Conclusie
Prorail B.V.
Gemeente Best
Railinfratrust B.V.
Prorailen verweerster sub 2 als
gemeente Best.
1.Feiten en procesverloop
het oorspronkelijke perceel [001]), groot [003] ha, met daarop gelegen een half vrijstaand woonhuis met garage, erf en tuin, bij overeenkomst van 9 maart 1998 [3] (hierna:
de koopovereenkomst), verkocht aan Prorail. Prorail had een klein, direct aan de straat gelegen, gedeelte van het oorspronkelijke perceel [001] [002] definitief en het resterende, grootste gedeelte van het oorspronkelijke perceel [001] [002] tijdelijk nodig als werkstrook voor de verdubbeling van het spoorwegtracé. Het resterende gedeelte zal hierna worden aangeduid als
perceel [001]. De zoon van [erflaatster] , [eiser] , is bij de koopovereenkomst en de onderhandelingen als haar vertegenwoordiger opgetreden. In artikel 10 lid 1 sub Pro a, sub b, sub c, sub h en lid 5 van koopovereenkomst is bepaald:
de strook,toev. A-G]
(zoals met arcering is aangeduid op aangehechte tekening) voor een prijs van f. 250,- per m2 (inclusief eventueel verschuldigde btw), zijnde in totaal f 113.500,-, na uitvoering van het werk ter plaatse, terug van koper. Dit een ieder ander uitsluitende recht op levering is onherroepelijk.
reeds op 19 november jl. aan Gemeente Best is geleverd, terwijl cliënt een recht van terugkoop heeft. Ook ten aanzien hiervan graag een verklaring. Immers indien het perceel inderdaad geleverd is aan Gemeente Best dan kunt u niet aan Uw contractuele verplichting(en) voldoen.
primair: hoofdelijke veroordeling van Prorail, Railinfratrust en gemeente Best om binnen veertien dagen na betekening van het te wijzen vonnis aan [eiser] te verkopen en te leveren perceel [001] [002] , inclusief de (partijen bekende) strook grond van 105 m2 van perceel [001] [004] , onder gelijktijdige ongedaanmaking van de levering van het restant van perceel [001] [004] , op straffe van verbeurte van een dwangsom;
primair€ 115.900,00 en
subsidiair€ 252.300,00, dan wel
meer subsidiairhoofdelijke veroordeling van Prorail, Railinfratrust en gemeente Best tot vergoeding van schade nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, een en ander vermeerderd met rente;
grief 2heeft [eiser] zich gekeerd tegen de conclusie van de rechtbank in rov. 4.4 van het vonnis, dat het verweer van Prorail dat het onherroepelijke leveringsrecht van [eiser] ten tijde van het inroepen ervan was vervallen, slaagt, alsmede tegen de overwegingen van de rechtbank die tot die conclusie hebben geleid. [37]
art. 22 Rv Prote bevelen:
voorwaardelijke incidentele vordering ex art. 843a Rvingesteld. Deze incidentele vordering is ingesteld onder de voorwaarde dat:
(a)t/m
(d)).
Gezichtspunt (a)
Gezichtspunt (b)
Gezichtspunt (c)
Gezichtspunt (d)
2.Bespreking van het cassatiemiddel
hoofdklachtaan dat het hof in rov. 6.3.2.5 ten onrechte, althans op onbegrijpelijke of onvoldoende gemotiveerde wijze heeft overwogen en beslist dat:
gezichtspunt (d)als volgt vastgesteld:
contra proferentem-regel bij uitleg van overeenkomsten (3.52 van de pleitnota) gaat niet op. Naar het oordeel van het hof is artikel 10 lid 1 onder Pro c niet zo onduidelijk dat deze regel hier toepassing vindt. Daarnaast zou dit slechts een gezichtspunt zijn dat in de gegeven omstandigheden niet van doorslaggevende betekenis is.”
toelichtingbij subonderdeel 1A (procesinleiding, nr. 1.1) wordt eerst een deel van de memorie van grieven geciteerd (onder het kopje “
Prorail/Railinfratrust komt geen beroep op het vervalbeding toe”, de nrs. 4.2.34 en 4.2.40-4.2.52). Vervolgens (procesinleiding, nr. 1.2) wordt daaruit een tiental stellingen van [eiser] geparafraseerd (stellingen a t/m j, elk met verwijzing naar een vindplaats in de memorie van grieven). Volgens [eiser] zou zich hieruit een vijftal
nadere stellingenvan [eiser] laten afleiden (stellingen a t/m e, procesinleiding, nr. 1.3), waarmee hij
de verhouding en het verbandtussen enerzijds het recht op teruglevering van perceel [001] [002] en anderzijds het aanbod terzake perceel [001] [004] (beide in de brief van 19 februari 2003) aan de orde zou hebben gesteld (procesinleiding, nr. 1.2, slot). Deze stellingen zouden volgens de toelichting (procesinleiding, nr. 1.4) relevant zijn omdat daarmee onmiskenbaar naar voren komt dat:
onder 1.2van de procesinleiding genoemde stellingen, faalt zij. Voor zover het hof niet kenbaar op die stellingen is ingegaan, heeft te gelden dat het hof op die stellingen niet behoefde in te gaan, dan wel dat een verwerping van die stellingen in het oordeel van het hof besloten ligt. Ik zal hierna elk van de stellingen bespreken.
stelling b [51] heeft [eiser] gewezen op het tijdsverloop, waarvan deel uitmaakt de termijnstelling op 15 juli 2003 tot 16 september 2003, en het zonder gevolgen verlopen ervan.
Stelling c [52] is dat Prorail in geen enkele brief naar de vervaltermijn heeft verwezen, maar liefst vijf verlengingen heeft toegestaan en heeft ingestemd met verlenging nadat de vervaltermijn verstreken zou zijn.
“dat Prorail [eiser] een aantal keer een termijn heeft gesteld en vervolgens heeft ingestemd met verlenging daarvan, ook nadat de vervaltermijn was verstreken”.In rov. 6.3.2.4.2 overweegt het hof dat de door [eiser] gestelde feiten en omstandigheden, en
in het bijzonder de in rov. 6.1 weergegeven correspondentie van partijen,naar het oordeel van het hof niet de conclusie wettigen dat Prorail heeft ingestemd met verlenging van de vervaltermijn of dat zij afstand heeft gedaan van haar recht om zich daarop te beroepen. In rov. 6.3.2.4.3 overweegt het hof dat de omstandigheid dat Prorail de aan [eiser] gestelde termijnen om gebruik te maken van het aanbod met betrekking tot perceel [001] [004] minus de strook ten behoeve van [eiser] herhaaldelijk heeft verlengd, niet in die zin in haar nadeel mag worden uitgelegd dat zij daarmee haar recht heeft verwerkt om zich te beroepen op het verstrijken van de vervaltermijn voor het geldend maken van het recht van [eiser] op terug levering van perceel [001] [002] minus de strook (bedoeld zal zijn: mét de strook).
stelling d [53] betrof de discussie over perceel [001] [004] (met of zonder strook) het aanbod waartoe Prorail gehouden was en dat is neergelegd in art. 10 lid 5 van Pro de koopovereenkomst, waarvan sub 1b bepaalt op welke wijze de mededeling gedaan moet worden dat het sub 1a bedoelde recht niet uitgeoefend zal worden, namelijk via een per post aangetekend verzonden, schriftelijke mededeling van [eiser] dat hij onherroepelijk van de terugkoop afziet.
Stelling e [54] houdt in dat het aanbod in de plaats komt van het recht op terug levering nadat [eiser] Prorail schriftelijk heeft medegedeeld dat hij onherroepelijk van de terugkoop afziet, dat [eiser] een dergelijke mededeling niet heeft gedaan, [eiser] geen afstand heeft gedaan van zijn recht om perceel [001] [002] te kopen, alsmede dat doordat [eiser] geen van de twee opties had aanvaard, zij beide in stand bleven, waaronder de optie om perceel [001] [002] terug geleverd te krijgen.
stelling fbestond, zolang over het alternatieve perceel werd gesproken, de mogelijkheid om voor perceel [001] [002] te kiezen.
stelling g, dat met de brief van 10 november 2004 [55] van Prorail aan [eiser] expliciet tot 16 december 2004 de mogelijkheid is geboden om voor terug levering van perceel [001] [002] te kiezen, [56] geldt opnieuw dat deze stelling door het hof in rov. 6.3.2.4.1 expliciet is genoemd. Het hof heeft vervolgens in rov. 6.3.2.4.2 overwogen dat [eiser] de brief van 10 november 2004 niet in die zin mocht opvatten dat Prorail hem in deze brief heeft aangeboden om alsnog het aanbod zoals gedaan in de brief van 19 februari 2003 te aanvaarden. Daarmee heeft het hof stelling g verworpen.
stelling h [57] heeft [eiser] erop gewezen dat Prorail in haar brief van 22 december 2004 (prod. 22 bij inl. dagv.), waarmee zij reageert op de keuze van [eiser] om perceel [001] [002] terug geleverd te krijgen, zich niet op het standpunt stelt dat de termijn daartoe was verstreken.
stelling i [58] heeft [eiser] aangeboden getuigenbewijs te leveren van de stellingen waaruit zijns inziens blijkt dat hij op 9 december 2004 nog voor perceel [001] [002] kon kiezen.
Stellingj [59] houdt in dat [eiser] getuigenbewijs heeft aangeboden van de stelling dat tijdens de bespreking van 20 oktober 2004 hem nog uitdrukkelijk is bevestigd dat hij perceel [001] [002] aangevuld met 105 m2 geleverd kon krijgen, ondanks dat op dat moment – in de optiek van Prorail – de vervaltermijn zou zijn verlopen, alsmede dat uit de brief van 10 november 2004 (prod. 19 bij inl. dagv.) volgt dat [eiser] nog tot 16 december 2004 de gelegenheid heeft gekregen van zijn leveringsrecht gebruik te maken.
onder 1.3-1.5genoemde, volgens [eiser] uit voormelde stellingen (uiteindelijk) ‘klaarblijkelijk’ af te leiden
naderestelling dat [eiser] ervan mocht uitgaan dat met de op 15 juli 2003 – dus tijdig binnen de vervaltermijn (p.i.
onder 1.6-1.7) – gemaakte afspraak (dat Prorail [eiser] zou noteren voor een keuze voor voorstel A, als [eiser] voor 16 september 2003 geen keuze zou hebben gemaakt), de vervaltermijn geen rol meer zou spelen, geldt dat deze stelling naar mijn mening niet kan worden afgeleid uit de in het subonderdeel onder 1.2 genoemde stellingen a t/m j, zodat het hof daar niet op in behoefde te gaan. Bovendien kan in de oordelen van het hof in rov. 6.3.2.4.2 en 6.3.2.4.3 een verwerping van de onder 1.5 genoemde stelling worden gelezen. Het hof heeft immers, in cassatie onbestreden, vastgesteld dat Prorail – in het licht van de door [eiser] tevoren ingenomen standpunten alleszins begrijpelijk – bij brief van 10 november 2003 bevestigd heeft dat zij [eiser] genoteerd had staan als gegadigde voor perceel [001] [004] minus de strook, en dat [eiser] op die hem kenbaar gemaakte gevolgtrekking niet afwijzend heeft gereageerd.
toelichtingbij het onderdeel is daartoe
in de eerste plaats(procesinleiding,
nrs. 2.1-2.10), samengevat, aangevoerd dat uit de overwegingen van het hof in het tussenarrest van 24 januari 2017 volgt dat het hof klaarblijkelijk heeft geoordeeld dat [eiser]
welbelang heeft bij zijn vordering tot inzage in dan wel afschrift van de in rov. 3.3 van het tussenarrest onder a en b genoemde opleveringsrapporten en overeenkomsten, indien in de hoofdzaak komt vast te staan wat onder het begrip “de werkzaamheden” in de zin van art. 10 lid 1 sub b van Pro de koopovereenkomst moet worden verstaan. Omdat het hof in rov. 6.3.2.2.1-6.3.2.2.3 van het eindarrest (ten nadele van [eiser] ) tot de door Prorail verdedigde uitleg van “de werkzaamheden” is gekomen, had het hof, gebonden als het was aan zijn oordelen in het tussenarrest, de vorderingen in het incident alsnog behoren toe te wijzen. Nu het hof dit heeft nagelaten kan het arrest niet in stand blijven.
nrs. 2.11-2.16) dat het hof in elk geval de incidentele vorderingen van [eiser] meer uitgebreid had moeten behandelen dan het in rov. 6.3.2.2.4 heeft gedaan, omdat [eiser] meer aan zijn incidentele vorderingen ten grondslag heeft gelegd dan wat het hof onder rov. 6.3.2.2.1 heeft weergegeven. [eiser] heeft zijn incidentele vorderingen namelijk ook ingesteld met het oog op onderzoek naar de vraag wanneer de werkzaamheden aan de tunnel in die zin gereed waren dat het gebruik van perceel [001] [002] niet meer nodig was. [61] Deze grondslag sluit onmiskenbaar aan bij de door de gemeente verdedigde opvatting, zodat het hof deze grondslag in zijn overwegingen had behoren te betrekken. In elk geval kon het hof niet, zoals het heeft gedaan, zich beperken tot de vaststelling dat de werkzaamheden waren beëindigd, omdat het er juist om gaat te bepalen (of die werkzaamheden daadwerkelijk zijn beëindigd en) wanneer de werkzaamheden exact zijn beëindigd, aldus de toelichting.
nr. 2.17).
werkzaamheden ten behoeve van de spoorbaanverdubbelingweer de beschikking kreeg over het resterende gedeelte van perceel [001] [002] , omdat dit gedeelte
niet meer nodig wasals werkstrook voor die werkzaamheden (rov. 6.3.2.2.3);
eerste klachtuit onderdeel 2 faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof heeft in het tussenarrest immers niet geoordeeld dat [eiser] wél belang bij zijn incidentele vordering zal hebben indien in rechte komt vast te staan wat onder het begrip “de werkzaamheden” in de zin van art. 10 lid 1 sub b van Pro de koopovereenkomst moet worden volstaan. In zijn oordeel ligt besloten dat [eiser] belang bij zijn incidentele vordering
zou kunnen hebbenals in de hoofdzaak zou worden geoordeeld dat het begrip “de werkzaamheden” inderdaad op de door [eiser] voorgestane wijze moet worden uitgelegd. Hieruit kan echter niet, zoals het onderdeel bepleit, worden afgeleid dat het hof meende dat [eiser] na de vaststelling van de betekenis van het begrip “de werkzaamheden” (welke betekenis dan ook) steeds belang bij zijn incidentele vordering zou hebben.
overige klachtenuit onderdeel 2 falen omdat het oordeel van het hof in rov. 6.3.2.2.4 niet onbegrijpelijk is, en het hof zijn oordeel bovendien niet nader hoefde te motiveren. Nu het hof heeft geoordeeld dat het begrip “de werkzaamheden” in art. 10 lid 1 onder Pro b en c van de koopovereenkomst zo moet worden uitgelegd dat dit ziet op de werkzaamheden ten behoeve van de spoorbaanverdubbeling, en het hof heeft vastgesteld dat deze werkzaamheden waren beëindigd (op het moment van het verzenden van de brief van 19 februari 2003), heeft [eiser] immers geen belang bij zijn vordering tot inzage in dan wel afgifte van stukken waaruit opgemaakt kan worden wanneer de werkzaamheden aan de spoortunnel gereed waren en wanneer de werkzaamheden met betrekking tot de aanleg van (nuts)voorzieningen gereed waren. [eiser] wilde met deze stukken immers aantonen dat “de werkzaamheden” op het moment van het versturen van de brief van 19 februari 2003 nog niet waren beëindigd, als gevolg waarvan de vervaltermijn pas op een later moment is gaan lopen. In de toelichting bij onderdeel 2 in de procesinleiding is (op de onbegrijpelijke par. 2.14 na) ook niet onderbouwd waarom [eiser] , uitgaande van de door het hof aangenomen uitleg van het begrip “de werkzaamheden”, nog belang zou hebben bij inzage in c.q. afgifte van de betreffende documenten.