Conclusie
[eiser]) is door overdracht eigenaar geworden van een perceel grond. [eiser] pretendeert daarmee tevens een recht van erfdienstbaarheid van weg te hebben verkregen ten laste van het naastgelegen perceel van verweerder (hierna:
[verweerder]). Het hof honoreert echter het verweer van [verweerder] dat de erfdienstbaarheid in het verleden door vermenging is tenietgegaan (art. 3:81 lid 2 BW Pro) en verwerpt het beroep van [eiser] op de relatieve werking van die vermenging jegens een van zijn rechtsvoorgangers (een executerende hypotheekhouder, art. 3:81 lid 3 BW Pro). Wel heeft het hof een noodweg vastgesteld over het perceel van [verweerder] . In cassatie klaagt [eiser] dat het hof de stelplicht en bewijslast ter zake van het recht van erfdienstbaarheid ten onrechte op hem heeft gelegd. Ook wordt geklaagd dat het hof door de beoordeling van het vermengingsverweer buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden. Volgens [eiser] heeft het hof voorts ten onrechte zijn beroep op derdenbescherming ex art. 3:23 en Pro 3:24 BW verworpen. Tot slot wordt opgekomen tegen het vastgestelde tracé van de noodweg.
1.Feiten
[001] , [002] en [003]).
De akte bevat onder meer de volgende bepalingen:
“
Artikel 3a. De feitelijke levering (aflevering) van het verkochte vond plaats op één januari negentienhonderd vijfennegentig.(...)Artikel 61. (…) Deze levering is geschied in het kader van de bedrijfsbeëindiging per eenendertig december negentienhonderd vierennegentig door de verkoper terwijl de koper het bedrijf voortzet.(…)5. (…) a. Partijen verklaarden dat niet in de overdracht is begrepen een gedeelte van het kadastrale perceel der gemeente [plaats] [sectie] nummer [003] (…). Deze onroerende zaken worden door de koper gepacht van de verkoper/verpachter.(…)”
[004]).
Het gedeelte van perceel [003] dat niet in februari 1995 is geleverd aan [verweerder] is, eveneens op 31 oktober 1995, vernummerd tot [plaats] , [sectie] , nummer [005] (hierna:
[005]).
De transportakte bevat onder meer de volgende bepalingen:
“
Verkoper heeft blijkens een met koper aangegane overeenkomst van verkoop en koop, aan partijen voldoende bekend, aan koper verkocht en levert op grond daarvan aan koper, die blijkens voormelde overeenkomst van verkoper heeft gekocht en bij deze aanvaardt:(…)A. (…)B. Perceel cultuurgrond (…) kadastraal bekend gemeente [plaats] [sectie] nummer [005] ,(…)Artikel 3a. De feitelijke levering/aflevering van het verkochte vond plaats op één januari negentienhonderd vijfennegentig.(…)Artikel 7Aan verkoper zijn geen (…) erfdienstbaarheden (…) met betrekking tot het verkochte bekend.
[006]), dat eigendom is gebleven van [verweerder] .
SNS) als hypotheekhouder [4] ten laste van [verweerder] de openbare executieveiling van, onder meer, perceel [006] aangekondigd. In plaats daarvan heeft een onderhandse verkoop van perceel [006] plaatsgevonden aan [betrokkenen 3 + 4] (hierna:
[betrokkenen 3 + 4]). Deze transactie is neergelegd in een schriftelijke koopovereenkomst d.d. 24 november 2015, die bij beschikking van de voorzieningenrechter van de Rechtbank Oost-Brabant d.d. 22 januari 2016 is goedgekeurd.
Deze erfdienstbaarheid van weg had perceel [006] als heersend erf en was gevestigd ten laste van het bij de ouders van [verweerder] in eigendom verblijvende gedeelte van perceel [003] (thans perceel [005] ) als dienend erf.
De akte bevat onder meer de volgende bepalingen:
“ -----
thans te vestigen erfdienstbaarheid/heden.-----Artikel 8a. Ten laste van een aan de verkoper nog in eigendom verblijvende strook grond als dienend erf, zijnde een gedeelte van het kadastrale perceel der gemeente [plaats] , [sectie] nummer [003] , en ten behoeve van het door de koper gekochte gedeelte van het perceel der gemeente [plaats] , [sectie] nummer [003] en de kadastrale percelen der gemeente [plaats] [sectie] , nummers [001] en [002] en (...) als heersend erf, wordt bij deze gevestigd een erfdienstbaarheid van weg om te komen en te gaan van en naar het heersende erf naar en van de openbare weg ( [a-straat] ).b. (…)c. Terzake van deze erfdienstbaarheden zal het navolgende gelden:de erfdienstbaarheid van weg zal mogen worden gebruikt ten behoeve van het op het heersend erf uitgeoefende landbouwbedrijf, om daarover te voet te gaan of per rijwiel, motorrijwiel, auto, wagen, vrachtwagen, landbouwwagen of ander vervoermiddel in de ruimste zin des woords te rijden, zulks niet alleen door de eigenaar of de huurders van het heersend erf maar tevens door diens bedrijfspersoneel of leveranciers.”
Rabobank) en ten laste van [verweerder] een recht van hypotheek gevestigd op (onder meer) de percelen [001] , [002] en [003] (gedeeltelijk).
ING) en ten laste van [verweerder] een hypotheekrecht is gevestigd op, onder meer, de percelen [004] en [005] .
2.Procesverloop
primairveroordeling van [verweerder] tot het respecteren van de erfdienstbaarheid van weg en het ongedaan maken van alle blokkades/belemmeringen, met machtiging van [eiser] om deze blokkades/belemmeringen zelf te verwijderen als [verweerder] niet aan de veroordeling voldoet;
vermenging. [16]
art. 3:81 lid Pro 3, eerste zin, BW). Het recht van erfdienstbaarheid is dus door SNS aan [betrokkenen 3 + 4] en vervolgens door dezen aan [eiser] overgedragen, aldus [eiser] . [17] Voorts heeft hij zich beroepen op
derdenbeschermingop de voet van art. 3:24 BW Pro. [18]
of [verweerder] tussen het moment van verkrijging van de percelen (…) [005] en [006] , tot en met 1 juli 2002 op enig moment onbezwaard eigenaar is geweest van beide percelen.”
met terugwerkende krachtalsnog in eigendom aan hem zijn geleverd en dat met terugwerkende kracht dus nooit een erfdienstbaarheid tot stand is gekomen, dan wel dat de erfdienstbaarheid in ieder geval per 9 maart 1998 met terugwerkende kracht is geëindigd. [20]
in conventie[verweerder] veroordeeld het recht van erfdienstbaarheid te respecteren en blokkades/belemmeringen op te heffen, met machtiging van [eiser] om deze zelf op te heffen als [verweerder] dat niet doet, met veroordeling van [verweerder] in de daarmee gemoeide kosten. Ook is [verweerder] veroordeeld tot betaling van de gevorderde schadevergoeding ad EUR 753,78. De vorderingen
in reconventiezijn afgewezen.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1is gericht tegen het oordeel van het hof dat de stelplicht en bewijslast ter zake van het recht van erfdienstbaarheid rusten op [eiser] (rov. 6.3.3).
Onderdeel 2keert zich tegen het oordeel dat het beroep van [verweerder] op vermenging moet worden gehonoreerd en dat zijn grief III slaagt (rov. 6.4.2 t/m 6.4.5).
Onderdeel 3komt op tegen de verwerping van het beroep van [eiser] op de bescherming van de artikelen 3:23 en 3:24 BW (rov. 6.4.3). Tot slot richt
onderdeel 4zich tegen de vaststelling van het tracé van de aangewezen noodweg (rov. 6.6.5).
nietopgekomen tegen de oordelen van het hof als zodanig (i) dat het recht van erfdienstbaarheid op 11 maart 1998 als gevolg van vermenging is tenietgegaan (rov. 6.4.2), en (ii) dat art. 3:81 lid Pro 3, eerste zin, BW meebrengt dat dit tenietgaan van het recht van erfdienstbaarheid mede werking heeft jegens ‘nieuwere hypotheekhouder’ SNS, ten behoeve van wie op 1 juli 2002 (na de vermenging) een recht van hypotheek op perceel [006] werd gevestigd (rov. 6.4.3). [25]
ten eersteeen rechtsklacht tegen het oordeel dat
[eiser] moet stellen en bewijzendat [006] een heersend erf is wat betreft een daarop rustende erfdienstbaarheid van weg ten laste van [005] , en dat [verweerder] geen bevrijdend verweer voert (procesinleiding, p. 5, voorlaatste tekstblok). Daartoe wordt aangevoerd, kort samengevat, (i) dat vast staat dat bij akte van 8 februari 1995 een erfdienstbaarheid van weg is gevestigd ten gunste van [006] en ten laste van [005] , en (ii) dat in de uitleg van het hof zelf (rov. 6.3.1) [verweerder] als verweer heeft aangevoerd dat er nooit een erfdienstbaarheid van weg ten gunste van [006] heeft bestaan omdat deze erfdienstbaarheid na haar vestiging op 8 februari 1995 teniet is gegaan doordat het dienende erf [005] met terugwerkende kracht tot 1 januari 1995 werd geleverd aan [verweerder] , die toen al eigenaar van [006] was. Dit is een
bevrijdendverweer, ter zake waarvan de stelplicht en bewijslast op [verweerder] rusten, aldus het onderdeel (procesinleiding, nrs. 7-9).
terugwerkende kracht-verweer. Weliswaar komt dit verweer er per saldo op neer dat, zoals het hof vaststelt, (uit de ingeschreven akten zou blijken dat) “er géén erfdienstbaarheid rust op de betrokken percelen” (rov. 6.3.3), maar de kennelijke kwalificatie van dat verweer als louter feitelijke betwisting van het bestaan van een erfdienstbaarheid miskent dat [verweerder] , uitgaande van vestiging van de erfdienstbaarheid bij akte van 8 februari 1995, zich beroept op een later – zelfstandig – rechtsfeit met eigen rechtsgevolg dat alsnog aan het bestaan van die erfdienstbaarheid in de weg zou staan: de overdracht met terugwerkende kracht tot 1 januari 1995 van perceel [005] aan [verweerder] . [27] Dit kwalificeert als een bevrijdend verweer. [28]
buiten de grenzen van de rechtsstrijdis getreden. Daartoe wordt aangevoerd dat het verweer van [verweerder]
nietheeft ingehouden (i) dat de erfdienstbaarheid van weg op 11 maart 1998 door vermenging is tenietgegaan, noch (ii) dat hypotheekhouder SNS niet de bescherming van art. 3:81 lid Pro 3, eerste zin, BW geniet. In hoger beroep (meer specifiek: grief III) heeft [verweerder] uitsluitend het verweer gevoerd dat de erfdienstbaarheid geacht moet worden nooit te hebben bestaan omdat perceel [005] met terugwerkende kracht tot 1 januari 1995 aan hem is overgedragen. Het hof had grief III – evenals grief II waarop deze voortbouwt – moeten laten falen, aldus het onderdeel.
primaire’standpunt van [verweerder] dat, kort gezegd, de levering met terugwerkende kracht van [005] tot gevolg heeft dat geen sprake kan zijn van een erfdienstbaarheid. Het hof beoordeelt dit standpunt / deze grief II in rov. 6.3.1-6.3.4 (onder de kop ‘Eigendomsoverdracht met terugwerkende kracht?’) en komt tot een verwerping.
subsidiaireverweer gelezen dat de (in 1995 gevestigde) erfdienstbaarheid per 11 maart 1998 ex nunc en met werking tegen derden (SNS) door vermenging is tenietgegaan. Het heeft dit verweer beoordeeld in rov. 6.4.1-6.4.5 (onder de kop ’Erfdienstbaarheid?’) en is tot het oordeel gekomen dat dit slaagt.
Hierop stuit ook het beroep op de artikelen 3:23 en 3:24 BW af.” (curs. A-G)
eerstewordt geklaagd dat het hof in rov. 6.4.3 is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat het beroep van [eiser] op de artikelen 3:23 en 3:24 BW afstuit op het feit dat in de openbare registers zichtbaar was dat beide percelen in één hand waren. In de kern wordt aangevoerd dat aan een beroep op deze artikelen niet de voorwaarde kan worden gesteld dat [eiser] , als verkrijger van perceel [006] , in de openbare registers onderzoek heeft gedaan naar de rechtstoestand van het naastgelegen perceel [005] . Dat zou onverenigbaar zijn met art. 3:24 BW Pro, welke bepaling een verkrijger als [eiser] nu juist beschermt tegen de niet-inschrijving van tenietgaan door vermenging, aldus het middel (procesinleiding, nrs. 17-18).
nietberoepen op goede trouw voor zover hij bepaalde (krachtens art. 3:17 BW Pro inschrijfbare) feiten door raadpleging van de openbare registers zou hebben gekend.
C. [eiser] geniet als (derde)verkrijger bescherming
B. [eiser] geniet als (derde-)verkrijger bescherming
tegenwerpingvan (wel) ingeschreven feiten aan degene die zich in het kader van een beroep op goede trouw op
onbekendheiddaarmee beroept. [40] Reeds daarom kan de rechtsklacht met betrekking tot
art. 3:23 BW Proniet tot cassatie leiden.
art. 3:24 BW Prois eveneens tevergeefs voorgesteld.
rechtsgevolgvan de levering waardoor het heersende en het dienende perceel in één hand kwamen. De omstandigheid dat die levering is ingeschreven en dat daardoor het tenietgaan van de erfdienstbaarheid uit de openbare registers kan worden afgeleid, maakt begrijpelijk dat vermenging geen inschrijfbaar feit is. [43]
tweedeklacht van onderdeel 3 berust op de lezing dat de bestreden overweging alleen betrekking heeft op
hypotheekhouder SNSen luidt dat de verwerping van [eiser] beroep op de artikelen 3:23 en 3:24 BW onbegrijpelijk is, omdat het hof dan is voorbijgegaan aan het standpunt van [eiser] dat het tenietgaan van de erfdienstbaarheid als gevolg van vermenging niet aan
hemkan worden tegengeworpen (procesinleiding, nr. 19).
derde klachtricht zich tegen rov. 6.4.5, voorzover het hof daarin heeft geoordeeld:
hem, [eiser] , kan worden tegengeworpen, omdat ten tijde van
zijnverkrijging van [006] uit de openbare registers bleek van een erfdienstbaarheid ten laste van [005] (procesinleiding, nr. 20).
Deze stellingen zijn door [eiser] (ook in hoger beroep) niet betwist.
eerste klachtis, zo begrijp ik, onbegrijpelijk dat het hof heeft vastgesteld dat [eiser] niet heeft betwist de stelling van [verweerder] “
dat hij over een breedte van 5 meter bomen heeft gekapt voor de eventuele aanleg van een alternatieve noodweg”. Volgens [eiser] heeft hij die stelling wel betwist.
“ [eiser] verklaart:
De gestelde alternatieve noodweg is niet passend. Die kun je alleen te voet begaan. Met de fiets lukt dat al niet.”
IV. [verweerder] blijft de toegang voor [eiser] blokkeren
( [verweerder] heeft overigens ook – zie de foto’s – geen alternatief pad/toegang gecreëerd).[eiser] heeft zich daarop maar weer tot de politie gewend (…)” (curs. A-G)
tweede klacht(procesinleiding, nr. 25) betreft een voortbouwklacht, die zich richt tegen rov. 6.7.2 van het hof. Deze klacht faalt reeds wegens het falen van de eerste klacht.
door het kappen van bomen.” (curs. A-G).