ECLI:NL:PHR:2021:1270
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Doorberekening zuiveringsheffing aan recreanten is aan btw onderworpen
Belanghebbende exploiteert recreatieparken en rekent aan huurders en eigenaren van kavels een doorberekende zuiveringsheffing voor afvalwater afvoer door. De Inspecteur legde naheffingsaanslagen op wegens het niet berekenen van omzetbelasting over deze bedragen voor de jaren 2011-2014.
De rechtbank oordeelde dat de zuiveringsheffing een uitschot van belasting is en niet aan btw onderworpen, maar het hof vernietigde dit en stelde dat de doorberekening geen verhaalsrecht is en niet als uitschot kan worden gezien, omdat de heffing niet evenredig wordt doorbelast.
Belanghebbende stelde cassatie in met twee middelen, waaronder dat het hof artikel 1 Wet Pro OB 1968 had geschonden door de doorberekening als btw-plichtige prestatie te kwalificeren. Advocaat-Generaal Ettema concludeerde dat de doorberekende zuiveringsheffing onderdeel is van de tegenprestatie voor de verleende diensten en dus tot de maatstaf van heffing behoort. De Hoge Raad wordt geadviseerd het cassatieberoep ongegrond te verklaren.
De zaak betreft de uitleg van het begrip uitschotten van belasting en de btw-behandeling van doorberekende zuiveringsheffing, waarbij het hof en A-G de richtlijnconforme uitleg van de Wet OB 1968 onderschrijven. De uitspraak bevestigt dat doorberekende heffingen die niet naar evenredigheid worden doorbelast niet buiten de btw-maatstaf vallen.
De Hoge Raad volgt hiermee een lijn waarin de doorberekening van kosten die geen doorlopende posten zijn, als onderdeel van de prestatie wordt gezien en daarmee aan btw onderworpen is.
Uitkomst: De Hoge Raad wordt geadviseerd het beroep in cassatie ongegrond te verklaren en de doorberekende zuiveringsheffing als onderdeel van de btw-maatstaf te beschouwen.