Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
“Oordeel van het hof
Het hof gaat op grond van het dossier en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten en omstandigheden.
In 2006 heeft [betrokkene 1] een volmacht laten opmaken en daarin verdachte aangewezen als haar gevolmachtigde. Vóór die tijd was verdachte al lange tijd financieel adviseur van [betrokkene 1] geweest. De volmacht trad op 29 december 2009 in werking toen de huisarts van [betrokkene 1] een verklaring af gaf dat [betrokkene 1] niet meer handelingsbekwaam was. Uit de tekst van de volmacht blijkt dat verdachte bevoegd was om [betrokkene 1] - ter behartiging van haar rechten en belangen - te vertegenwoordigen op elk rechtsgebied.
Het hof stelt vast dat aan de opschortende voorwaarde van de volmacht aan verdachte op 29 december 2009 is voldaan met de verklaring van de huisarts van [betrokkene 1] . Hoewel deze verklaring inderdaad summier kan worden genoemd is de volmacht op die dag in werking getreden en is verdachte vanaf dat moment ook als gevolmachtigde van [betrokkene 1] gaan optreden. Het hof kan de verdediging niet volgen in het standpunt dat door de summiere verklaring van de huisarts het ervoor gehouden zou moeten worden dat [betrokkene 1] handelingsbekwaam is gebleven. In dat geval zou immers ook de volmacht niet in werking zijn getreden, hetgeen volgens beide verdachten nou juist wél het geval was.
Het verweer van verdachten dat alle betalingen en schenkingen aan henzelf in overeenstemming waren met de wil van [betrokkene 1] zelf en dat er verleende zorg tegenover stond, wordt in het licht van het vorenstaande eveneens verworpen. Uitgaande van de handelingsonbekwaamheid van [betrokkene 1] en de daarop gebaseerde volmacht aan verdachte staat immers vast dat [betrokkene 1] haar wil ten aanzien van dergelijke financiële transacties en afspraken juist niet meer rechtsgeldig kon bepalen.
Voor wat betreft het verbod op ‘Selbtseintritt’ als bedoeld in artikel 3:68 BW Pro overweegt het hof - overeenkomstig de rechtbank - het navolgende:
Uit voorgaande overwegingen volgt dat verdachte en [medeverdachte] geld dat aan [betrokkene 1] toebehoorde zich wederrechtelijk hebben toegeëigend. Uit de uiterlijke verschijningsvorm van zijn handelen blijkt dat verdachte daarbij willens en wetens heeft gehandeld, in nauwe en bewuste samenwerking met zijn medeverdachte [medeverdachte] .
Het hof acht evenals de rechtbank niet bewezen dat verdachten hebben gehandeld in de uitoefening van een persoonlijke dienstbetrekking of een beroep, nu de hoedanigheid van gevolmachtigde daarmee niet gelijk kan worden gesteld. Van dit onderdeel van de tenlastelegging dienen verdachten dan ook te worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
1. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 7 februari 2014 nummer PL01KN-2014010729-1, opgenomen op pagina 117 e.v. van ordner 1 van het dossier met nummer 2013102303/2014010729. inhoudende:
als relaas van verbalisant [verbalisant]
Ik heb een analyse uitgevoerd op de bankafschriften van [betrokkene 1] . In verband met dit onderzoek zijn van alle bekend geworden bankrekeningen van benadeelde de bankafschriften opgevraagd van 2002 tot heden. In het voordeel van verdachte is de datum van inwerkingtreding van de volmacht als startpunt genomen voor de onttrekkingen/betalingen van haar bankrekeningen.
Overschrijvingen
Betalingen
Effectenhandel
Totaal
als verklaring van verdachte [verdachte]
Vanaf 2002 verleen ik zakelijke diensten aan [betrokkene 1] . Vanaf 2009 zijn ik en mijn vrouw zorg aan haar gaan verlenen. Ik was haar vertrouwenspersoon. Vanaf eind 2009 is de volmacht in werking getreden. Vanaf 2010 kreeg ik de beschikking over een bankpas bij de ING en de ABN. Deze passen lagen thuis. Ook mijn vrouw maakte gebruik van deze passen.
4. De door verdachte [verdachte] ter terechtzitting van de rechtbank van 25 maart 2016
5. De door verdachte [verdachte] ter terechtzitting van het hof van 25 februari 2019
Ik heb niet overwogen om voor 2010 afspraken te maken omtrent de invulling van de volmacht. Ik wist niet dat ik ziek zou worden. U vraagt mij waarom ik geen afspraken heb gemaakt voor de toekomst toen [betrokkene 1] nog bekwaam was. Ik dacht dat die volmacht dat dekte. Ik wist wat zij wilde.
“Aan de verdachte wordt het recht gelaten het laatst te spreken. Namens verdachte en zichzelf leest medeverdachte [medeverdachte] een op schrift gesteld laatste woord voor, welke aan het hof is overgelegd en aan dit proces-verbaal is gehecht.
“Oplegging van straf
De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Verdachte heeft, samen met zijn echtgenote (medeverdachte [medeverdachte] ) een groot geldbedrag verduisterd van de hoogbejaarde [betrokkene 1] . Op basis van de volmacht van verdachte hebben hij en zijn echtgenote gedurende een periode van bijna vier jaren op verschillende manieren geld van de rekening van [betrokkene 1] gehaald. Dit geld gebruikten zij onder andere voor het betalen van eigen rekeningen en vliegtickets voor zichzelf en hun gezin. Het vertrouwen dat [betrokkene 1] in verdachte had gesteld door hem als gevolmachtigde aan te wijzen om haar belangen te behartigen vanaf het moment dat zij zelf handelingsonbekwaam zou worden, is door beide verdachten ernstig beschaamd. Uit het dossier en het verhandelde ter zitting blijkt ook dat het handelen van verdachten tot de nodige maatschappelijke verontwaardiging heeft geleid.
Het hof heeft voor wat betreft de straftoemeting aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten voor straftoemeting en LOVS-afspraken ten aanzien van fraudedelicten en de aldaar genoemde fraudebedragen. Behalve de hoogte van het totaal aan verduisterde geldbedragen is van belang dat de verduistering bijna vier jaren geduurd en niet door verdachten uit eigen beweging is beëindigd, maar door de aangifte van de buurvrouw van [betrokkene 1] . Uit het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie van 22 januari 2019 blijkt dat hij niet eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen.
In onderhavige zaak is sprake van ‘undue delay’ in de zin van artikel 6 van Pro het EVRM. Verdachte is op 20 mei 2014 aangehouden. In onderhavige zaak is sprake van ‘undue delay’ in de zin van artikel 6 van Pro het EVRM. In eerste aanleg is op 8 april 2016 vonnis gewezen. Verdachte heeft op 20 april 2016 hoger beroep ingesteld. Na het instellen van hoger beroep door verdachte tot aan de uitspraak van het hof zijn twee jaren en bijna elf maanden verstreken. Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn — te weten een overschrijding van bijna elf maanden — ziet het hof aanleiding de passend geachte gevangenisstraf, zijnde een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden, deels voorwaardelijk op te leggen.
Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren passend en geboden.”