Conclusie
1.Feiten en procesverloop
luxen welke mate van verlichtingshomogeniteit noodzakelijk zouden zijn voor een geschikt resultaat. [3] Voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst is [A] namens [verweerster] ter plaatse geweest om de fabriekshal te bekijken. Daarom moet [verweerster] goed op de hoogte zijn geweest van de eisen die aan de verlichting dienden te worden gesteld. Volgens de opdrachtgeefster is een lichtsterkte in de bedrijfshal boven het machinepark van 500
luxafgesproken. Het bezwaar van de opdrachtgeefster hield concreet in dat de aangebrachte Led-verlichting in de fabriekshal op bepaalde plekken niet het licht genereert dat nodig is voor het werk in de fabriekshal. Bovendien is er door de aangebrachte verlichting sprake van schaduwvorming die het onmogelijk maakt om fatsoenlijk te kunnen werken.
in conventiede vorderingen van de opdrachtgeefster vrijwel geheel toegewezen en de vordering van [verweerster]
in reconventieafgewezen.
luxmoeten zijn, hetgeen met de aangebrachte verlichting in feite niet wordt gehaald. Na een bespreking van de over en weer aangevoerde argumenten kwam de rechtbank tot het oordeel dat de geleverde Led-verlichting niet voldeed aan hetgeen was overeengekomen (rov. 3.7 - 3.10 Rb.). De juistheid van de stelling van [verweerster] dat (vanwege een door de opdrachtgeefster gewenste kostenbeperking) het aantal op te hangen lampen in overleg tussen partijen is teruggebracht van 39 naar 29, en dat daarmee al vóór het sluiten van de overeenkomst tussen partijen overeenstemming is bereikt over een gemiddeld lichtniveau van 300
luxboven het machinepark, blijkt volgens de rechtbank niet uit de gestelde feiten en omstandigheden. In dit verband wees de rechtbank ook op het feit dat op het voorblad van het lichtplan een lichtsterkte van 500
luxwas vermeld.
luxboven het machinepark zijn overeengekomen, zoals de rechtbank heeft vastgesteld, maar slechts een gemiddeld lichtniveau van 300
lux. Ter onderbouwing van dit betoog heeft [verweerster] schriftelijke verklaringen in het geding gebracht van haar bestuurder, van haar adviseur Gronsveld (van [A]) en van [betrokkene 3] als degene die het werk feitelijk had uitgevoerd. In rov. 3.9 van zijn tussenarrest van 19 februari 2019 (ECLI:NL:GHSHE:2019:568) heeft het hof gedeelten van deze verklaringen aangehaald.
lux. Tevens heeft [verweerster] een verklaring gegeven voor het feit dat op het voorblad van het lichtplan van 13 juli 2016 de zinsnede “Gemiddeld lichtniveau (…) Machinepark 500 lux” is blijven staan. Het hof overwoog dat, tegenover deze gemotiveerde betwisting, op de opdrachtgeefster de bewijslast rust van de door haar gestelde inhoud van de overeenkomst. Het hof heeft de opdrachtgeefster opgedragen te bewijzen “dat tussen partijen is overeengekomen dat voor het machinepark overal een gemiddeld lichtniveau van 500 lux gold en dat dit niet is aangepast naar een gemiddeld lichtniveau van 300 lux”. Het hof heeft iedere verdere beslissing aangehouden.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
toelichting onder (ii)houdt, als gezegd, de klacht in dat het hof aan zijn beslissing niet, althans niet kenbaar, de Haviltex-maatstaf ten grondslag heeft gelegd.
toelichting onder (iii)bevat een weergave van (jurisprudentie over) de Haviltex-maatstaf. De
toelichting onder (iv)klaagt dat het hof de overeenkomst, in het bijzonder de vraag of de gemaakte afspraak een lichtwaarde van 500 dan wel 300
luxbetrof, heeft “geplaatst in een (te) beperkte uitleg van de afspraken, door het verweer van de zijde van [verweerster] in hoger beroep, erop neerkomend dat in de tekst van de overeenkomst (c.q. het voorblad van het lichtplan) een onjuistheid was geslopen, te aanvaarden”. Volgens de toelichting heeft niemand bepleit dat de overeenkomst slechts taalkundig zou moeten worden uitgelegd.
toelichting onder (v) en (vi)houdt in dat het hof bij de uitleg van hetgeen tussen partijen overeengekomen is, de volgende door de opdrachtgeefster aangevoerde omstandigheden had moeten betrekken:
luxen een gemiddeld lichtniveau van 454
lux;
luxook aanvaardbaar achtte, werd door de opdrachtgeefster betwist;
luxwordt behaald; pas in hoger beroep heeft [verweerster] gesteld dat waar in het lichtplan van 16 juli 2016 500
luxwerd genoemd als de te realiseren lichtwaarde, sprake is van een evidente verschrijving;
toelichting onder (vii)vermeldt dat de rechtbank overwoog dat uit de stellingen van [verweerster] niet volgt dat de opdrachtgeefster
redelijkerwijsniet mocht verwachten dat het gemiddelde lichtniveau boven het machinepark 500
luxzou bedragen. Daarmee bracht de rechtbank volgens de toelichting tot uitdrukking “méér te toetsen dan enkel de tekst van de overeenkomst”. Uit de overwegingen van de rechtbank kan volgens de
toelichting onder (viii)worden afgeleid dat, bij de beantwoording van de vraag of partijen wel of niet een lichtsterkte van 500
luxhebben afgesproken, méér omstandigheden in de beoordeling moeten worden betrokken dan alleen de tekst van het voorblad van het lichtplan. Het hof heeft zijn oordeel gebaseerd op een bewijsopdracht, die tot stand is gekomen op grond van de betwisting door [verweerster] van de juistheid van (een vermelding op het voorblad van) haar eigen lichtplan.
toelichting onder (ix)mondt uit in de klacht dat het hof ten onrechte niet is ingegaan op het door de opdrachtgeefster in hoger beroep gedane beroep op de redelijkheid en dat het hof daarmee de Haviltex-maatstaf niet naar behoren heeft toegepast.
toelichting onder (x)dat het hof in het tussenarrest niet tot deze bewijslastverdeling had mogen komen, althans niet zonder een nadere motivering. Het behoeft niet zo te zijn dat de bewijslast altijd op de eisende partij rust. Dit geldt temeer indien partijen, zoals in deze zaak, twisten over de vraag of de overeenkomst (het voorblad van het lichtplan) een verschrijving bevat. Volgens de opdrachtgeefster ging het om een
bevrijdend verweeren lag het daarom op de weg van [verweerster] om de juistheid van haar stelling aan te tonen.
toelichting onder (xi)had met name het feit dat de opdrachtgeefster “niet deskundig is als het gaat om het interpreteren van een lichtplan dat opgesteld wordt door zijn wel deskundige wederpartij” een rol moeten spelen in de bewijslastverdeling. Door dat na te laten, is de bewijslastverdeling rechtens onjuist, althans onbegrijpelijk.
toelichting onder (xii)wordt betoogd dat als het hof “een bredere en meer subjectieve toetsing binnen de Haviltex-maatstaf” zou hebben gehanteerd, op grond van de redelijkheid de bewijslast bij [verweerster] had kunnen belanden.
lux– en heeft vervolgens vastgesteld dat de door [verweerster] geleverde en geïnstalleerde verlichting niet aan de overeenkomst voldeed omdat een gemiddeld lichtniveau van 500
luxin feite niet werd behaald.
luxzou worden gerealiseerd, dat op het voorblad is afgerond op 500
lux(MvG onder 6);
luxzou gaan bedragen, “zoals ook al was vermeld op p. 18 van het plan van 12 juli 2016”. De bestuurder van de opdrachtgeefster heeft toen mondeling hiermee ingestemd (MvG onder 9);
lux. Voor zover de klachten ertoe strekken te betogen dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid een andere bewijslast voortvloeit, als bedoeld in art. 150 Rv Pro, faalt dat betoog.
Omdat het verdere verloop van de procedure en het lot van de vorderingen in conventie en in reconventie afhankelijk zijn van het resultaat van de bewijslevering, zal het hof eerst na deze bewijslevering op de overige kwesties ingaan”.
luxuit het eerder opgemaakte lichtplan is blijven staan. Mede gezien de verdere inhoud van het herziene lichtplan d.d. 13 juli 2016 heeft het hof de vermelding van 500
luxop het voorblad niet zodanig sterk bewijs bevonden dat deze vermelding kan dienen als onvolledig bewijs dat kan worden aangevuld met de getuigenverklaring van de bestuurder van de opdrachtgeefster, die had verklaard dat het voorblad voor hem duidelijk was.