ECLI:NL:PHR:2021:189

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
12 januari 2021
Publicatiedatum
26 februari 2021
Zaaknummer
19/00604
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 437 lid 2 Sv
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens niet-indienen middelen van cassatie

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft bij arrest vastgesteld dat de betrokkene een wederrechtelijk voordeel van €353.656,00 heeft verkregen en heeft hem verplicht dit bedrag aan de staat te betalen. De zaak hangt samen met meerdere andere straf- en ontnemingszaken tegen de betrokkene en medeverdachten.

De betrokkene heeft cassatieberoep ingesteld, maar heeft niet binnen de wettelijke termijn schriftuur houdende middelen van cassatie ingediend bij de Hoge Raad. Hierdoor kan hij niet in zijn cassatieberoep worden ontvangen op grond van artikel 437 lid 2 Sv Pro.

De procureur-generaal concludeert daarom dat de betrokkene niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn cassatieberoep. Dit besluit betreft een procedurele afwijzing zonder inhoudelijke behandeling van de zaak.

Uitkomst: Betrokkene wordt niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens het niet tijdig indienen van middelen van cassatie.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer19/00604 P
Zitting12 januari 2021

CONCLUSIE

D.J.C. Aben
In de zaak
[betrokkene] ,
geboren te [betrokkene] op [geboortedatum] 1944,
hierna: de betrokkene.
1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, heeft bij arrest van 30 januari 2019 de omvang van het voordeel dat de betrokkene wederrechtelijk heeft verkregen geschat op € 353.656,00 en aan de betrokkene ter ontneming van dat voordeel de verplichting opgelegd tot betaling van dat bedrag aan de staat.
2. De zaak hangt samen met een tweetal andere zaken tegen de verdachte (19/00603 en 19/00605) alsmede met de straf- en of ontnemingszaken tegen de medeverdachten (19/00597, 19/00528, 19/00529, 19/00576 en 19/00578). In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Namens de verdachte is geen schriftuur houdende middelen van cassatie ingediend.
4. Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, kan hij ingevolge artikel 437 lid 2 Sv Pro niet in zijn cassatieberoep worden ontvangen.
5. Deze conclusie strekt ertoe dat de verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn cassatieberoep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG