ECLI:NL:PHR:2021:1249

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
16 november 2021
Publicatiedatum
6 januari 2022
Zaaknummer
20/04254
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 Leerplichtwet 1969Art. 4a Leerplichtwet 1969Art. 81.1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling vader wegens niet naleven inschrijfplicht school zoon volgens Leerplichtwet

De verdachte werd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld wegens het niet nakomen van de op hem rustende plicht om zijn zoon ingeschreven te houden bij een school, zoals vereist in de Leerplichtwet 1969. De zaak betrof de periode van 25 maart 2019 tot en met 12 juli 2019, waarin de zoon ongeoorloofd afwezig was van school en niet ingeschreven stond op een onderwijsinstelling.

De verdachte voerde in hoger beroep aan dat hij zich goed had geïnformeerd over de schoolinschrijving op Bonaire, dat hij afspraken had gemaakt met scholen in Nederland, en dat de vertraging bij de inschrijving niet aan hem te wijten was. Ook stelde hij dat hij niet goed Nederlands kon schrijven en daardoor weinig contact had met de leerplichtambtenaar, en dat hij niet op uitnodigingen tot gesprek was ingegaan vanwege vakantie.

Het hof oordeelde dat de bewijsmiddelen, waaronder een BRP-uitdraai, DUO-meldingen en verklaringen van de leerplichtambtenaar, het verweer van de verdachte weerleggen. De Hoge Raad concludeert dat het hof terecht het verweer als bewijsverweer heeft aangemerkt en dat de bewezenverklaring voldoende is onderbouwd. Het cassatieberoep wordt verworpen, waarmee de taakstraf van 30 uur, subsidiair 15 dagen hechtenis, in stand blijft.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de taakstraf wegens het niet naleven van de inschrijfplicht van de zoon op school.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer20/04254

Zitting16 november 2021 (bij vervroeging)
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,
hierna: de verdachte.

Inleiding

De verdachte is bij arrest van 8 december 2020 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens “als persoon bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969, de in artikel 4a van die wet opgelegde verplichtingen niet nakomen” veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 30 uren, subsidiair 15 dagen hechtenis.
De zaak hangt samen met zaak 20/04255, waarin ik vandaag ook concludeer.
Namens de verdachte hebben mrs. R.J. Baumgardt, P. van Dongen en S. van den Akker, allen advocaat te Rotterdam, één middel van cassatie voorgesteld.

