [eiser 1] , een overheidswege te betalen vorm van belasting. De grondslag voor het betalen van een dergelijke belasting volgt uit een publiekrechtelijke rechtsverhouding en niet uit een privaatrechtelijke rechtsverhouding zoals een huurovereenkomst. [eiser 1] heeft de vermelding van [verweerder 1] over te betalen liggeld, opgevat als een soort van te betalen onroerendezaakbelasting of iets dergelijks. (…)”
[onderstreping in origineel, A-G]
Wat nog resteert, is de omstandigheid die het onderdeel onder (i) noemt. Dat betreft de lijst van zaken bedoeld onder 2.5 hiervoor, waarin [verweerders] bij de vraag of er zaken zijn die geen eigendom zijn van de verkoper maar waarvan eventuele leasecontracten, huurkoopcontracten of huurcontracten over te nemen zijn, de vakjes “NVT” hebben aangekruist. Deze omstandigheid is toegelicht in de memorie van grieven onder 6. Deze omstandigheid lag, blijkens de terugverwijzing in de memorie van grieven onder 41 naar randnummers 5 t/m 8, wel voor bij het beroep op dwaling. Ik lees rov. 5.13 van het arrest zo dat het hof met “Het enkele feit dat in de vragenlijst geen melding is gemaakt van de huurovereenkomst” ook het oog heeft gehad op deze ‘lijst van zaken’. Dat blijkt m.i. ook uit rov. 5.8-5.9 van het arrest waarin het hof het heeft over zowel vragenlijst als vragenlijsten. [32] Voor zover rov. 5.13 van het arrest niet zo gelezen zou moeten worden dat hieronder ook de desbetreffende ‘lijst van zaken’ valt, geldt overigens dat [verweerders] hiermee ook geen onjuiste voorstelling van zaken hebben gegeven, nu de huurovereenkomst immers niet door de nieuwe eigenaar van de woonark kon worden overgenomen, maar “strikt persoonlijk” was. [33] Hierop stuit het onder 1 aangevoerde af.
onder 2dat het hof “daarmee” miskent dat het, ook voor een beroep op dwaling, voor de vraag wat tussen partijen is overeengekomen aankomt op de Haviltex-maatstaf, [34] althans dat het hof er geen blijk van geeft van de Haviltex-maatstaf te zijn uitgegaan. Volgens het onderdeel ziet hetgeen het hof in rov. 5.3 van het arrest heeft overwogen evident alleen op de vraag of [eisers] (tevens) de insteekhaven van [verweerders] hebben gekocht.
Voor zover het hof in rov. 5.13 van het arrest bij het beoordelen van het beroep op dwaling van [eisers] de stelling beoordeelt dat [verweerders] onjuiste mededelingen hebben gedaan als gevolg waarvan [eisers] hebben gedwaald ten aanzien van de omvang van het gekochte, verwijst het hof in rov. 5.13, eerste zin van het arrest terug naar “wat het hof hiervoor heeft geoordeeld” en komt het tot het oordeel dat die stelling van [eisers] onvoldoende onderbouwd is, zodat het beroep op dwaling in zoverre geen doel treft. In rov. 5.12 van het arrest omschrijft het hof dit deel van de stelling van [eisers] als volgt: “dat zij hadden mogen begrijpen de ‘insteekhaven’ te hebben gekocht en niet hadden hoeven te begrijpen dat met een andere partij een (huur)overeenkomst moest worden gesloten ten aanzien van de ligplaats vanwege de ‘liggeld’ vermelding”. In de toelichting op grief 5, waarop het hof zich in rov. 5.12 van het arrest baseert, schrijven [eisers] hierover in hun memorie van grieven:
Hierop stuit het onder 2 aangevoerde af.
onder 3dat wat ná het sluiten van de koopovereenkomst al dan niet is besproken “daarvoor” niet relevant is. Volgens het onderdeel kent het hof in rov. 5.10.3 van het arrest ten onrechte betekenis toe aan de omstandigheid dat [eisers] niet gemotiveerd hebben tegengesproken dat volgens [verweerders] na het sluiten van de koopovereenkomst door partijen diverse malen is gesproken over de verrekening van de huurprijs die voor het jaar 2016 verschuldigd was.
In rov. 5.3, laatste twee zinnen van het arrest overweegt het hof, in cassatie onbestreden en kort gezegd, dat voor uitleg ook kan worden gelet op feiten en omstandigheden die zich na de koopovereenkomst hebben voorgedaan en dat de verklaringen en gedragingen nadien van partijen aanwijzingen kunnen bieden voor het antwoord op de vraag hoe partijen hun afspraken hebben opgevat en wat hun daarbij bij het sluiten van de koopovereenkomst voor ogen heeft gestaan. Dat het hof in rov. 5.10.3 van het arrest ook betekenis kon (en mocht [35] ) toekennen aan omstandigheden van na het sluiten van de overeenkomst, kan in de sleutel van rov. 5.3, laatste twee zinnen, van het arrest worden begrepen.
Hierop stuit het onder 3 aangevoerde af.
onder 4dat rov. 5.10.3 van het arrest (voorts) onbegrijpelijk is, omdat [eisers] “zulks” wel degelijk gemotiveerd hebben betwist, “waarover hieronder nader”.
onder 5is althans “op grond van het voorgaande” onbegrijpelijk dat [eisers] volgens rov. 5.13 van het arrest het bestaan van de huurovereenkomst met de provincie hadden moeten verwachten of gaat het hof voorbij aan “voornoemde essentiële stellingen” die, indien het hof deze wel in zijn oordeel had betrokken, tot een ander oordeel hadden moeten nopen.
Voor zover het onderdeel klaagt over rov. 5.13 van het arrest, althans het oordeel dat [eisers] het bestaan van de huurovereenkomst hadden moeten verwachten, faalt het, omdat onvoldoende duidelijk wordt gemaakt waarom dat oordeel “op grond van het voorgaande” onbegrijpelijk zou zijn. In zoverre gaat het onderdeel overigens ook uit van een verkeerde lezing van rov. 5.13 van het arrest. Het hof overweegt in rov. 5.13 van het arrest onder meer dat [eisers] hadden kunnen weten dat zij voor het gebruik van het water waarin de woonark lag toestemming van de eigenaar (de provincie) nodig hadden. Dat oordeel berust op de overweging dat [eisers] de ligplaats niet hadden gekocht en is in zoverre dus ook niet onbegrijpelijk. [eisers] hadden hun eigen aanname dat het liggeld een soort van belasting of heffing zou betreffen, moeten toetsen. Zij hadden naar het oordeel van het hof niet het bestaan van de huurovereenkomst met de provincie hoeven verwachten, maar hadden moeten onderzoeken waarom zij periodiek voor het gebruik van de ligplaats ‘liggeld’ verschuldigd zouden zijn zonder dat daarvoor een overeenkomst met de provincie nodig was, welke vraag zij ten onrechte onbeantwoord hebben gelaten.
Met de “voornoemde essentiële stellingen” grijpt het onderdeel kennelijk terug naar hetgeen onder 1 onder (i) t/m (iv) (zie onder 4.7 hiervoor) is aangevoerd. In zoverre deelt het onderdeel in het lot van het onder 1 aangevoerde. Het hof heeft immers de stellingen onder (i), (iii) en (iv) in rov. 5.13 van het arrest betrokken en was niet gehouden de omstandigheid onder (ii) bij het beoordelen van het beroep op dwaling te betrekken (zie onder 4.8 hiervoor).
Hierop stuit het onder 5 aangevoerde af.
onder 6doet “aan het voorgaande” niet af, althans is voor de beslissing van het hof niet of onvoldoende redengevend dat [eisers] niet hebben getoetst waar de naar hun zeggen alleen als liggeld kenbaar gemaakte financiële verplichting op zag, zoals het hof (mede) aan zijn oordeel ten grondslag heeft gelegd. Dat geldt volgens het onderdeel ook voor hetgeen het hof overigens in rov. 5.13 van het arrest aan zijn beslissing ten grondslag heeft gelegd. Het onderdeel klaagt verder dat het betoog van [verweerders] dat zij zowel voorafgaand aan de koopovereenkomst als voorafgaand aan de levering melding hebben gemaakt van een huurovereenkomst met de provincie, alsmede van de hoogte van de toen geldende huurprijs, uitdrukkelijk door [eisers] is betwist. [36] Het hof had dat volgens het onderdeel dus niet “voor waar” mogen aannemen en had ook niet mogen aannemen dat [verweerders] aan [eisers] hebben medegedeeld dat voor het gebruik van het water een vergoeding (aan de provincie) verschuldigd was.
Het onderdeel berust op een verkeerde lezing van het arrest voor zover het klaagt dat het hof “voor waar” heeft aangenomen dat [verweerders] zowel voorafgaand aan de koopovereenkomst als voorafgaand aan de levering melding hebben gemaakt van een huurovereenkomst met de provincie, terwijl dat door [eisers] uitdrukkelijk is betwist. Het hof heeft blijkens rov. 5.13, laatste zin van het arrest juist in het midden (“onbesproken”) gelaten of [verweerders] expliciet aan [eisers] hebben meegedeeld dat voor de ligplaats (aan de provincie) huur was verschuldigd. Het hof heeft slechts, in de woorden van het onderdeel, “voor waar” aangenomen dat [verweerders] aan [eisers] hebben meegedeeld dat zij ‘liggeld’ aan de provincie moesten betalen. Het hof kon dat ook doen, omdat dat niet door [eisers] is betwist. Ik wijs ter illustratie op de pleitnota in hoger beroep zijdens [eisers] : [37]
Hierop strandt het onder 6 aangevoerde.
onder 7dat het hof ten onrechte voorbijgaat aan de ter zake als essentieel aangeduide stelling van [eisers] dat de huurovereenkomst van [verweerders] met de provincie strikt persoonlijk was en er voor [eisers] een “gigantisch risico” bestond dat de provincie niet bereid zou zijn [eisers] ook een huurovereenkomst aan te bieden. [39]
In de desbetreffende vindplaatsen waarop [eisers] zich beroept, lees ik het volgende: [40]
Artikel 13.De verhuring is strikt persoonlijk. Bij overdracht van het vaartuig moet de nieuwe eigenaar een verzoek richten aan het voornoemde Hoofd om in aanmerking te mogen komen voor een verhuring. Deze blijft geheel vrij in zijn beslissing daaromtrent.
Hieruit blijkt dat de verhuring strikt persoonlijk is en dat bij
overdracht van het vaartuig(lees: de woonark) dus vrij vertaald verbonden aan de eigendom van de woonark, de nieuwe eigenaar moet verzoeken om in aanmerking te komen voor een nieuw te sluiten huurovereenkomst. Hieruit volgt volgens [eiser 1] een dusdanige samenhang tussen eigendom van de woonark en de noodzaak om een huurovereenkomst te moeten sluiten om de woonark ter plaatse te laten liggen/drijven, dat gezegd kan worden dat op de eigendom van de verkocht[e, A-G] zaak een bijzondere last of beperking rust. Zonder een huurovereenkomst kan de woonark immers niet ter plaatse liggen/drijven.
32. De handelswijze van [verweerder 1] jegens [eiser 1] is bovendien ook zeer onzorgvuldig geweest. In voornoemd artikel 13 staat Pro immers dat een nieuwe eigenaar een verzoek moet doen aan de verhuurder van de ligplaats. Deze is echter geheel vrij in zijn beslissing om al dan niet een nieuwe huurovereenkomst met een nieuwe eigenaar overeen te komen. [eiser 1] had in casu geen verzoek gedaan aan de verhuurder, omdat [eiser 1] simpelweg niet wist dat er een verhuurder was. [eiser 1] kwam hiervan pas op de hoogte naar aanleiding van de ontvangen brief van 31 augustus 2016. Zoals in die brief te lezen heeft [verweerder 1] gemeld, op 1 juni 2016 dat de eigendom van de woonark is overgegaan op [eiser 1] . Dit duidt op het feit dat [verweerder 1] dus zeker wetenschap had van de huurovereenkomst, en de huur niet meer wenste te betalen omdat de woonark immers verkocht was. Echter, schepte dit een gigantisch risico voor [eiser 1] omdat de verhuurder geheel vrij was in het al dan niet aanbieden van een nieuwe huurovereenkomst en dus ook zeer wel ervoor had kunnen kiezen om dat niet te doen. [eiser 1] , en ook [verweerder 1] zou gezegd kunnen worden, heeft dus geluk gehad achteraf bezien. Anders had de woonark niet naast het perceel grond kunnen (blijven) liggen/drijven. Als
productie 3wordt overgelegd de brief van de provincie d.d. 1 maart 2019 aan [eiser 1] , waaruit blijkt dat [eiser 1] aan huur moet betalen over de periode 1 januari 2017 tot en met 31 december 2019 € 4.865,81. De huur over de periode mei 2016 tot en met december 2016 is door de provincie aan [eiser 1] kwijtgescholden.”
