Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.Het middel
hij op 28 juni 2018 te [plaats], tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag toebehorende aan [betrokkene 2], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen die [betrokkene 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld hierin bestond dat zijn mededader voornoemde [betrokkene 2]:
- ammoniak, althans een bijtende chemische vloeistof, heeft gegooid in/op de ogen en het gezicht, en
- meermalen in/tegen het gezicht, althans het hoofd en het lichaam gestompt/geslagen
ten gevolge van welk feit die [betrokkene 2] zwaar lichamelijk letsel, te weten ernstige vermindering van het gezichtsvermogen heeft bekomen.”
1. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal aangifte (als bijlage pagina’s 33-35 van het stamproces-verbaal), opgemaakt op 10 oktober 2018, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, de verklaring van aangever [betrokkene 2]:Op donderdag 28 juni 2018, omstreeks 21:30 uur, bevond ik mij in de woning gelegen aan de [a-straat 1] te [plaats]. Ik was daar om drugs te verkopen aan [betrokkene 1] die daar woont. Ik kwam daar wel vaker om drugs te verkopen en die dag waren daar ook [verdachte] en een andere man die ik wel vaker gezien had, maar van wie ik de naam niet weet. Deze man hebben wij later met een foto op Instagram teruggevonden met het account [...]. Hierna te noemen [betrokkene 3]. Aan hen verkocht ik ook drugs. [verdachte] moest mij 110 euro betalen. Hij had dat geld niet contant bij zich. Hij zei mij dat hij even weg ging om te gaan pinnen. Ik bleef daarom in de huiskamer op een stoel zitten wachten tot hij terug kwam. Tegenover mij stond een bank waar [betrokkene 3] en [betrokkene 1] op zaten. In de tussentijd vroeg [betrokkene 3] mij of hij alvast cocaïne kon krijgen van mij. Dat weigerde ik. Toen [verdachte] terugkwam gaf hij mij 120 euro. Toen ik al zittend op mijn stoel mijn hoofd schuin naar links beneden boog om een briefje van tien euro als wisselgeld uit mijn linker broekzak te pakken, zag en voelde ik ineens dat [betrokkene 3] een groot doorzichtig glas met vloeistof pakte en in mijn gezicht, ogen en mond gooide. Dit glas stond al op het tafeltje tussen mijn stoel en de bank in. Het was een heel groot glas, een soort vaas maar dan zonder bloemen. Ik voelde direct enorm brandende pijn in mijn ogen. Ook voelde ik in mijn mond en keel een brandend gevoel. Dit deed enorme pijn. Ik kon niets meer zien. Ik hield mijn handen voor mijn ogen. Onmiddellijk daarna voelde ik dat ik door [betrokkene 3] en [verdachte] werd aangevallen. Ik voelde dat zij mij schopten en sloegen. Ik weet zeker dat dit [betrokkene 3] en [verdachte] waren omdat ik gezien had dat [betrokkene 3] mij de vloeistof in het gezicht gooide en ik hoorde dat hij tegen [verdachte] de woorden: "Pak hem en pak het geld!" hoorde zeggen. Ik voelde dat [betrokkene 3] en [verdachte] mijn geld uit mijn broekzak haalden en ik voelde dat ik op de grond terecht kwam. Ik voelde dat ik een bloedneus kreeg en ik zag dat alles onder het bloed kwam te zitten. Ik denk dat ik wel geschreeuwd heb. Ik hoorde dat [betrokkene 3] en [verdachte] weggingen. Ik weet niet meer precies wat er toen gebeurde. Ik voelde dat het helemaal mis was met mijn ogen want ik kon niets meer zien. Ik ben door mijn vriend met zijn auto naar het ziekenhuis gebracht. Aldaar bleek dat ik ammoniak in mijn gezicht gekregen had. Ik ben in het ziekenhuis behandeld. Het is nu drie en een halve maand later. Ik kan met mijn rechteroog nog steeds niets zien.
2. De verklaring van [betrokkene 2], afgelegd tegenover de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken van de Rechtbank Midden-Nederland op 28 mei 2019, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven-:Ik heb met mijn rechteroog geen zicht. Er is geen enkel zicht op verbetering. Die [betrokkene 3] pakte me vast van achter. Hij zei tegen [verdachte] dat hij dingen uit mijn zak moest pakken. Als ik het me goed herinner was het [verdachte] die dingen uit mijn zak pakte, omdat [betrokkene 3] mij vast had. [betrokkene 3] heeft geen drie armen toch. Dat gebeurde nadat ik dat spul in mijn oog had gekregen.
3.
Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen (als bijlage pagina’s 61-66 van het stamproces-verbaal), opgemaakt op 5 december 2018, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, het relaas van verbalisant [verbalisant 1]:Op woensdag 5 december 2018 was ik belast met opsporingsonderzoek in dit proces. Er is op donderdag 29 november 2018 toestemming gegeven door de officier van justitie [...] voor het doorzoeken van de telefoons die bij de aanhouding van verdachten [verdachte] en [betrokkene 3] zouden worden aangetroffen. Bij de aanhouding van de verdachte [verdachte] werd er een telefoon aangetroffen. Deze telefoon is in beslag genomen. Ik zag dat aan de voornoemde telefoon het nummer + [telefoonnummer 1] gekoppeld was.
Ik zag dat er op 29 juni 2018 omstreeks 03:39:31 veertien SMS berichten waren verzonden vanaf het telefoonnummer +[telefoonnummer 2] naar het telefoonnummer +[telefoonnummer 1].
Ik zag de volgende berichten: “Heey kom op man doe niet zo irritant ik zou ook een deel krijgen”.
Ik heb in de politiesystemen het telefoonnummer +[telefoonnummer 2] bevraagd. Bij dit telefoonnummer staat in het politiesysteem als gebruiker [betrokkene 1], geboren op [geboortedatum] 1975 te [geboorteplaats].
4. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor getuige (als bijlage pagina’s 98-99 van het stamproces-verbaal), opgemaakt op 11 december 2018, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, de verklaring van getuige [betrokkene 1]:Ik ken de drugsdealer alleen als [betrokkene 2] (
het hof begrijpt: aangever). Ik had geregeld dat die drugsdealer naar mijn woning kwam. Dat was op verzoek van [betrokkene 3] (
het hof begrijpt: [betrokkene 3]). Toen ik [betrokkene 2] belde waren [betrokkene 3] en die andere jongen (
het hof begrijpt: verdachte) hier. Dat was de eerste keer dat ik die andere jongen zag.
Ik zat op de bank, dit betreft een hoekbank. Ik zat in de hoek. [betrokkene 3] zat ook op de bank en die andere jongen stond tussen de bank en het raam. [betrokkene 2] zat op het paarse stoeltje, vlakbij de deur naar de hal. Ik denk dat de vloeistof die in dat glas/die beker zat ammoniak was. [betrokkene 3] heeft die vloeistof in het gezicht van de drugsdealer gegooid. De drugsdealer reageerde toen: "Au, wat doe je, ik ben pas 17". Hij hield zijn beide handen voor zijn gezicht. Hij stond inmiddels, want hij had forse klappen gehad. Toen zag ik dat die andere jongen in opdracht van [betrokkene 3] dat geld pakte. Ik hoorde [betrokkene 3] zeggen: “pak het geld, pak het geld”. [betrokkene 3] sloeg hem in elkaar, die andere jongen bleef rustig. Ik heb hem niet zien slaan en als hij dat wel had gedaan, had ik het gezien.
Nadat hij die vloeistof in zijn gezicht had gegooid, was de drugsdealer gaan staan. Ik zag dat [betrokkene 3] hem om zijn nek vastpakte, terwijl de drugsdealer voorover gebogen stond met zijn handen voor zijn gezicht. En toen sloeg hij [betrokkene 2] met zijn gebalde vuist meerdere keren in zijn gezicht, Ik zag dat [betrokkene 2], de drugsdealer, erg bloedde.
5. De verklaring van [betrokkene 1], afgelegd tegenover de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken van de Rechtbank Midden-Nederland op 28 mei 2019, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven-:[betrokkene 3] sloeg [betrokkene 2] in elkaar, nadat hij dat glas had gegooid. [verdachte] stond bij het raam en toen zei [betrokkene 3] (
het hof begrijpt: [betrokkene 3]), die bij de deur stond: “Kom pak het geld, pak het geld”. [betrokkene 3] was aan het flippen dus toen heeft [verdachte] gedaan wat [betrokkene 3] zei en heeft hij het geld gepakt. [betrokkene 2] is geslagen door [betrokkene 3]. Met zijn vuisten. [verdachte] heeft alleen het geld gepakt en toen zijn ze weggegaan.
6. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen (als bijlage pagina’s 56 van het stamproces-verbaal), opgemaakt op 6 december 2018, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, het relaas van verbalisant [verbalisant 2]:Op donderdag 6 december 2018 omstreeks 12.00 uur bevonden wij ons in de woning van [betrokkene 1] aan de [a-straat 1] te [plaats]. Wij waren daar om duidelijkheid te krijgen over de identiteit van de persoon, welke zij als '[betrokkene 3]' kende. Ik, verbalisant [verbalisant 3], deelde [betrokkene 1] de reden waarvoor wij bij haar waren mede en toonde haar een foto. Dit betrof een foto van de foto welke op de ID staat van verdachte [betrokkene 3], geboren [geboortedatum]-1975. Wij hoorden [betrokkene 1] gelijk en zonder aarzelen zeggen: “Ja, dat is hem, dat is [betrokkene 3]”.
Ik, verbalisant [verbalisant 3], vroeg aan [betrokkene 1] of zij deze persoon met of zonder bril kende. Wij hoorden [betrokkene 1] zeggen: “Ik ken hem zowel met als zonder bril”.
7. De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 31 augustus 2020, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven-:Het klopt dat [betrokkene 3] [betrokkene 2] vast had en dat hij tegen mij zei dat ik het geld moest pakken. Dat heb ik toen gedaan. Toen ik buiten was heb ik het geld afgestaan aan [betrokkene 3]. Ik heb het geld uit de broekzak van [betrokkene 2] gepakt. Ik kon daarbij, omdat [betrokkene 2] werd vastgehouden door [betrokkene 3]. Anders was dat niet gelukt. Doordat er geweld werd gepleegd kon ik het geld pakken en weglopen.”
De raadsman heeft voorop gesteld dat het oordeel van de rechtbank, inhoudende dat niet bewezen kan worden dat de medeverdachte wist dat de beker die hij op aangever gooide gevuld was met ammoniak en verdachte daar zodoende ook niet als medepleger voor verantwoordelijk kan worden gehouden, juist is en dient te worden gevolgd.
De raadsman heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat enkel een bewezenverklaring ten aanzien van het medeplegen van de diefstal van geld kan volgen en dat verdachte voor het overige dient te worden vrijgesproken. De raadsman heeft daartoe -kort gezegd- aangevoerd dat op basis van de bewijsmiddelen niet kan worden vastgesteld dat verdachte geweldshandelingen heeft gepleegd. Enkel de medeverdachte heeft geweld tegen aangever gebruikt, waarna verdachte -na opdracht daartoe van de medeverdachte- het geld uit de broekzak van aangever heeft gepakt. Evenmin kunnen de geweldshandelingen via de constructie van medeplegen aan verdachte worden toegerekend, nu er geen enkele vorm van samenwerken was tussen verdachte en medeverdachte. Voorts kan niet worden vastgesteld dat verdachte opzet had op het door de medeverdachte gepleegde geweld, ook niet in voorwaardelijke zin. Verdachte kon niet verwachten dat zijn medeverdachte aangever na gebruik van geweld wilde bestelen. Hij is ongewild betrokken geraakt bij het (grond)delict.
De advocaat-generaal heeft zich -kort gezegd- op het standpunt gesteld dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan -kort gezegd- diefstal met geweld in vereniging. Zij heeft daartoe aangevoerd dat hoewel het zo is dat het geweld tegen aangever hoofdzakelijk is gepleegd door de medeverdachte en de ammoniak ook door hem is gegooid, medeverdachte en verdachte -gelet op zijn rol- echter wel gezamenlijk strafrechtelijk verantwoordelijk zijn voor dit feit.
Het hof overweegt het volgende.
Het hof is van oordeel dat de door de raadsman gevoerde verweren strekkende tot gedeeltelijke vrijspraak van het tenlastegelegde worden weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. Het hof overweegt daarbij in het bijzonder als volgt.
Uit de verklaring van aangever blijkt -kort gezegd- dat aangever zich op 28 juni 2018 in de woning van [betrokkene 1] in [plaats] bevond, om haar drugs te verkopen. Hij kwam daar wel vaker om drugs te verkopen. Verdachte en medeverdachte waren daar die dag ook en aangever verkocht ook aan hen drugs. Hij voelde ineens dat de medeverdachte [betrokkene 3] een glas met daarin vloeistof in zijn gezicht gooide. Dat glas stond eerder op tafel. Aangever voelde direct een brandende pijn in zijn ogen. Ook voelde aangever dat hij door verdachte en medeverdachte [betrokkene 3] werd aangevallen en er geweld werd gepleegd tegen hem. Vervolgens haalde verdachte, terwijl aangever werd vastgehouden door medeverdachte [betrokkene 3], het geld uit zijn broekzak.
In het dossier bevindt zich een weergave van een tekstbericht van [betrokkene 1] naar verdachte, onder meer inhoudende: “Heey kom op man doe niet zo irritant. Ik zou ook een deel krijgen.” Het hof leidt hieruit af dat er op enig moment kennelijk gesproken is over het delen van de buit waarbij verdachte ook was betrokken.
Uit de verklaring van getuige [betrokkene 1] blijkt dat, nadat de medeverdachte [betrokkene 3] aangever een vloeistof in het gezicht van aangever had gegooid, hij ging staan, aangever vast om zijn nek pakte en hem met zijn vuisten in het gezicht sloeg. Zij hoorde dat de medeverdachte [betrokkene 3] zei dat verdachte het geld moest pakken en zag dat verdachte het geld van aangever uit diens broekzak pakte. Bij de rechter-commissaris heeft de getuige (nogmaals) verklaard dat aangever is geslagen door de medeverdachte.
Ter zitting in hoger beroep heeft verdachte -kort gezegd- verklaard dat zijn medeverdachte [betrokkene 3] geweld pleegde tegen aangever en aangever vasthield en dat hij toen het geld van aangever pakte.
Het hof stelt vast dat op basis van de bewijsmiddelen kan worden vastgesteld dat de medeverdachte een glas gevuld met ammoniak op aangever gooide en hij hem vervolgens sloeg en vastpakte. Verdachte heeft daarbij op geen enkele wijze ingegrepen of kenbaar gemaakt dat hij dat niet wilde en heeft vervolgens terwijl de medeverdachte [betrokkene 3] aangever vasthield, het geld uit aangevers broekzak gepakt. Het hof acht dan ook bewezen -mede gelet op de gezamenlijke uitvoering van het feit- dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van diefstal. Verdachte en medeverdachte hebben beiden hun eigen bijdrage geleverd aan de diefstal, maar daarbij wel samengewerkt. Voor medeplegen is ook niet noodzakelijk dat iedere verdachte alle bestanddelen van het delict heeft vervuld. De vraag ligt dan voor of ook sprake is geweest van medeplegen van het door de medeverdachte toegepaste geweld. Het hof is van oordeel dat dit het geval is. Het hof stelt daarbij voorop dat “het van geen belang is wie van de in de bewezenverklaring bedoelde daders aangever hebben of heeft vastgegrepen of vastgehouden of geslagen, omdat, indien er, gelijk hier, mededaders zijn, ieder hunner aansprakelijk is voor het misdrijf in zijn geheel, ook dus voor die daden, welke niet hijzelf, maar zijn mededader heeft verricht” (vgl. HR 6 februari 1968, NJ 1969, 176). Het hof is van oordeel dat hier niet van omstandigheden is gebleken die dat in dit geval anders zouden maken. Het hof overweegt dat met de rol van verdachte wel rekening zal worden gehouden in de straftoemeting en bij de beoordeling van de vordering van de benadeelde partij.”
3.Beoordeling van het middel
i) op 28 juni 2018 bevond de verdachte zich tezamen met medeverdachte [betrokkene 3], aangever [betrokkene 2] en huiseigenaresse [betrokkene 1] in de woning van laatstgenoemde in [plaats];
ii) terwijl de overige drie aanwezigen in de woning bleven, is de verdachte naar buiten gegaan om geld te pinnen om aangever te kunnen betalen voor de drugs;
iii) na terugkomst van de verdachte in de woning is door de medeverdachte een al eerder op de tafel staand glas met ammoniak, althans een bijtende chemische vloeistof, in/op de ogen en het gezicht van de aangever gegooid;
iv) onmiddellijk daarna is de aangever geslagen en vastgepakt door de medeverdachte;
v) terwijl de aangever door de medeverdachte werd vastgehouden, is op verzoek van de medeverdachte door de verdachte geld uit de broekzak van de aangever gehaald. Zonder dit vasthouden, had de verdachte daar niet bij gekund;
vi) vervolgens zijn de verdachte en de medeverdachte samen met het geld vertrokken.
daarbij op geen enkele wijze ingegrepen of kenbaar [heeft] gemaakt dat hij dat niet wilde[…]”, maar zich daarvan ook niet heeft gedistantieerd. Integendeel, de verdachte heeft direct op de geweldshandelingen van de medeverdachte ingespeeld door het geld uit de broekzak van de aangever te pakken, terwijl deze door de mededader werd vastgehouden. [4] Bovendien volgt uit bewijsmiddel 7 dat de verdachte heeft verklaard: “
Ik kon daarbij, omdat [betrokkene 2] werd vastgehouden door [betrokkene 3]. Anders was dat niet gelukt. Doordat er geweld werd gepleegd kon ik het geld pakken en weglopen”. Ik kom dan ook tot de conclusie dat op het oordeel van het hof dat de verdachte willens en wetens heeft samengewerkt om tot een gezamenlijk plegen van de strafbare gedraging (diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen) te komen, niets valt aan te merken. De opeenvolgende handelingen van de verdachte en medeverdachte demonstreren in voldoende mate de voor medeplegen noodzakelijke nauwe en bewuste samenwerking, waarbij de bijdrage van verdachte van voldoende gewicht is, óók ten aanzien van het gepleegde geweld.
Ten overvloede merk ik nog op dat het hof in de straftoemeting en bij de beoordeling van de vordering van de benadeelde partij rekening heeft gehouden met de beperkte(re) rol van de verdachte ten aanzien van het gepleegde geweld.