Het middel

4. Het middel valt uiteen in twee klachten. Ten eerste wordt geklaagd dat de weerlegging van het door en namens de verdachte gevoerde verweer niet, althans niet zonder meer, uit de gebezigde bewijsmiddelen kan volgen, zodat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed. Ten tweede wordt geklaagd dat niet “kan worden uitgesloten” dat het verweer als een “responsieplichtig verweer” had moeten worden aangemerkt en dat, indien geoordeeld dient te worden dat het hof ten aanzien van de bewezenverklaring niet zou hebben dienen te responderen op hetgeen door of namens de verdachte is aangevoerd, de algemene bewoordingen van het hof, die inhouden dat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn, in het licht van het verweer tekortschieten. Beide klachten lenen zich voor een gezamenlijke behandeling.
5. Voordat ik op deze klachten inga, geef ik de bewezenverklaring, de bewijsmiddelen, de relevante overwegingen van het hof en het gevoerde verweer weer.
6. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij in de periode van 25 maart 2019 tot en met 12 juli 2019 te Zutphen, althans in Nederland, meermalen, als degene die het gezag uitoefende over de jongere [medeverdachte], geboren op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats], niet heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van paragraaf 2a van de Leerplichtwet 1969 te zorgen dat voornoemde jongere als leerling of deelnemer bij een school of instelling die volledig dagonderwijs dan wel een bij de wet geregelde combinatie van leren en werken verzorgt, stond ingeschreven, terwijl ten aanzien van die jongere de leerplicht, als bedoeld in paragraaf 2 van genoemde wet was geëindigd en die jongere niet reeds een startkwalificatie had behaald”.
7. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“1.
Uit de bijlagen van het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal met bijlagen, opgesteld door [verbalisant], leerplichtambtenaar van de gemeente Zutphen, gesloten d.d. 31 juli 2019, p. 1-7, voor zover inhoudende zakelijk weergegeven:
‘Ik, leerplichtambtenaar, heb vastgesteld in verband met ongeoorloofd schoolverzuim na dit onderzoek vastgesteld dat: de jongere zelfverantwoordelijk is voor het schoolverzuim en de ouder(s) verantwoordelijk is voor het schoolverzuim’
‘Verdachte(n): [verdachte] (vader van [medeverdachte])(..) en [medeverdachte], geboortedatum en plaats [geboortedatum]-2001 te [geboorteplaats]’
‘Tevens heb ik vastgesteld dat (..) jongere geen startkwalificatie heeft of een diploma hoger algemeen voortgezet onderwijs of voorbereidend onderwijs’.
‘Ouders zijn gescheiden. Het wettig gezag ligt bij beiden. De feitelijke verzorging ligt bij vader.’
‘[medeverdachte] is vanaf 25 maart 2019 niet meer op zijn school, de [A], verschenen. Aangezien er geen inschrijving van een andere school is en ook geen vrijstelling is verleend door leerplicht, wordt zijn afwezigheid als ongeoorloofd gezien’.
‘De leerplichtambtenaar van Bonaire laat op 22-05-2019 weten dat [medeverdachte] per 26-3-2019 is aangekomen op Bonaire, echter is hij niet ingeschreven in de bevolkingsregister van het Openbaar Lichaam Bonaire en is er in de keten niets over hem bekend.’
‘Leerplicht controleert de inschrijving BPR en ontdekt dat [medeverdachte] per 29-05-2019 weer ingeschreven staat in de gemeente Zutphen.’
‘De Vrije school geeft aan dat vader [medeverdachte] wil aanmelden bij de Vrije school. [medeverdachte] was hier zelf niet bij. Het is bij deze melding gebleven, de Vrije school heeft niets meer gehoord.’
2.
Als schriftelijk bescheid, een bij voorgenoemd proces-verbaal gevoegd afschrift van de kennisgeving (vermoedelijk) ongeoorloofd schoolverzuim (DUO melding) en verzuimstaten, p. 8-11, voor zover inhoudende zakelijk weergegeven:
‘Aanwezigheidsregistratie detail [medeverdachte],
[A]:
12-07-2019: ongeoorloofd
(..)
25-03-2019: ongeoorloofd
Uren ongeoorloofd afwezig: 419 uren’
3.
Als schriftelijk bescheid, een bij voorgenoemd proces-verbaal gevoegd afschrift van de BRP uitdraai van [medeverdachte] en van [verdachte], p. 12-15.”
8. Het hof heeft met betrekking tot het bewijs verder overwogen:
“De raadsvrouw heeft gepleit voor vrijspraak in ieder geval voor de periode tot aan de terugkomst van de zoon van verdachte in Nederland. Haar cliënt en zijn zoon hebben er alles aan gedaan om de zoon van verdachte in Bonaire naar school te laten gaan.
Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.”
9. Het hof heeft met betrekking tot de strafbaarheid van de verdachte overwogen:
“Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.”
10. Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 24 november 2020 heeft de verdachte – voor zover hier van belang – het volgende aangevoerd:
“Ik heb geen fout gemaakt en ik heb me goed laten informeren voordat ik mijn zoon naar Bonaire liet gaan. Ik vraag me af of er bewijs is dat ik er voor gezorgd heb dat mijn zoon niet naar school is gegaan.
[…]
Bonaire is onderdeel van Nederland. Er werd gezegd dat ik pas een school kon regelen voor mijn zoon, als hij al op Bonaire was. De scholen daar vroegen bepaalde documenten. Ik heb gesproken met de directeur van de school op Bonaire. De benodigde documenten heb ik geregeld met mijn zoon en mijn zoon heeft deze documenten in de kopieshop daar geprint. De school had alle papieren en toen moest hij zich inschrijven van school bij de gemeente. Dit kon erg lang duren en er was geen garantie dat de inschrijving zou lukken. Toen wij beseften dat de inschrijving zo lang ging duren, is mijn zoon terug gekomen. Dat vond ik zonde, omdat mijn zoon bijna achttien jaar was. In Nederland heb ik geprobeerd verschillende afspraken te maken met scholen, waaronder de Vrije School.
Mijn zoon is erg positief bezig geweest met zijn opleiding. Hij kan pas verder met zijn toekomst als hij een diploma heeft. De toekomst van mijn zoon is belangrijker dat de kinderbijslag, die we niet meer kregen. Ik kan niet goed Nederlands schrijven en daarom is er niet veel contact geweest met de leerplichtambtenaar. Ik overleg alles met de moeder van mijn zoon. U, voorzitter, houdt mij voor dat de leerplichtambtenaar drie keer een gespreksuitnodiging heeft verstuurd. Ik ben hier niet op in gegaan, omdat ze wist dat we op vakantie waren. Tijdens vakantie mag je niet gestoord worden. Het verhaal van de leerplichtambtenaar is verdraaid. Mijn zoon was niet spoorloos of onder de radar. De politie heeft mij gezegd dat ze met de leerplichtambtenaar zouden praten, maar zij heeft de dag erna hier al een zaak van gemaakt.”
11. Volgens hetzelfde proces-verbaal heeft de raadsvrouw van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep het volgende aangevoerd:
“Mijn cliënten verdienen geen straf. […] Er is op Bonaire uitgelegd aan zijn zoon wat er nodig was voor een inschrijving. Mijn cliënt heeft toen een afspraak gepland voor een inschrijving op school en heeft ook de benodigde documenten geregeld. De gemeente was echter enorm langzaam. Toen zijn zoon besefte dat het te lang ging duren, is hij teruggekomen naar Nederland.
Ik bepleit primair vrijspraak. Het gaat dan in ieder geval in de periode tot de terugkomst van medeverdachte, omdat mijn cliënten er alles aan hebben gedaan om zijn inschrijving voor school te regelen. Subsidiair bepleit ik mijn cliënten niet te bestraffen, omdat zij niet onverantwoordelijk zijn geweest en goede wil hadden.”
12. Het middel bevat in de kern genomen de klacht dat het hof ontoereikend heeft gerespondeerd op het door en namens de verdachte ter terechtzitting gevoerde verweer.
13. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof blijkt dat door en namens de verdachte is aangevoerd:
(i) dat de verdachte zich goed heeft laten informeren voordat hij zijn zoon naar Bonaire liet gaan;
(ii) dat er werd gezegd dat de verdachte pas een school kon regelen voor zijn zoon als zijn zoon al op Bonaire was;
(iii) dat op Bonaire aan zijn zoon is uitgelegd wat er nodig was voor een inschrijving;
(iv) dat de scholen daar bepaalde documenten vroegen;
(v) dat de verdachte heeft gesproken met de directeur van de school op Bonaire;
(vi) dat de verdachte een afspraak heeft gepland voor een inschrijving op school en de benodigde documenten heeft geregeld met zijn zoon;
(vii) dat de zoon van de verdachte deze documenten in de kopieshop daar heeft geprint;
(viii) dat de school alle papieren had;
(ix) dat de zoon van de verdachte zich van school toen moest inschrijven bij de gemeente;
(x) dat dit erg lang kon duren en er geen garantie was dat de inschrijving zou lukken;
(xi) dat de gemeente enorm langzaam was;
(xii) dat de zoon van de verdachte is teruggekomen toen zij beseften dat de inschrijving zo lang ging duren;
(xiii) dat de verdachte in Nederland heeft geprobeerd verschillende afspraken te maken met scholen, waaronder de Vrije School;
(xiv) dat de verdachte niet goed Nederlands kan schrijven en er daarom niet veel contact is geweest met de leerplichtambtenaar;
(xv) dat de verdachte niet is ingegaan op de gespreksuitnodigingen van de leerplichtambtenaar, omdat zij wist dat de verdachte op vakantie was, terwijl je dan niet gestoord mag worden.
14. Het hof heeft de verdachte vervolgens veroordeeld wegens het in de periode van 25 maart 2019 tot en met 12 juli 2019 – kort gezegd en voor zover hier van belang – niet nakomen van de op grond van de Leerplichtwet 1969 op hem rustende verplichting ervoor te zorgen dat zijn zoon bij een school staat ingeschreven.
15. Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen blijkt, voor zover hier van belang:
(i) dat de zoon van de verdachte vanaf 25 maart 2019 zonder vrijstelling niet meer op zijn
school, de [A], is verschenen;
(ii) dat de zoon op 26 maart 2019 op Bonaire is aangekomen, maar aldaar niet is ingeschreven in het bevolkingsregister van het Openbaar Lichaam Bonaire en dat onderzoek van de leerplichtambtenaar heeft uitgewezen dat er in de keten niets over hem bekend was;
(iii) dat de zoon per 29 mei 2019 weer stond ingeschreven in de gemeente Zutphen;
(iv) dat de verdachte aan de Vrije School heeft gemeld dat hij zijn zoon bij deze school wil aanmelden, maar dat de Vrije school na deze melding niets meer heeft gehoord;
(v) dat op 12 juli 2019 nog steeds sprake was van ongeoorloofd schoolverzuim.
16. Het hof heeft overwogen dat het door de verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen en dat het geen reden heeft om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. Daarnaast heeft het hof overwogen dat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de verdachte niet strafbaar zou doen zijn.
17. Het hof heeft het verweer kennelijk aangemerkt als een bewijsverweer en niet als – wat in de schriftuur wordt aangeduid als – een “andersoortig responsieplichtig verweer”. Dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk. Het verweer strekt immers tot vrijspraak, het geeft niet aan dat een ander verweer wordt gevoerd en het bevat inhoudelijk niets waaruit zou kunnen volgen dat het bewezenverklaarde of de verdachte niet strafbaar is geweest in de periode vanaf de terugkeer van de zoon van de verdachte in Nederland tot en met het einde van de bewezenverklaarde periode. De enkele mededeling dat de verdachte na die terugkeer heeft geprobeerd verschillende afspraken te maken met scholen kan niet als zodanig worden aangemerkt. Daarom valt niet in te zien op welk “andersoortig responsieplichtig verweer” het hof had dienen te responderen en faalt de tweede klacht.
18. Verder geldt dat de bewezenverklaring voldoende steun vindt in de bewijsmiddelen, mede nu het tot vrijspraak strekkende verweer daaraan geen afbreuk doet. Daarbij neem ik in aanmerking dat uit het door de raadsvrouw aangevoerde niet duidelijk wordt welk bestanddeel van de tenlastelegging volgens de raadsvrouw niet zou kunnen worden bewezen. Het hof heeft daarom kunnen oordelen dat het verweer strekkende tot vrijspraak wordt weerlegd door de bewijsmiddelen, zodat ook de eerste klacht faalt.
19. Het middel faalt in al zijn onderdelen.

Slotsom

20. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.
21. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
22. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG