ECLI:NL:PHR:2021:1266

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
21 december 2021
Publicatiedatum
11 februari 2022
Zaaknummer
20/01134
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 OpiumwetArt. 27 SrArt. 435 lid 1 SvArt. 437 lid 2 Sv
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep wegens niet-indienen middelen

De verdachte is door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld voor meerdere feiten, waaronder opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet en diefstal, tot een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf. Tegen dit arrest is cassatieberoep ingesteld.

De raadsman van de verdachte heeft echter schriftelijk meegedeeld dat geen middelen van cassatie zullen worden ingediend. Binnen de wettelijke termijn is geen schriftuur houdende middelen van cassatie ontvangen door de Hoge Raad.

Op grond van artikel 437 lid 2 Sv Pro is het indienen van middelen binnen de termijn vereist om ontvankelijk te zijn in het cassatieberoep. Omdat dit niet is gebeurd, wordt de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het beroep. De procureur-generaal concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring.

Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens het niet indienen van middelen binnen de wettelijke termijn.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer20/01134
Zitting21 december 2021
CONCLUSIE
P.M. Frielink
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,
hierna: de verdachte.

1.Het cassatieberoep

1.1.
De verdachte is bij arrest van 12 maart 2020 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, voor 1. “opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B en C van de Opiumwet gegeven verbod, gepleegd in de uitoefening van een beroep of bedrijf, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel”, 2. “diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking”, 3. “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, gepleegd in de uitoefening van een beroep of bedrijf, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel” en 4. “diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking” veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier maanden en een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27 Sr Pro.
1.2.
Er bestaat samenhang met de zaken 20/01131 en 20/01136. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
1.3.
Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld. De aanzegging als bedoeld in art. 435 lid 1 Sv Pro is op 24 maart 2021 betekend. Namens de verdachte is geen schriftuur houdende middelen van cassatie ingediend.

2.De beoordeling

2.1.
Mr. G. Spong, die zich bij brief van 26 maart 2020 als raadsman van de verdachte heeft gesteld, heeft bij brief van 30 april 2021 aan de Hoge Raad bericht dat geen middelen van cassatie zullen worden ingediend. Er is gedurende de in art. 437 lid 2 Sv Pro gestelde termijn geen schriftuur houdende middelen van cassatie binnengekomen.
2.2.
Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is niet in acht genomen het voorschrift van art. 437 lid 2 Sv Pro, zodat de verdachte in het beroep niet kan worden ontvangen.
2.3.
Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv-AG