ECLI:NL:PHR:2021:452

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
9 maart 2021
Publicatiedatum
7 mei 2021
Zaaknummer
19/02889
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 27a SrArt. 437 lid 2 Sv
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens niet-indienen middelen in zaak medeplegen Opiumwet

Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaren wegens medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met artikel 2 onder Pro A van de Opiumwet, meermalen gepleegd, en deelneming aan een criminele organisatie. Het cassatieberoep werd ingesteld, maar verdachte heeft geen schriftuur houdende middelen van cassatie ingediend binnen de wettelijke termijn.

De procureur-generaal bij de Hoge Raad concludeert dat verdachte daarom niet in zijn cassatieberoep kan worden ontvangen op grond van artikel 437 lid 2 Sv Pro. Er bestaat samenhang met andere straf- en ontnemingszaken van medeverdachten, maar deze conclusie betreft specifiek het niet-ontvankelijk verklaren van verdachte.

De Hoge Raad volgt deze conclusie en verklaart het cassatieberoep van verdachte niet-ontvankelijk, waardoor de uitspraak van het hof ongewijzigd blijft.

Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn cassatieberoep wegens het niet indienen van middelen van cassatie.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer19/02889
Zitting9 maart 2021

CONCLUSIE

D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960,
hierna: de verdachte.
1. Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft bij arrest van 3 juni 2019 de verdachte wegens 1. “
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro A van de Opiumwet gegeven verbod”, 2. “
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd” en 3. “
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren met aftrek van voorarrest als bedoeld in artikel 27(a) Sr.
2. Er bestaat samenhang met de straf- en ontnemingszaken van de medeverdachten (19/02826, 19/02828 P, 19/02887 en 19/02888 P). In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Namens de verdachte is geen schriftuur houdende middelen van cassatie ingediend.
4. Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, kan hij ingevolge artikel 437 lid 2 Sv Pro niet in zijn cassatieberoep worden ontvangen.
5. Deze conclusie strekt ertoe dat de verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn cassatieberoep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG