Conclusie
1.Feiten
Lengers) een motorjacht verkocht aan [betrokkene 1] (hierna:
[betrokkene 1]). Het jacht is in opdracht van Lengers gebouwd door de Italiaanse scheepsbouwer Ferretti S.p.A. (hierna:
Ferretti).
Mannheimer).
IFS) onderzoek gedaan naar de oorzaak van de brand.
[betrokkene 2]) namens IFS de brandschade onderzocht.
Imasco) eveneens onderzoek gedaan naar de brandschade. Imasco heeft in haar rapport van 11 maart 2013 [6] geconcludeerd dat de brand is ontstaan doordat handdoeken en/of kussens te dicht bij een brandende halogeenlamp in de crewcabine zijn gelegd. Deze brandoorzaak is drie jaar later ook genoemd in een e-mail van [betrokkene 1] aan Lengers van 11 maart 2016. [7]
GSM) namens Mannheimer Lengers aansprakelijk gesteld voor de brandschade en aangemaand tot betaling. De advocaat van Mannheimer heeft Lengers bij brief van 2 juli 2014 [10] wederom aansprakelijk gesteld en aangemaand tot betaling.
2.Procesverloop
primairde gestelde brandoorzaak betwist (onder verwijzing naar het deskundigenrapport van Imasco en de daarin genoemde brandoorzaak) en
subsidiairgesteld dat sprake is van productaansprakelijkheid, op grond waarvan niet de verkoper, maar enkel de producent kan worden aangesproken. Meer subsidiair heeft Lengers de gestelde schadeomvang betwist.
het hof). Onder aanvoering van zes grieven heeft zij het geschil in volle omvang aan het hof voorgelegd. Lengers heeft, voor zover in cassatie van belang, als nieuw verweer aangevoerd dat zij niet in verzuim is komen te verkeren, omdat Mannheimer haar geen gelegenheid tot herstel heeft geboden (grief 1). Lengers heeft haar primaire betwisting van de brandoorzaak (grief 4) en haar subsidiaire beroep op productaansprakelijkheid (grief 5) gehandhaafd.
de richtlijn). [18]
3.Bespreking van het principale cassatiemiddel
nr. 9). Lengers acht die toepassing onjuist althans onbegrijpelijk om drie redenen. Ten eerste heeft Lengers naar eigen zeggen geen mededeling als bedoeld in art. 6:83 onder Pro c BW gedaan. Zij heeft zich, ook in haar brief van 24 oktober 2012, nimmer uitgelaten over ‘herstel, door wie, waar en voor wiens rekening’. Uit de in rov. 4.3 van het bestreden arrest genoemde feiten volgt, aldus Lengers, evenmin dat zij niet bereid was om de schade ter plaatse in Beaulieu-sur-Mer kosteloos te herstellen. Ten derde voert Lengers aan – kennelijk in reactie op de verwijzing in rov. 4.14 naar ‘redelijkheid en billijkheid’ – dat Mannheimer geen beroep op strijd met de redelijkheid en billijkheid heeft gedaan (
nr. 10). Tegen deze achtergrond zou het hof een onjuiste dan wel onbegrijpelijke toepassing aan het leerstuk van verzuim hebben gegeven, en buiten de grenzen van de rechtsstrijd zijn getreden (
nr. 11).
verzuimis vereist, voor zover nakoming niet reeds blijvend onmogelijk is. Dit volgt uit art. 7:24 lid Pro 1, in verbinding met art. 6:74 lid 2 en Pro 6:81 e.v. BW. [21] Ingevolge art. 6:82 lid 1 BW Pro is voor het intreden van verzuim in beginsel een
ingebrekestellingvereist, dat wil zeggen een schriftelijke aanmaning waarbij een redelijke termijn voor de nakoming wordt gesteld. Indien uit de houding van de schuldenaar blijkt dat aanmaning nutteloos zou zijn, kan met een schriftelijke
aansprakelijkstellingworden volstaan (art. 6:82 lid 2 BW Pro). Art. 6:83 BW Pro omschrijft drie gevallen waarin de schuldenaar
zonder ingebrekestellingin verzuim raakt. Het hof heeft toepassing gegeven aan het derde geval (art. 6:83 onder Pro c BW), dat inhoudt dat een ingebrekestelling achterwege kan blijven indien de schuldeiser uit een
mededeling van de schuldenaarmoet afleiden dat deze in de nakoming van de verbintenis zal tekortschieten. [22]
redelijkheid en billijkheidvoortvloeien dat een ingebrekestelling achterwege kan blijven, respectievelijk dat de schuldenaar op het ontbreken daarvan geen beroep kan doen. Blijkens de wetsgeschiedenis moeten de in art. 6:82 en Pro 6:83 BW vervatte hoofdregels en uitzonderingen niet zozeer als ‘strakke regels’ worden beschouwd, maar beogen zij veeleer de rechter de mogelijkheid te geven om ‘tot een redelijke oplossing te komen naar gelang van wat in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs van hen mocht worden verwacht’. [24]
houdingvan de schuldenaar blijkt dat een aanmaning nutteloos is) en de in art. 6:83 onder Pro c BW bedoelde gevallen (waarin dit uit een
mededelingvan de schuldenaar blijkt) ‘krachteloos’ heeft gemaakt. A-G Valk onderschrijft die uitkomst en merkt op dat een mededeling als bedoeld in art. 6:83 onder Pro c BW ingevolge art. 3:37 lid 1 BW Pro ook stilzwijgend kan geschieden. Of de schuldenaar meer of minder duidelijk heeft laten merken niet te zullen nakomen, is volgens hem ‘slechts een relevant gezichtspunt en niet op voorhand doorslaggevend’. [26]
brandschadehersteld kon worden, respectievelijk of en in hoeverre Lengers zich tot herstel van die schade bereid had verklaard. [28] Het gaat erom of de brandschade kon worden weggenomen door correcte nakoming van de koopovereenkomst, oftewel door herstel van het
elektrotechnische defect(de tekortkoming). [29] Dat is niet het geval en dus behoefde Lengers ook geen termijn voor de nakoming te worden gegund. Het hierop gerichte belangverweer van Mannheimer slaagt. [30] Voor zover Lengers haar beroep op het ontbreken van een ingebrekestelling mede heeft aangevoerd ter betwisting van de
schadeomvang(vanuit de gedachte dat zij zelf de schade goedkoper kon herstellen dan de door Mannheimer genoemde derden), geldt dat het hof die betwisting heeft behandeld in rov. 4.16, waartegen in cassatie geen klachten zijn gericht.
schade door het product toegebracht aan een andere zaak” worden uitgelegd in het licht van de bewoordingen en het doel van, dus conform, de Richtlijn van de Raad van 25 juli 1985 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der Lid-Staten inzake de aansprakelijkheid voor produkten met gebreken (85/374/EEG). Voor de toepassing van deze richtlijn wordt ingevolge artikel 2 onder Pro „
produkt" verstaan elk roerend goed, ook indien het een bestanddeel vormt van een ander roerend goed. Het bedieningspaneel is zeker een bestanddeel geworden van het schip, maar dit is hier niet doorslaggevend. Volgens artikel 9, aanhef en onder b. wordt onder „
schade" in de zin van artikel 1 verstaan Pro: beschadiging of vernietiging van een andere zaak dan het gebrekkige product. [i] Naar spraakgebruik en de opvattingen in het maatschappelijk verkeer zal men het bedieningspaneel van een airco niet snel als een andere zaak aanmerken dan het schip waarin dit is ingebouwd. [ii] De richtlijn strekt bovendien volgens bijna al haar inleidende overwegingen ter bescherming van de consument. Daarmee is niet goed verenigbaar om in deze situatie aan te nemen dat het om verschillende zaken gaat. Wat als er bijvoorbeeld een gemonteerde bout zou knappen met schadelijke gevolgen voor het schip? Het gaat dan, net als in dit geval, veeleer om het onderdeel van een geleverd eindproduct dat gebreken vertoont (zie de derde overweging van de richtlijn). Wanneer verscheidene personen aansprakelijk zijn voor dezelfde schade vereist de bescherming van de consument dat de gelaedeerde zich op ongeacht wie van hen voor de volle omvang van de schade kan verhalen (zie de vierde overweging). [iii] Met artikel 7:24 lid 2 BW Pro is verder bedoeld te kanaliseren dat de consument voor gevolgschade - zie artikel 6:190 lid 1 onder Pro b. BW - de producent aanspreekt en voor transactieschade de verkoper. De hier van verkoper Lengers gevorderde schade is transactieschade. Ook in het licht daarvan valt het schip in redelijkheid niet aan te merken als een andere zaak dan het bedieningspaneel van de airco. [betrokkene 1] was dus op grond van artikel 7:24 lid 1 BW Pro gerechtigd tot schadevergoeding.” [31]
nr. 18). Toegespitst op (ii) het beschermingsdoel van de richtlijn wordt aangevoerd dat het door het hof genoemde voorbeeld van de afgebroken bout onjuist dan wel onbegrijpelijk zou zijn, evenals de verwijzingen naar de considerans van de richtlijn (
nr. 19). Verder wordt geklaagd over (iii) de door het hof aan art. 7:24 lid 2 BW Pro gegeven toepassing en meer concreet het oordeel dat sprake is van ‘transactieschade’, waarvoor de koper aansprakelijk is (
nr. 20-22). Het hof zou hebben miskend dat alleen de schade aan het gebrekkige product zelf, dat wil zeggen het defecte bedieningspaneel van de airconditioning, als transactieschade heeft te gelden. De door het bedieningspaneel veroorzaakte schade aan het schip zou ‘productschade’ zijn, waarvoor ingevolge het bepaalde in art. 7:24 lid 2 BW Pro de producent exclusief aansprakelijk is (
nr. 23).
De regeling inzake productaansprakelijkheid
doorhet product wordt toegebracht aan personen of aan (andere) zaken. Hiervan moet worden onderscheiden de zogenaamde ‘transactieschade’. Dat is schade die
aanhet product zelf ontstaat door de gebrekkigheid ervan. Van oudsher wordt dit type schade niet tot het terrein van de productaansprakelijkheid gerekend, maar tot dat van het kooprecht. [35] Art. 13 van Pro de richtlijn bepaalt dienovereenkomstig dat de richtlijn het recht inzake contractuele aansprakelijkheid onverlet laat, evenals de algemene regels inzake buitencontractuele aansprakelijkheid (zoals voor het Nederlandse recht de schuldaansprakelijkheid van de producent op grond van art. 6:162 BW Pro). De richtlijn voorziet in een risicoaansprakelijkheid voor gebrekkige producten. De richtlijn laat, tenzij anders vermeld, [36] binnen haar toepassingsgebied geen afwijkende regels toe. [37] Tegen deze achtergrond wordt aangenomen dat de richtlijn weliswaar een
volledige harmonisatieheeft bewerkstelligd maar dat dit alleen [38] zo is voor het terrein van de risicoaansprakelijkheid voor gebrekkige producten. [39]
productis in art. 6:187 lid 1 BW Pro omschreven als ‘een roerende zaak, ook nadat deze een bestanddeel is gaan vormen van een andere roerende of onroerende zaak’ (vgl. art. 2 van Pro de richtlijn). De productaansprakelijkheid heeft aldus mede betrekking op producten die in goederenrechtelijke zin – als zaak – hun zelfstandigheid hebben verloren. Uit het hierna te bespreken art. 6:187 lid 2 BW Pro wordt afgeleid dat de aansprakelijkheid nog verder reikt, namelijk ook gebrekkige grondstoffen en onderdelen omvat die na verwerking in het eindproduct geheel verdwijnen (zoals conserveringsmiddelen en lijm). Tegen deze achtergrond wordt aangenomen dat het begrip ‘bestanddeel’ in art. 6:187 lid 1 BW Pro een ruimere betekenis heeft dan het gangbare goederenrechtelijke begrip. [41] De considerans bevestigt, toegespitst op onroerende zaken (die geen producten in de zin van de richtlijn zijn), dat de aansprakelijkheid ook dient te gelden voor roerende zaken die bij de bouw van onroerende zaken ‘worden gebruikt of daarvan een bestanddeel vormen’. [42]
producentis in art. 6:187 lid 2 BW Pro omschreven als ‘de fabrikant van een eindprodukt, de producent van een grondstof of de fabrikant van een onderdeel’ (vgl. art. 3 van Pro de richtlijn). Blijkens de considerans van de richtlijn staat deze ruime omschrijving in het teken van de bescherming van de consument, die vereist dat ‘alle deelnemers aan het produktieproces aansprakelijk zijn’, en dat de gelaedeerde zich ‘op ongeacht wie van hen voor de volle omvang van de schade kan verhalen’. [43] Art. 6:189 BW Pro bepaalt dienovereenkomstig dat, indien verschillende personen op grond van art. 6:185 BW Pro aansprakelijk zijn voor dezelfde schade, ‘elk hunner voor het geheel aansprakelijk’ is (vgl. art. 5 van Pro de richtlijn). De producenten van de in een gebrekkig eindproduct verwerkte grondstoffen en onderdelen zijn dus, met de producent van het eindproduct,
hoofdelijk verbondenvoor de gehele productschade. Wel bevat art. 6:185 lid 1 onder Pro f BW een disculpatiegrond ten behoeve van producenten van grondstoffen en onderdelen: zij kunnen zich van aansprakelijkheid bevrijden door te bewijzen dat het gebrek is te wijten aan ‘het ontwerp van het product waarvan de grondstof of het onderdeel een bestanddeel vormt, dan wel aan de instructies die door de fabrikant van het product zijn verstrekt’ (vgl. art. 7 onder Pro f van de richtlijn).
schadeop grond van art. 6:185 BW Pro voor vergoeding in aanmerking komt. Het gaat om de eerder genoemde productschade, te weten (a) ‘schade door dood of lichamelijk letsel’ en (b) ‘schade door het product toegebracht aan een andere zaak’. Dit komt overeen met art. 9 van Pro de richtlijn dat, voor zover hier van belang, als volgt luidt:
Veedfald-arrest uit 2001 heeft het Hof van Justitie zich terughoudend opgesteld op dit punt. Het ging in die zaak om een niertransplantatie die mislukte door het gebruik van een gebrekkige infusievloeistof. Eén van de prejudiciële vragen was of het gemeenschapsrecht eisen stelt aan de afbakening door de lidstaten van het begrip ‘beschadiging of vernietiging van een andere zaak dan het gebrekkige product’, als bedoeld in art. 9 onder Pro b van de richtlijn. Het antwoord luidde dat de lidstaten geen beperkingen mogen stellen aan de ingevolge art. 9 te Pro vergoeden
categorieënvan schade (afgezien van de beperkingen die het artikel zelf noemt of toelaat), maar dat de ‘vaststelling van de precieze inhoud van beide categorieën van schade voor het overige aan de nationale wetgever is overgelaten’. Wel stelde het Hof van Justitie daarbij als randvoorwaarden dat er voor beide categorieën van schade moet worden voorzien in een ‘billijke en volledige vergoeding’, dat de toepassing van nationale regels ‘geen afbreuk [mag] doen aan het nuttig effect van de richtlijn’ en dat de nationale rechter het nationale recht moet ‘uitleggen in het licht van de bewoordingen en het doel van de richtlijn’. [48] Sieburgh leidt uit deze overwegingen af dat het Hof van Justitie de uitleg van het schadebegrip ‘niet geheel aan de nationale rechtsstelsels wil overlaten’. [49] Zij wijst in dit verband op een arrest uit 2015, waarin het Hof van Justitie oordeelde dat onder letselschade als bedoeld in de richtlijn ook is te begrijpen schade veroorzaakt door een chirurgische ingreep ter vervanging van een gebrekkig product, te weten een pacemaker of defibrillator. [50]
schade aan het gebrekkige product zelfbuiten het bereik van de productaansprakelijkheid valt. [53] De concrete invulling hiervan kan vragen oproepen in de context van samengestelde producten, zoals deze zaak illustreert.
