Conclusie
1.Feiten
Gemeente) zijn toen in De Wielewaal 545 noodwoningen gebouwd.
Woonstad) is een woningcorporatie, oftewel een toegelaten instelling als bedoeld in art. 19 Woningwet Pro. Woonstad verhuurt het grootste deel van de woningen in De Wielewaal. Een klein deel van de woningen is als zogenaamd maatschappelijk verantwoord eigendom (hierna ook:
MVE) aan bewoners verkocht door de vestiging van een recht van ondererfpacht.
BOW). Daarnaast is de Huurdersvereniging Wielewaal (hierna:
HVW) opgericht, ter behartiging van de belangen van de huurders en onderhuurders van woningen in De Wielewaal.
plan van Woonstad). In dit plan wordt de wijk anders ingedeeld, worden de ondergrondse infrastructuur en de openbare ruimte herzien, en worden er nieuwe woningen gebouwd, deels sociale huur, deels vrije sector huur en deels koop.
convenant) gesloten. Daarin is onder meer een terugkeergarantie naar een sociale huurwoning in De Wielewaal opgenomen voor de bewoners van De Wielewaal die op het moment van ondertekening van het convenant een vast huurcontract hebben en een inkomen van niet meer dan € 33.614,--. Verder is een voorziening voor kopers van MVE-woningen opgenomen.
Unie) opgericht. De Unie is een wooncoöperatie als bedoeld in art. 18a Woningwet ten behoeve van bewoners van De Wielewaal.
plan van de Unie). Dit plan is erop gericht dat de Unie de nieuwbouw in de wijk De Wielewaal in eigen beheer zal realiseren op dezelfde ‘footprint’ als de bestaande woningen (wat inhoudt dat de woningen op dezelfde plek worden gebouwd als de bestaande woningen), en dat de Unie deze woningen gaat verhuren.
BPD), ter uitvoering van het plan van Woonstad.
2.Procesverloop
Wielewaal c.s.) willen (i) dat bij de herstructurering van de wijk het plan van de Unie wordt gerealiseerd en (ii) voorkomen dat het plan van Woonstad wordt uitgevoerd. Om dit te bereiken, hebben Wielewaal c.s. in deze procedure, voor zover in hoger beroep nog van belang, gevorderd dat Woonstad de bestaande (te slopen) woningen eerst te koop aanbiedt (onder meer) aan de zittende huurders en aan de Unie. Volgens Wielewaal c.s. is Woonstad hiertoe verplicht op grond van de Woningwet in samenhang met het Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting zoals deze golden bij het aangaan van de “ontwikkelovereenkomst” door Woonstad met BPD op 20 december 2016 (hierna, in navolging van het hof, respectievelijk: de
Woningwet 2015 [3] en het
Btiv 2015), [4] meer specifiek art. 27 Woningwet Pro 2015 in samenhang met art. 25 Btiv Pro 2015. Wielewaal c.s. hebben ook gesteld dat de overeenkomst die Woonstad inmiddels met BPD heeft gesloten, en die dient om het plan van Woonstad te realiseren, niet mag worden uitgevoerd. Woonstad heeft met deze overeenkomst de wijk namelijk verkocht aan BPD, een commerciële ontwikkelaar, zonder de woningen eerst aan te bieden aan de bestaande huurders en aan de Unie. Dit is in strijd met de zojuist genoemde aanbiedingsplicht en daarom is de overeenkomst nietig op grond van art. 3:40 lid 2 BW Pro. Wielewaal c.s. hebben ook geëist dat Woonstad stopt met de sloop van de woningen in De Wielewaal, onder andere omdat de sloop leidt tot een ongewenste kostenverhoging voor het plan van de Unie. Volgens Wielewaal c.s. heeft Woonstad onrechtmatig gehandeld door de woningen niet eerst aan te bieden aan de zittende huurders en de Unie, en door de woningen te gaan slopen. Ook de Gemeente heeft onrechtmatig gehandeld, omdat zij heeft toegestaan dat Woonstad grond en woningen heeft verkocht aan BPD zonder dat Woonstad de wettelijke aanbiedingsplicht is nagekomen. Wielewaal c.s. hebben geëist dat Woonstad en de Gemeente de schade vergoeden die Wielewaal c.s. lijden door dat onrechtmatig handelen. [5]
Woonstad c.s.) gedagvaard voor de rechtbank Rotterdam.
vonnis) heeft de rechtbank de vorderingen van Wielewaal c.s. afgewezen en hen veroordeeld in de proceskosten.
hof) in hoger beroep gekomen van het vonnis en hebben onder aanvoering van zes grieven geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis.
primair: gebod dat Woonstad de woningen in De Wielewaal (alsnog) conform de Woningwet 2015 en het Btiv 2015 aanbiedt aan Wielewaal c.s., op straffe van een dwangsom;
arrest) heeft het hof het vonnis bekrachtigd en Wielewaal c.s. veroordeeld in de kosten van de procedure in hoger beroep.
minister) niet nodig is als het gaat om een herstructureringsproject dat al in gang is gezet vóór 1 juli 2015. Het hof overweegt daarover dat het op de toepasselijkheid van deze uitzondering op het goedkeuringsvereiste echter niet hoeft in te gaan, gelet op wat in rov. 3.7-3.12 van het arrest wordt overwogen. (rov. 3.5) Daaraan voegt het hof toe dat het aan de hand van de regelingen van de Woningwet 2015 en het Btiv 2015 zal beoordelen of voor het besluit van het bestuur van Woonstad tot vervreemding goedkeuring aan de minister gevraagd had moeten worden en of Woonstad een aanbiedingsplicht had. Omdat vaststaat dat het desbetreffende bestuursbesluit in ieder geval vóór 20 december 2016 moet zijn genomen, zijn de Woningwet en het Btiv van toepassing zoals die golden vóór deze datum, aldus het hof. (rov. 3.6)
3.Bespreking van het cassatiemiddel
DAEB), staatssteun, de Europese mededinging en de Europese aanbestedingsregels met betrekking tot toegelaten instellingen. Dat heeft geleid tot het besluit C(2009)9963 van de Europese Commissie betreffende de steunmaatregelen E 2/2005 en N 642/2009, welk besluit al gedeeltelijk was geïmplementeerd met de Tijdelijke regeling diensten van algemeen economisch belang toegelaten instellingen volkshuisvesting van 3 november 2010. Daarnaast werd geconstateerd dat het interne toezicht onvoldoende in staat bleek om de ontwikkeling van de professionalisering van toegelaten instellingen bij te houden en bestuurders van toegelaten instellingen bij te sturen. [24]
eersteklacht heeft het hof: ten onrechte beslist dat niet opgaat het argument van Wielewaal c.s. dat bij de beoordeling of op basis van art. 27 Woningwet Pro 2015 goedkeuring aan de minister moet worden gevraagd, moet worden aangesloten bij de feitelijke situatie tijdens het (voorgenomen) bestuursbesluit tot vervreemding; althans deze beslissing gebaseerd op gronden die deze beslissing niet kunnen dragen. Het hof kent ten onrechte beslissend gewicht toe aan de tekst van art. 27 lid 1 aanhef Pro, en onder a, Woningwet 2015 en art. 24 aanhef Pro, en onder e, Btiv 2015, en verzuimt bij zijn beslissing de strekking van art. 27 Woningwet Pro 2015 te betrekken, welke strekking, zoals Wielewaal c.s. hebben gesteld, [47] inhoudt dat grote verkooptransacties en andere grote vormen van eigendomsoverdracht of vestiging van zakelijke rechten van toegelaten instellingen worden getoetst aan integriteitsrisico’s en risico’s ten aanzien van de weglek van maatschappelijk bestemd vermogen en dat, zoals Wielewaal c.s. gesteld heeft, [48] het doel van de aanbiedingsplicht onder meer het stimuleren van eigen woningbezit is.
tweedeklacht heeft het hof bij de door hem gegeven interpretatie van art. 27 Woningwet Pro 2015, en in het bijzonder de beantwoording van de vraag of de aanbiedingsplicht ook van toepassing is bij de verkoop van gronden, onvoldoende gewicht toegekend aan de door Wielewaal c.s. aangevoerde omstandigheid dat de wetsgeschiedenis geen aanwijzing bevat dat de aanbiedingsplicht niet van toepassing is bij de verkoop van gronden, zodat zijn beslissing ook in zoverre onjuist althans onbegrijpelijk is. [49]
derdeklacht zou de uitleg die het hof voorstaat, ertoe kunnen leiden - zo hebben Wielewaal c.s. aangevoerd [50] - dat woningcorporaties zich in alle gevallen kunnen onttrekken aan het preventief toezicht van de minister op de verkoop van woningen die deel uitmaken van de sociale woningbouwvoorraad, indien bij verkoop van verouderde woningen overeengekomen wordt dat de woningen na de verkoop en voor de levering door de corporatie worden gesloopt. Dat zou, naar Wielewaal c.s. hebben gesteld, [51] betekenen dat alle corporaties zich zonder preventief toezicht in Nederland van hun sociale woningbouwvoorraad zouden kunnen ontdoen door bestaande woningen als kale, bouwrijpe grond te verkopen. Op die manier komt het door de minister te bewaken volkshuisvestelijk belang in het geding, hetgeen in strijd zou zijn met de bedoeling van de wetgever, omdat met de inwerkingtreding van de herziene Woningwet op 1 juli 2015 immers juist is beoogd om de positie van huurders te versterken, zo hebben Wielewaal c.s. voorts gesteld. [52] Naar Wielewaal c.s. verder naar voren hebben gebracht, [53] is dat nogmaals bevestigd in de recente evaluatie van de herziene Woningwet - gemaakt door het ministerie van BZK - die de minister op 22 februari 2019 naar de Tweede Kamer heeft gestuurd. Het hof heeft al deze stellingen niet, althans in onvoldoende mate, kenbaar bij zijn in dit subonderdeel bestreden beslissing betrokken, zodat zijn beslissing onjuist is, althans onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd. Niet ter zake doet in dit verband de door het hof (kennelijk ten overvloede) naar voren gebrachte overweging aan het slot van rov. 3.11 dat niet is gebleken dat Woonstad voor haar aanpak heeft gekozen met als doel om de wettelijke goedkeuringsregels en de aanbiedingsplicht te omzeilen, omdat het in dit geval erom gaat dat de door het hof voorgestane interpretatie ertoe
kanleiden dat woningcorporaties zich in alle gevallen kunnen onttrekken aan het preventief toezicht.
vierdeklacht heeft het hof in rov. 3.11 weliswaar (kennelijk) gemeend dat reeds het voorgenomen bestuursbesluit tot vervreemding in voorkomende gevallen ter goedkeuring aan de minister moet worden voorgelegd, maar heeft het daaraan ten onrechte niet de door Wielewaal c.s. gemotiveerd naar voren gebrachte [54] gevolgtrekking verbonden dat dit betekent dat het ook erom gaat wat de feitelijke situatie is ten tijde van dat (voorgenomen) bestuursbesluit.
vijfdeklacht is het hof in dit verband ten onrechte niet (expliciet) ingegaan op de stelling van Wielewaal c.s., dat uit art. 1 lid 2 Btiv Pro 2015 volgt dat onder woongelegenheden mede hun onroerende en infrastructurele aanhorigheden behoren, [55] althans had het hof zijn beslissing in het licht hiervan nader moeten motiveren. Honorering van deze stelling zou immers ertoe leiden dat het in de ontwikkelovereenkomst verkochte (grond en woningen) onder de reikwijdte van art. 1 lid 2 Btiv Pro 2015 valt en dus onder de goedkeuringsplicht van art. 27 Woningwet Pro 2015 jo. art. 25 Btiv Pro 2015. [56]
In verband met de eerste klacht
In verband met de tweede klacht
In verband met de derde klacht
In verband met de vierde klacht
In verband met de vijfde klacht
In verband met alle vijf de klachten
Stelling 1
Stelling 2
Stelling 3
Stelling 4
Stelling 5
Stelling 6
Stelling 7
Stelling 8
Stelling 9
Stelling 10