Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
eerste middelkomt op tegen de motivering van de bewezenverklaarde feiten.
dat hij op 25 januari 2018, te Curaçao, ter uitvoering van het door hem verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [medeverdachte] en een ander(e) onbekend gebleven persoon van het leven te beroven, met dat opzet schoten met een vuurwapen heeft afgevuurd in de richting van die [medeverdachte] en die ander(e) onbekend gebleven persoon, zijnde de verdere uitvoering van de door hem, verdachte voorgenomen misdrijf niet voltooid;
5. Op 26 januari 2018 heeft de verbalisant [verbalisant 8] een papieren zak inhoudende een hoeveelheid hulzen die zijn veiliggesteld op de plaats delict ontvangen. Hij heeft het volgende gerelateerd:
"Op 25 januari 2018 ben ik na twee uur 's nachts bij [A] aangekomen. Ik was naar buiten gegaan om een sigaretje te gaan roken. Op dat moment zag ik twee mannen vanuit de VIP in-/uitgang naar buiten komen (het Hof begrijpt: de andere verdachte [medeverdachte] en de onbekende man, ook wel aangeduid als [betrokkene 2] ) die vervolgens richting de broodjestruck ‘ [D] ’ toeliepen.
7. Het Hof heeft ter terechtzitting op de camerabeelden met bestandsnaam ‘Kruising’ (20180125.014654) het volgende waargenomen:
Het vuurgevecht met [medeverdachte] en [betrokkene 2]
Ik ben de man die, nadat [slachtoffer] is neergeschoten en naar de grond valt, in gebukte houding de straat rennend oversteekt naar de plek waar [slachtoffer] is gevallen. Ik buk bij hem.”(bewijsmiddel 12);
tweede middelklaagt over de verwerping door het Hof van het beroep op noodweer(exces) en valt in twee klachten uiteen. De eerste klacht heeft betrekking op de verwerping van het beroep op noodweer die niet naar de eis der wet met redenen is omkeed. Aangevoerd wordt dat het oordeel van het Hof, dat “op geen enkel moment het bestaan van een noodweersituatie aannemelijk is geworden” onbegrijpelijk is, gelet op de bewijsvoering en wat ter terechtzitting is aangevoerd ter onderbouwing van het beroep op noodweer. De tweede klacht heeft betrekking op de verwerping van het beroep op noodweerexces en valt in twee onderdelen uiteen. Het eerste onderdeel klaagt dat het Hof heeft “miskend dat een beroep op noodweerexces ook nog mogelijk is nadat een noodweersituatie is beëindigd.” Het tweede onderdeel houdt in dat het Hof bij de verwerping van het beroep op noodweerexces “niet [is] ingegaan op de gronden van het beroep op noodweerexces die door de raadsvrouw namens [de verdachte] naar voren zijn gebracht”.
[…]
U vraagt mij of ik wist dat [slachtoffer] een vuurwapen in zijn bezit had. Nee, ik wist dat niet. Ik had zelf geen vuurwapen bij me. [slachtoffer] was een kennis van mij, geen vriend. Wij zijn niet samen naar [A] gegaan. […] Ik ben [slachtoffer] en [betrokkene 1] bij [A] tegengekomen. Ik heb alleen even met hen gesproken. […] Toen ik bij [slachtoffer] aankwam, was er een vriend van hem al daar. Hij zei tegen mij dat zijn vriend vermoord is. Ik heb hem de richting gewezen waarin de schutters wegrenden. Hij heeft het vuurwapen gepakt, doorgeladen en rende toen in de richting van de schutters. Hij begon toen in hun richting te schieten. Ik ben de hele tijd bij het slachtoffer gebleven.
De raadsvrouw deelt hierop mede dat zij zich hiervan bewust is en dat zij zelf ook vragen hierover zal stellen aan de verdachte en dat ze hierop uitgebreid terugkomt in haar pleidooi.
[…]
De verdachte verklaart op aanvullende vragen van de voorzittter als volgt:
[…]
U vraagt mij nogmaals hoe ik mij voelde toen [slachtoffer] werd doodgeschoten. Ik wil daar niet over praten. Ik ben nog steeds getraumatiseerd. Elke keer als ik mijn ogen dicht doe, zie ik hem op de grond liggen. Ik wil nooit meer voelen wat ik die dag heb gevoeld.
In casu is het zo dat [medeverdachte] en de zijnen reeds weg aan het lopen waren. Echter betekent dit niet per definitie dat de aanranding hiermee beëindigd was. Zij hebben immers [slachtoffer] doodgeschoten en gingen na het neervallen van [slachtoffer] gewoon door met schieten op [betrokkene 1] .
Het vermoeden dat [medeverdachte] en de zijnen waarschijnlijk al een andere richting aan het oplopen waren, maakt dat niet anders. Uit de videobeelden ‘mainparking’ om 3:22:03 uur kunnen we zien dat [slachtoffer] dood neervalt. Om 3:22:10 uur kunnen we zien dat [medeverdachte] nog steeds aan het schieten is. Derhalve deinsde [medeverdachte] er niet voor terug om te blijven schieten, nadat hij al iemand vermoord had. Er was derhalve zeer zeker wel een dreiging ten op zichte van cliënt. Maar al was dat niet zo, mag je in een noodweersituatie ook iemand anders lijf beschermen. In casu gaat het dus om [slachtoffer] en [betrokkene 1] .”
[…]
38.
[…]
50.
[…]
U vraagt mij nogmaals hoe ik mij voelde toen [slachtoffer] werd doodgeschoten. Ik wil daar niet over praten. Ik ben nog steeds getraumatiseerd. Elke keer als ik mijn ogen dicht doe, zie ik hem op de grond liggen. Ik wil nooit meer voelen wat ik die dag heb gevoeld.