Conclusie
eerste middelbevat twee klachten. De eerste betreft de reactie op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt en de tweede (als toelichting op het middel in de cassatieschriftuur onder 8) een tegenstrijdigheid tussen de in het arrest opgenomen bewijsoverweging en de bewijsmiddelen zoals die zijn vervat in de aanvulling op het arrest.
16.Het eerste middelfaalt in beide onderdelen.
tweede middelklaagt dat het hof is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat bij de verdachte geen sprake was van opzet.
22.Het tweede middeltreft geen doel.
derde middelklaagt dat “het gerechtshof is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging, inhoudende - kort gezegd - dat voor enkele specifiek aangeduide uitgaven bonnen aanwezig waren die zouden aantonen dat rekwirant zich de betreffende geldbedragen niet had toegeëigend, terwijl het hof ter verwerping van genoemd standpunt zonder nadere motivering heeft verwezen naar de beslissing van de rechtbank dienaangaande, terwijl het die beslissing in hetzelfde arrest integraal had vernietigd en de overwegingen van de rechtbank bovendien niet althans onvoldoende eenduidig uit diens vonnis (of de aanvulling daarop) blijken, zodat niet gezegd kan worden dat het hof voor die afwijking in het bijzonder de redenen heeft opgegeven, althans voor dat afwijkende oordeel een toereikend motivering heeft gebezigd.”