ECLI:NL:PHR:2021:376

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
2 maart 2021
Publicatiedatum
12 april 2021
Zaaknummer
19/03197
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 416 lid 2 SvArt. 434 lid 1 SvOpiumwet
Verwijzingen
12 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest wegens onjuist verstekverlening door detentie uit anderen hoofde

De verdachte werd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep wegens verstekverlening nadat hij niet op de zitting verscheen. De dagvaarding was op het laatst bekende adres betekend, maar de verdachte was ten tijde van de zitting uit anderen hoofde gedetineerd, wat het hof niet wist.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof onjuist heeft gehandeld door verstek te verlenen en het onderzoek voort te zetten zonder dat de verdachte aanwezig was. Dit schendt het recht van de verdachte om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht.

Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en wijst de zaak terug naar het hof voor een nieuwe behandeling in hoger beroep waarbij de verdachte aanwezig kan zijn. De conclusie is dat het middel van cassatie terecht is voorgesteld.

De zaak betreft een strafrechtelijke procedure over het telen van hennep en diefstal van elektriciteit, met een complexe procedurele gang rond dagvaarding en adreswijzigingen. De Hoge Raad benadrukt het belang van aanwezigheid van de verdachte bij de behandeling van zijn zaak.

Uitkomst: Het arrest wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor nieuwe behandeling in hoger beroep in aanwezigheid van de verdachte.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer19/03197
Zitting2 maart 2021 (bij vervroeging)

CONCLUSIE

D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,
hierna: de verdachte.
1. De verdachte is bij arrest van 27 juni 2019 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.
2. Er bestaat samenhang met de zaak 19/03291. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. R.J. Baumgardt, mr. P. van Dongen en mr. S. van den Akker, advocaten te Rotterdam, hebben een middel van cassatie voorgesteld.
4. Het
middelbevat de klacht dat de verdachte ten tijde van de behandeling van zijn zaak in hoger beroep uit anderen hoofde was gedetineerd, zodat de beslissing van het hof om verstek te verlenen tegen de verdachte en het onderzoek ter terechtzitting voort te zetten, achteraf bezien, onjuist was.
5. Uit de op de voet van artikel 434 lid 1 Sv Pro aan de Hoge Raad toegezonden stukken kan, voor zover relevant voor de beoordeling van het middel, het volgende worden opgemaakt:
(i) De inhoudelijke behandeling van de strafzaak door de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland heeft plaatsgevonden op 28 juni 2018. Namens de verdachte heeft zijn gevolmachtigde advocaat op die zitting het woord tot verdediging gevoerd. De politierechter heeft op diezelfde dag mondeling vonnis gewezen en de verdachte veroordeeld voor (1) het opzettelijk telen van hennep en (2) diefstal van elektriciteit door middel van verbreking.
(ii) Namens de verdachte is op 28 juni 2018 ter griffie van de rechtbank Noord-Nederland hoger beroep ingesteld tegen het vonnis.
(iii) De dagvaarding [1] van de verdachte om op 27 juni 2019 te 14:20 uur te verschijnen ter terechtzitting van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, is op 24 mei 2019 vergeefs aangeboden op het BRP-adres van de verdachte, de [a-straat 1] , [postcode] te [plaats] . De dagvaarding is vervolgens – na niet te zijn afgehaald op de plaats genoemd in het bericht van aankomst – op 4 juni 2019 retour gezonden aan de afzender en op 5 juni 2019 ingekomen bij het ressortsparket.
(iv) De bij de betekeningsstukken aanwezige Informatiestaat SKDB dateert van 26 juni 2019, 09:08 uur. Daaruit blijkt dat de verdachte op dat moment niet was gedetineerd en dat de verdachte met ingang van 18 juni 2018 als BRP-adres de [a-straat 1] , [postcode] te [plaats] had. De informatiestaat vermeldt: vertrokken onbekend waarheen (VOW), en dit vanaf (datum ingang) 22 mei 2019. De laatst opgegeven verblijfplaats betreft een achterhaald GBA-adres uit 2015.
(v) De retour ontvangen dagvaarding is op 5 juni 2019 uitgereikt aan de griffier van de rechtbank Noord-Nederland, waarbij op 5 juni een afschrift van de dagvaarding is verzonden naar het laatst bekende BRP-adres van de verdachte, de [a-straat 1] , [postcode] te [plaats] . [2]
(vi) De verdachte noch een raadsman is verschenen op de terechtzitting in hoger beroep van 27 juni 2019. De voorzitter heeft vastgesteld dat de verdachte op correcte wijze is gedagvaard voor de zitting van die dag. Vervolgens heeft het hof verstek verleend tegen de niet verschenen verdachte, na de sluiting van het onderzoek onmiddellijk uitspraak gedaan en de verdachte op grond van artikel 416 lid 2 Sv Pro niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.
6. Aan de cassatieschriftuur is een kopie gehecht van een
“proces-verbaal van voorgeleiding ten behoeve van vordering bewaring”, waaruit volgt dat de verdachte op 26 juni 2019 om 21:50 uur te Leeuwarden is aangehouden op verdenking van (medeplichtigheid aan) het bereiden/aanwezig hebben/vervaardigen van harddrugs, lijst 1 Opiumwet en vervolgens op de dag van de terechtzitting in hoger beroep, namelijk 27 juni 2019, om 13:55 uur te Leeuwarden in verzekering is gesteld. Een daarop gezet stempel van het arrondissementsparket Noord-Nederland vermeldt dat dit (kopie) proces-verbaal op 28 juni 2019 is ingekomen bij voornoemd parket.
7. Uitgangspunt is dat indien de dagvaarding van een verdachte die is ingeschreven in de basisregistratie personen (BRP), rechtsgeldig is betekend en de verdachte noch zijn bepaaldelijk gevolmachtigde raadsman op de terechtzitting is verschenen, de rechter – behoudens duidelijke aanwijzingen van het tegendeel – kan uitgaan van het vermoeden dat de verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht. De mogelijkheid bestaat echter dat achteraf moet worden vastgesteld dat aan het recht van de verdachte om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht, is tekortgedaan. Dit kan zich voordoen indien de verdachte ten tijde van de behandeling van zijn zaak in verband met een andere strafzaak was gedetineerd zonder dat dit de rechter bekend was. [3]
8. Uit het hiervoor onder 6 vermelde stuk – aan de herkomst en betrouwbaarheid waarvan in redelijkheid niet behoeft te worden getwijfeld – moet worden afgeleid dat de verdachte ten tijde van de behandeling van zijn strafzaak in hoger beroep uit anderen hoofde was gedetineerd en dat dit het aan hof niet bekend was. Hieruit volgt dat de beslissing van het hof om tegen de verdachte verstek te verlenen en het onderzoek ter terechtzitting voort te zetten, achteraf bezien onjuist was en dat aldus aan het recht van de verdachte om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht is tekortgedaan. In een dergelijk geval moet de verdachte de mogelijkheid hebben om zijn zaak alsnog in hoger beroep in zijn tegenwoordigheid te doen behandelen. Dit leidt ertoe dat het bestreden arrest moet worden vernietigd en dat de zaak moet worden teruggewezen opdat deze opnieuw wordt berecht en afgedaan. Het middel is dus terecht voorgesteld.
9. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
10. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Voetnoten

1.De dagvaarding en de oproeping zijn door middel van één en dezelfde betekeningsakte betekend. De hier beschreven feitelijke gang van zaken rondom de dagvaarding geldt eveneens voor de oproeping.
2.Op de achterzijde van de betekeningsakte is (het hokje) aangekruist dat dat de verdachte op de dag van aanbieding en tenminste vijf dagen nadien als ingezetene in de basisregistratie personen was ingeschreven op het desbetreffende adres. Een SKDB informatiestaat van 5 juni 2019 ontbreekt bij de stukken. Het kan dus zijn dat de adreswijziging van 22 mei 2019 op 5 juni 2019 nog niet was opgenomen in de SKDB informatiestaat. Hoe dan ook, uit de SKDB informatiestaat van 26 juni 2019, 09:08 uur blijkt dat de verdachte vanaf 22 mei 2015 geen bekende woon- of verblijfplaats meer had en op dat tijdstip niet was gedetineerd.
3.Zie onder meer HR 10 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1759; HR 29 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:788; HR 20 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1128,