Conclusie
1.Feiten en procesverloop
HV) overeengekomen.
primairverzocht de man te veroordelen om ter afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden van partijen een bedrag van € 1.300.000,- aan de vrouw te betalen, althans een bedrag zoals de rechtbank in goede justitie juist acht, en
subsidiairde huwelijkse voorwaarden af te wikkelen zoals de rechtbank in goede justitie juist acht.
de deskundige) benoemd teneinde een schriftelijk deskundigenbericht uit te brengen met betrekking tot de vraag:
wat is de geïndexeerde waarde naar de norm van de Nederlandse Vereniging voor Makelaars, alsmede de huidige waarde in onbewoonde staat van het perceel aan de [a-straat 1] , [postcode] te [plaats] ?
30 september 1993, zijnde de datum waarop partijen zijn gehuwd. Als indexeringspercentage heeft de rechtbank een gemiddeld percentage van
3%per jaar aangehouden, waarmee de waarde bij het begin van het huwelijk op € 203.111,74 komt. Op grond van art. 5b HV heeft de vrouw recht op 40% van het verschil tussen de in het deskundigenrapport per 28 maart 2007 getaxeerde waarde en de geïndexeerde vastgestelde waarde, hetgeen neerkomt op een bedrag van
€ 198.755,30((€ 700.000,- - € 203.111,74) x 40%), aldus de rechtbank.
Grief IIis gericht tegen 30 september 1993 als einddatum van de periode waarover geïndexeerd moet worden,
grief IVtegen het gehanteerde indexeringspercentage van 3%.
incidentele grief 3-2eis gericht tegen de gehanteerde waarde per peildatum ad € 700.000. De
incidentele grief 4luidt dat de rechtbank ten onrechte het indexeringsbeding heeft gehandhaafd.
200.031.198/01) gevoegd behandeld met het hoger beroep van de vrouw tegen de (alimentatie)beschikking van de rechtbank van 24 maart 2009 (zaaknummers 200.037.623/01 en 200.037.625/01). De twee laatstgenoemde zaken zijn in cassatie niet relevant en zullen hierna verder buiten beschouwing worden gelaten.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdelen 2.1 t/m 2.14zijn alle gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 44 van de tussenbeschikking van 22 december 2011, luidende:
niet toegepastom via een
andereweg (een redelijkheidsoordeel) tot een eindoordeel te komen.
onderdeel 2.3is het hof daarmee buiten de rechtsstrijd tussen partijen is getreden. Partijen waren het er immers over eens dat de huwelijkse voorwaarden het uitgangspunt voor de beoordeling vormden, maar verschilden slechts van mening over hoe die huwelijkse voorwaarden
uitgelegddienden te worden. Geen der partijen heeft gesteld dat
(onverkorte) toepassing van de huwelijkse voorwaarden in strijd zou zijn met de redelijkheid en billijkheid, anders dan de stelling van de vrouw dat indexering op die grond buiten beschouwing diende te blijven, welke stelling door het hof is afgewezen. Er bestond dan ook geen ruimte voor het hof om een
redelijkheidsoordeelte geven over de omvang van het aan de vrouw toekomende bedrag.
onderdeel 2.4blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Het hof heeft dan namelijk miskend dat het voor de beoordeling van de vraag of de redelijkheid en billijkheid met zich brengen dat onverkorte toepassing van de huwelijkse voorwaarden tot een onaanvaardbare uitkomst zou leiden, tenminste zal moeten vaststellen wat die uitkomst is en dienen te motiveren waarom deze uitkomst in het licht van de feiten en omstandigheden van dit geval (gedeeltelijk) buiten toepassing dient te blijven.
2e en 3e volzinvan rov. 44:
eerstedat deze motivering voor het “natte vinger” oordeel van het hof niet door partijen aan hun verzoek of verweer ten grondslag is gelegd.
de vrouw wenst dat op haar initiatief verrichte herstelwerkzaamheden die tot waardevermeerdering hebben geleid, worden verrekend. Naar schatting gaat het om een investering van f 200.000,- tot f 400.000,- waarvan 200.000,- gesubsidieerd”, [18] en
onderdelen 2.6. e.v.zien op de
1e volzinvan rov. 44:
[waarde per peildatum – (f 425.000 + indexering)] x 0.4) heeft het hof, aldus
onderdeel 2.7, terecht de volgende componenten laten meewegen:
onderdeel 2.8wordt geklaagd dat het hof echter geen kenbare beslissing heeft gegeven op grief IV in principaal appel, als gevolg waarvan in het midden blijft van welk
indexeringspercentagehet hof bij de beoordeling is uitgegaan (de door de rechtbank genomen 3% op jaarbasis of de door de man bepleite indexering als gehanteerd in het deskundigenrapport). Daarmee geeft het hof onvoldoende inzicht in de gedachtegang die tot de beslissing heeft geleid en is de beslissing noch voor partijen noch voor derden controleerbaar. Volgens het onderdeel resulteert een indexering van 3% per jaar, waarbij wordt uitgegaan van een waarde per 1 januari 1992 van € 192.856,59, in een waarde per peildatum van € 302.717,76, terwijl de taxateur uitkwam op € 599.000,-.
onderdeel 2.9heeft het hof evenmin een kenbare beslissing genomen op grief 3-2e in incidenteel appel, zodat eveneens in het midden blijft van welke
waarde per peildatumhet hof is uitgegaan. Het hof noemt beide waardebepalingen, maar geeft daarover geen beslissing. Dat is volgens het onderdeel onjuist en onbegrijpelijk, nu het een essentieel onderdeel van de overeengekomen formule vormt.
onderdeel 2.13hield de door de vrouw ingediende klacht onder meer in dat de getaxeerde waarde van de [a-straat] dusdanig laag was dat deze ver buiten de in de beroepsbranche aanvaardbare marge van 10% valt, alsmede dat door de deskundige onzorgvuldig is gewaardeerd dan wel dat hij nalatig is gebleven, waardoor de getaxeerde waarde op basis van onjuistheden tot stand is gekomen.
onderdeel 2.14.
[a-straat]
Partijen zijn de hierboven omschreven verrekening ten behoeve van de vrouw mede overeengekomen aangezien de vrouw dan wel niet financieel maar wel anderszins heeft bijgedragen tot de huidige staat waarin het perceel zich bevindt.”
onaanvaardbaresituatie. (Zie laatstelijk nog HR 15 oktober 2004, NJ 2005 141 GTI/Zürich).
de vrouw: “In 1989 is de woning aan de [a-straat] gekocht. In 1990 zijn wij in die woning gaan samenwonen. Voor het huwelijk woonden wij al tien jaar samen. Ik besef nu pas de consequenties van het indexeringsbeding. In de bewuste periode is mijn vader overleden. Zijn laatste wens was min of meer dat wij met elkaar zouden trouwen. De man wilde een koude uitsluiting, ik niet. Er is toen trammelant in de familie ontstaan. En er is een andere notaris ingeschakeld. Toen werd ik pas met het indexeringsbeding geconfronteerd. Ik dacht dat het allemaal wel goed zou komen, ik had ook zoveel aan mijn hoofd.”
wat is de geïndexeerde waarde naar de norm van de Nederlandse Vereniging voor Makelaars, alsmede de huidige waarde in onbewoonde staat van de percelen aan de [a-straat 1] , [postcode] [plaats] (…)? [27]
1.5. Waardering
28 maart 2007
7.Marktinformatie met betrekking tot het getaxeerde
voormalige echtelijke woning te [plaats] , [a-straat 1] en [a-straat 2]
€ 198.755,30((€ 700.000,- - € 203.111,74) x 40%).”
grieven II t/m IV, voor zover in cassatie relevant luidend:
Grief II
voormalige echtelijke woning te [plaats] , [a-straat 1] en [a-straat 2]” (bovenaan pagina 3 van de beschikking) overwogen dat de vastgestelde waarde van de woning, door partijen per 1 januari 1992 vastgesteld op € 192.856,59 (het equivalent van f. 425.000,-), gelet op de tekst van artikel 5b van de akte huwelijkse voorwaarden dient te worden geïndexeerd tot 30 september 1993, zijnde de datum waarop partijen zijn gehuwd.
productie 1).
incidentele grieven 3-2e en 4heeft de vrouw het volgende aangevoerd:
Grief 3
Ad grief IV (ten onrechte door de vrouw genummerd grief III)
in redelijkheidhet oordeel van de deskundige niet kan overnemen. Met andere woorden, de bezwaren moeten betreffen de wijze waarop het onderzoek is uitgevoerd of de inhoud van het deskundigenbericht.
Mr. Flooren:
als zodanig(in zijn geheel) geen toepassing kan vinden (‘afrekenen bij helfte’), dan wel dat
indexeringsclausule niet tot toepassing kan komen (‘verdeling van de aanwas’).
ookindien zou moeten worden uitgegaan van de door de vrouw gestelde huidige waarde van € 905.000,-.
strekkingvan art. 5b HV, te weten dat partijen hebben bedoeld de vrouw op een ‘bescheiden wijze’ te laten meedelen in de waarde van de woning, ‘ter vergoeding’ van haar (relatief beperkte, rov. 42) ‘inspanningen bij de verbouw’.
onderdelen 2.2 t/m 2.4falen bij gebrek aan feitelijke grondslag. Deze klachten zijn immers gebaseerd op de onjuiste veronderstelling dat het hof in rov. 44 heeft geoordeeld dat (onverkorte) toepassing van het beding uit art. 5b HV naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid
onaanvaardbaaris.
‘beperkte hoeveelheid werk’heeft verricht. Het hof heeft in rov. 42 immers – in cassatie onbestreden – vastgesteld dat de vrouw niet, althans onvoldoende, heeft weersproken dat haar aandeel in de verbouwwerkzaamheden in verhouding tot de in totaal verrichte werkzaamheden, beperkt is geweest.
onderdelen 2.8-2.10zijn eveneens terecht voorgesteld. Het hof heeft in rov. 44 slechts geoordeeld dat het door de man verzochte bedrag ad € 40.000 hem, ook indien zou worden uitgegaan van de door de vrouw gestelde verkoopwaarde ad € 905.000, herleid tot een percentage van de toenmalige waarde van de woning en in relatie tot de beperkte hoeveelheid werk, ‘redelijk’ voorkomt. Dit argument is in cassatie met succes bestreden. Het hof heeft het met de principale grief IV aan de orde gestelde indexeringspercentage en de met de incidentele grief 3-2e ter discussie gestelde vrije verkoopwaarde, welke elementen beide noodzakelijk zijn voor de toepassing van art. 5b HV, ten onrechte in het midden gelaten. Zonder nadere toelichting is onbegrijpelijk dat ook indien moet worden uitgegaan van de door de vrouw gestelde vrije verkoopwaarde ad € 905.000,- en/of het door de rechtbank vastgestelde indexeringspercentage ad 3%, de vrouw op grond van art. 5b HV aanspraak maakt op een bedrag van € 40.000,-.
onderdelen 2.11-2.14gaan uit van de lezing dat het hof de incidentele grief 3-2e (gericht tegen de door de rechtbank vastgestelde waarde ad € 700.000) heeft afgewezen en de principale grief IV (gericht tegen het vastgestelde indexeringspercentage ad 3%) heeft toegewezen. Uit het voorgaande volgt dat deze onderdelen falen bij gemis aan feitelijke grondslag.
onderdeel 2.15slaagt in het kielzog van de slagende onderdelen 2.5 en 2.8 tot en met 2.10.