[onderstreept en vetgedrukt in origineel, voetnoot met verwijzing naar de vindplaats van de brief van 31 augustus 2016 niet overgenomen uit origineel, A-G]
[voetnoten met verwijzing naar de memorie van grieven onder 31-32 en naar de vindplaats van de huurovereenkomst van [verweerder 1] niet overgenomen uit origineel, A-G]
onder 8is “daarbij” onbegrijpelijk dat [eisers] uit de omstandigheid dat aan hen wel is medegedeeld dat ‘liggeld’ moest worden betaald, hadden kunnen en moeten afleiden dat er een huurovereenkomst met de provincie bestond, dat [verweerders] daarmee hun mededelingsplicht niet hebben verzaakt, zulks geen beroep op dwaling rechtvaardigt en daarbij de vraag of [verweerders] al dan niet expliciet aan [eisers] hebben medegedeeld dat voor de ligplaats (aan de provincie) huur verschuldigd was of een huurovereenkomst moest worden gesloten, in dit verband onbesproken kan worden gelaten. Volgens het onderdeel betekent ‘liggeld’ (naar volgens het onderdeel algemeen bekend mag worden verondersteld): “‘havengeld’ of ‘kaaigeld’, een belasting op schepen, geheven voor het liggen aan een kade of in een haven, derhalve een belastingrechtelijk begrip”. Volgens het onderdeel hoefde [eisers] daaruit “zeker niet” af te leiden dat er een (civielrechtelijke) huurovereenkomst met enige derde zou bestaan.
De door het onderdeel algemeen bekend veronderstelde betekenis van ‘liggeld’ is kennelijk ontleend aan de Dikke Van Dale, die (in de online geraadpleegde versie) als eerste omschrijving van liggeld geeft: “belasting van schepen geheven voor het liggen aan een kaai of in een haven”, met als synoniemen “kaaigeld” en “kadegeld”. [42] De betekenis van liggeld als “belastingrechtelijk begrip” die het onderdeel voorstaat, lijkt dus aan deze woordenboekbetekenis te zijn ontleend. In de memorie van grieven drukt [eisers] dat bij de toelichting op grief 2 als volgt uit: [43]
huurmoet worden betaald, om aan te geven in de eerste plaats dat er een huurovereenkomst is en in de tweede plaats dat er huur betaald moet worden. Onder liggeld wordt algemeen verstaan volgens [eiser 1] , een overheidswege te betalen vorm van belasting. De grondslag voor het betalen van een dergelijke belasting volgt uit een publiekrechtelijke rechtsverhouding en niet uit een privaatrechtelijke rechtsverhouding zoals een huurovereenkomst. [eiser 1] heeft de vermelding van [verweerder 1] over te betalen liggeld, opgevat als een soort van te betalen onroerendezaakbelasting of iets dergelijks. (…)”
[onderstreping in origineel, A-G]
Hierop stuit het onder 8 aangevoerde af.
dat de wijziging in de akte van levering betreffende het verwijderen van de ‘insteekhaven’ ten tijde van het passeren van die akte niet met [eiser 1] besproken is;
dat [eiser 1] nadeel/schade heeft als gevolg van de tekortkoming/wanprestatie door [verweerder 1] ;
de woonark met verplichting tot het aangaan van een huurovereenkomst minder waard is;
dat [verweerder 1] nimmer heeft gemeld dat er een huurovereenkomst bestond;
dat er woonarken zijn met een eigen ligplaats en/of dat er woonarken zijn die niet een eigen ligplaats hebben en geen huurovereenkomst;
Met alle middelen rechtens, meer in het bijzonder door middel van het (doen) horen van getuigen en/of deskundigen, waaronder doch niet beperkt tot, [eiser 1] , [eiseres 2] , [de makelaar] zijnde de verkoopmakelaar, [de notaris] zijnde de betrokken notaris en [de taxateur] zijnde de beëdigd taxateur.”
Hierop stuit het onderdeel af.