explanatory memorandum’ van de Commissie bij het oorspronkelijke richtlijnvoorstel uit 1976 (dat geen formele interpretatieve status heeft) vermeldt (mijn onderstreping):
damaged or destroyed in its entirety as a result of defects in part of it, is normally governed in the laws of all the Member States
by the law relating to the sale of goods. This field is
not affected by the directive. If for reasons connected with the protection of consumers the need arises to improve the legal position of the purchaser of a defective article vis-a-vis its seller or to improve his rights of action against the producer, this can be achieved under the legal systems of the Member States in which the need shows itself. In so far as it is necessary for the functioning of the common market, it could be achieved by approximating the law relating to standard form contracts.” [56]
for the loss of or any damage to the product itself or for the loss of or any damage to the whole or any part of any product which has been supplied with the product in question comprised in it’. [57] Ook in Duitsland gaat de heersende leer ervan uit dat de schade die door een gebrekkig productonderdeel wordt toegebracht aan een eindproduct buiten het bereik van de richtlijn valt. [58] De Duitse
schuldaansprakelijkheidvoor gebrekkige producten (die niet door de richtlijn wordt beheerst) strekt zich wél mede uit tot schade die door een gebrekkig productonderdeel is toegebracht aan een eindproduct, mits die schade niet ‘
stoffgleich’ is aan het gebrek. In dat geval wordt gesproken van ‘
Weiterfressermängel’ (voortwoekerende gebreken), waarvoor alleen de verkoper aansprakelijk is. [59]
nietop grond van art. 6:185 e.v. BW voor vergoeding in aanmerking komt. Het lijkt mij overigens niet uitgesloten dat hierover in voorkomende gevallen anders kan worden gedacht. Zou de kombuis van een privéjacht bijvoorbeeld worden beschadigd door een gebrekkig functionerend inbouwapparaat (een magnetron, koelkast, vaatwasser), dan ligt de gedachte dat sprake is van schade aan een ‘andere zaak’ dan het gebrekkige inbouwapparaat wellicht meer voor de hand. Voor het stellen van prejudiciële vragen over deze materie aan het Hof van Justitie zie ik evenwel geen aanleiding, enerzijds vanwege de bijzondere juridische context en anderzijds vanwege de bijzondere feitenconstellatie van deze zaak. Ter discussie staat immers de toepassing van de zuiver nationale kanalisatiebepaling van art. 7:24 lid 2 BW Pro, die de contractuele aansprakelijkheid van de verkoper beheerst. Die aansprakelijkheid valt buiten het toepassingsgebied van de richtlijn (zie hiervoor nr. 3.16).
verkochte zaakals gevolg van non-conformiteit is beschadigd, is sprake van transactieschade die de verkoper dient te vergoeden. Ook daarom – en dus daargelaten de reikwijdte van art. 6:190 BW Pro – is voor kanalisatie in de richting van de producent in deze zaak geen plaats.
4.Bespreking van het voorwaardelijk incidentele cassatiemiddel
Klacht 1voert aan dat het hof als ‘vertrekpunt’ had moeten hanteren dat het bedieningspaneel van de airconditioning ingevolge art. 3:4 of Pro art. 8:1 lid 3 BW Pro een bestanddeel vormde van het jacht. Reeds daarom had het hof ‘in beginsel’, behoudens bijzondere door Lengers te stellen omstandigheden, moeten oordelen dat het jacht geen ‘andere zaak’ is in de zin van art. 6:190 lid 1 onder Pro b BW.
Klacht 2is van gelijke strekking. Geklaagd wordt dat het hof heeft miskend dat het jacht ingevolge art. 8:1 lid 3 BW Pro één geheel vormt met het bedieningspaneel als scheepsbestanddeel en dat het jacht mitsdien niet is aan te merken als een ‘andere zaak’ in de zin van art. 6:190 lid 1 onder Pro b BW. Althans zou het hof hebben miskend dat de kwalificatie van het bedieningspaneel als scheepsbestanddeel in dit verband een ‘belangrijk gezichtspunt’ is. De toelichting bij de klacht verduidelijkt dat het hof niet had behoren ‘terug te vallen op art. 3:4 BW Pro’ (zoals Mannheimer afleidt uit de verwijzing naar ‘spraakgebruik en de opvattingen in het maatschappelijk verkeer’). [73]