- Een – blijkens het daarop geplaatste stempel op 20 januari 2016 per fax ontvangen – brief van mr. R.A. van der Horst aan de strafgriffie van de rechtbank Amsterdam. In deze brief vermeldt mr. Van der Horst dat hij als raadsman van de betrokkene optreedt in diens strafzaak en verzoekt hij om
ten behoeve van de ontnemingsprocedureeen last tot toevoeging af te geven. Blijkens de op deze fax met pen opgetekende woorden
“last verstrekt”en het daarbij geplaatste stempel
“26 jan 2016”is aan Van der Horst op die datum een last tot toevoeging verstrekt in de onderhavige ontnemingszaak.
- Een ‘akte instellen rechtsmiddel’ die inhoudt dat de griffie-ambtenaar op 17 maart 2017 hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 3 maart 2017 in de ontnemingszaak tegen de betrokkene en dat hij daartoe door mr. R.A. van der Horst, advocaat te Amsterdam, is gevolmachtigd. Mr. Van der Horst verklaart in de aan de akte gehechte brief dat hij tot het instellen van hoger beroep door de betrokkene bepaaldelijk is gevolmachtigd.
- Een aan de griffier van de rechtbank (omdat van de betrokkene geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is) uitgereikte oproeping van de betrokkene in hoger beroep om op 20 december 2017 ter terechtzitting te verschijnen, van welke oproeping op 25 oktober 2017 een kopie is verstrekt aan mr. R.A. van der Horst.
- Een kopie van een op 25 oktober 2017 gedateerde brief van het hof Amsterdam gericht aan mr. R.A. van der Horst, inhoudende dat de inhoudelijke behandeling van
de strafzaaktegen de betrokkene is vastgesteld op 20 december 2017 te 9.00 uur en dat uitstel van behandeling slechts wordt verleend indien er naar het oordeel van de voorzitter sprake is van overmacht.
- Een kopie van een e-mail van mr. R.A. van der Horst van 18 december 2017 aan de voorzitter van de derde strafkamer van het hof Amsterdam en aan de advocaat-generaal, voor zover inhoudende:
“Tot mijn spijt moet ik u, zoals eerder telefonisch aangegeven, berichten dat ik genoodzaakt ben in de ontnemingsprocedure tegen [betrokkene] met parketnummer 23/000939-17, welke aanstaande woensdag door uw hof zou worden behandeld, de verdediging neer te leggen. De reden hiervoor is dat ik op dit moment geen contact heb met mijn cliënt.
Gelet op mijn contacten met [betrokkene] in het verleden moet ik aannemen dat hij niet van de zitting op de hoogte is, anders had hij zeker contact met mij opgenomen. [betrokkene] is – voor zover mij bekend – eerder dit jaar uitgezet naar Colombia.
Ik hoop u hiermee voldoende geïnformeerd te hebben. Wilt u zo vriendelijk zijn mij te bevestigen dat dit bericht tijdig door het hof is ontvangen?”