Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Behandeling van het principale cassatiemiddel
De leden van de CDA-fractie merken op dat door het niet exact overnemen van artikel 7:446 BW Pro in de Jeugdwet verwarring kan ontstaan over de vraag wiens toestemming op grond van artikel 7.3.4 nu vereist is voor de verlening van jeugdhulp.
het dossier. Op vragen van de leden van de CDA-fractie of het de bedoeling is dat een verzoek om inzage in of vernietiging van het dossier alleen het dossier als geheel kan betreffen, heeft de regering geantwoord dat dat niet wenselijk zou zijn en is bij nota van wijziging onder meer art. 7.3.9 zodanig aangepast dat ook delen van het dossier op verzoek kunnen worden vernietigd. [26]
aan de cliëntdesgevraagd zo spoedig mogelijk inzage in en afschrift van de bescheiden verstrekt die deze met betrekking
tot de cliëntonder zich hebben. Art. 56 lid 1 schrijft Pro vervolgens voor dat de hiervoor bedoelde stichtingen en de zorgaanbieders de door hen bewaarde bescheiden binnen drie maanden vernietigen na een daartoe strekkend verzoek van
degene op wie de bescheiden betrekking hebben, terwijl het tweede lid vervolgens bepaalt dat het eerste lid niet geldt voor zover het verzoek bescheiden betreft waarvan redelijkerwijs aannemelijk is dat de bewaring van aanmerkelijk belang is voor een ander dan
de verzoekeralsmede voor zover het bepaalde bij of krachtens de wet zich tegen vernietiging verzet (curs. A-G).
10.2 Dossiers
in hun eigen dossieren het recht van correctie (artikelen 35 en 36 Wbp). De Jeugdwet geeft aanvullend enkele bijzondere regels, zoals het onder omstandigheden onthouden van informatie (artikel 7.3.2, derde lid), vernietiging van het
wordtverleend, daarmee heeft ingestemd en een ouder ten aanzien van wie de verlening van jeugdhulp wordt
voorgesteld, dat (nog) niet heeft gedaan.
3.Bespreking van het incidentele cassatiemiddel
Beoordeling van de verzoeken van de vader
“Verwijzing naar het oordeel klachtencommissie onvoldoende”in de eerste plaats geklaagd dat het hof ongemotiveerd voorbij is gegaan aan de overige passages die de vader in bijlage 8 van het aanvullend verzoekschrift heeft gearceerd, zodat het hof zijn uitspraak onvoldoende begrijpelijk heeft gemotiveerd. [34]
“Ook overige passages noemen de strijd die vader zou voeren” [36] – zakelijk weergegeven – dat ook de als punten 6, 8, en 28 genummerde passages in bijlage 8 bij het aanvullend beroepschrift [37] in eerste aanleg een subjectief oordeel behelzen, zodat onbegrijpelijk is waarom het hof heeft geoordeeld dat deze passages niet voor vernietiging of correctie in aanmerking komen.
“Vast staat dat vader geen therapie weigerde”wordt samengevat geklaagd dat het hof in rov. 5.12 met betrekking tot de afwijzing van punt 13 (dat ziet op de passage dat de vader gesprekken weigert) een onbegrijpelijk en onvoldoende gemotiveerd oordeel heeft gegeven, omdat de vader steeds heeft aangevoerd dat hij wel bereid was om mee te werken aan de gesprekken, maar dat hij een BIG geregistreerde hulpverlener wilde en niet één (zoals de hulpverlener) die niet BIG geregistreerd was. [38]