Primair heeft de verdediging het in eerste aanleg gevoerde verweer herhaald dat verdachte van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde moet worden vrijgesproken. Daartoe is aangevoerd dat het horloge, merk Rolex, en het geldbedrag (totaal ongeveer 74.757,96 euro) niet uit enig misdrijf afkomstig zijn. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft verdachte over het horloge verklaard dat hij dit voor iemand uit Amsterdam in consignatie had maar hier verder geen mededelingen over wilde doen. Het geldbedrag zou verdachte bij elkaar hebben gespaard van inkomsten uit zijn handel in onder meer antiek en auto’s. Verdachte zou dit geld al in 2002 hebben gespaard.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Het hof stelt voorop dat of een voorwerp "afkomstig is uit enig misdrijf', indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen kan worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Het is daarbij aan het openbaar ministerie bewijs aan te dragen van dergelijke feiten en omstandigheden.
Indien de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat zo een verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.
Indien de verdachte voormelde verklaring geeft, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. De rechter zal dan mede op basis van de resultaten van dat onderzoek moeten beoordelen of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
Indien een dergelijke verklaring uitblijft, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn overwegingen omtrent het bewijs.
In het licht van deze vooropstelling, stelt het hof het navolgende vast.
Uit observatie bleek dat zowel verdachte als zijn partner, de medeverdachte [medeverdachte] , regelmatig worden gezien wanneer zij het adres [a-straat 1] te [plaats] betreden en verlaten.
Uit een inschrijving bij de Kamer van Koophandel is gebleken dat [medeverdachte] , eigenaar is van een eenmanszaak genaamd “ [A] ”, gevestigd op voornoemd adres.
Op 25 juni 2012 heeft een doorzoeking ter inbeslagneming plaatsgevonden in de woning/winkel [a-straat 1] te [plaats] . Daarbij is een grote hoeveelheid contant geld (totaalbedrag 74.757,96 euro) in diverse valuta’s (Euro’s, Deense Kronen, HongKong Dollars, Argentijnse Pesos, Thaise Bath en Litas) aangetroffen. Verder werd een Rolex-horloge inbeslaggenomen waarvan - na onderzoek - werd vastgesteld dat dit in Zwitserland contant was aangekocht en een geschatte waarde had van € 5.000,-.
Bij de politie heeft verdachte omtrent het horloge verklaard dat hij dit in commissie had en dat het aangetroffen geld, deels van hem was en deels van derden maar dat hij daarvoor verantwoordelijk was. Ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep heeft verdachte met betrekking tot het horloge hetzelfde verklaard als bij de politie en heeft hij wederom niet de naam willen noemen van de persoon voor wie hij het horloge in consignatie had maar dat het een persoon uit Amsterdam was. Ter zake het aangetroffen geld heeft verdachte verklaard dat dit van hem was en dat dit afkomstig was uit de auto- en antiekhandel.
Omtrent de legale inkomsten en het vermogen van verdachte [verdachte] blijkt uit het dossier dat hij in verband met zijn aanhouding en detentie vanaf 2002 tot 2009 geen legale inkomsten heeft genoten. Bij de belastingdienst is 2009 en 2010 alleen bekend dat veroordeelde in 2009 een loon heeft ontvangen van € 593,- en in 2010 was dit nihil.
Met betrekking tot het vermogen van veroordeelde zijn over de jaren 2003 tot en met 2006 geen gegevens meer bekend omtrent het voordeel uit sparen en beleggen. Over het jaar 2008 is door veroordeelde geen opgave gedaan. Over de jaren 2007, 2009 en 2010 bedroegen de eindsaldi omtrent voordeel uit sparen en beleggen respectievelijk: € 593,-, € 3.242,- en € 2.619,-.
Het hof leidt uit het vorenstaande af dat verdachte een groot geldbedrag van € 74.757,96 in diverse valuta voorhanden heeft gehad. Verdachte heeft immers verklaard dat het geldbedrag van hem was en dat hij daarvoor verantwoordelijk was. Ten aanzien van het aangetroffen Rolex-horloge is het hof eveneens van oordeel dat verdachte dit voorhanden heeft gehad. Het hof hecht geen geloof aan de enkele niet nader onderbouwde verklaring van verdachte dat hij dit horloge voor een persoon uit Amsterdam in consignatie had.
Het enerzijds voorhanden hebben van een groot geldbedrag en een duur Rolex-horloge en anderzijds de door het openbaar ministerie aangedragen gegevens van de belastingdienst waaruit - kort gezegd - volgt dat verdachte in de periode van 2002 tot en met 2010 nauwelijks legale inkomsten en vermogen heeft gehad rechtvaardigen naar het oordeel van het hof het vermoeden dat het niet anders kan zijn dan dat die voorwerpen uit enig misdrijf afkomstig zijn. In dat verband mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.
Verdachte heeft niet meer verklaard dan dat hij inkomsten uit de handel in antiek en auto’s heeft gehad en dat hij van die inkomsten in 2002 had gespaard, zonder enige nadere (financiële) onderbouwing. Het hof is van oordeel dat deze verklaring van verdachte niet is aan te merken als een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring is waaruit zou moeten worden afgeleid dat genoemde voorwerpen niet van enig misdrijf afkomstig zijn.
Gelet hierop verwerpt het hof het verweer van de verdediging dat de onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde voorwerpen niet van enig misdrijf afkomstig zijn.
(…)
Ten aanzien van feit 2
(…)
Restant geldbedrag van € 3.615,-
Op dezelfde gronden als hiervoor ten aanzien van feit 1 ingenomen heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat het (restant-) geldbedrag van € 3.615,- een legale herkomst heeft en afkomstig is uit de inkomsten van - kort gezegd - de handel van verdachte.
Het hof heeft vorenstaand standpunt van de verdediging ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde verworpen en zal dit ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde eveneens op dezelfde gronden verwerpen.
Kort gezegd is het hof van oordeel dat, gelet op de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat verdachte in de periode tussen 2002 en 2010 nauwelijks inkomen en vermogen heeft gehad, mag worden verlangd dat verdachte een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het aangetroffen geldbedrag niet van misdrijf afkomstig is.
De enkele niet nader onderbouwde verklaring van verdachte dat dit geld afkomstig is uit - kort gezegd - de handel kan niet als een dergelijke verklaring gelden.
Het hof overweegt daarbij dat uit het dossier noch anderszins is gebleken dat het legale inkomen en vermogen van verdachte in de periode tussen 2010 en 2014 wezenlijk anders zijn geweest dan het openbaar ministerie heeft vastgesteld over de periode van 2002 tot en met 2010.
Gelet hierop is het hof van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat het bij verdachte aangetroffen geldbedrag van € 3.615,- van enig misdrijf afkomstig is. Het hof betrekt bij dit oordeel tevens de hoeveelheid en de kleine coupures waaruit het aangetroffen geldbedrag bestond, hetgeen eveneens een aanwijzing oplevert voor het van enig misdrijf afkomstig zijn van het aangetroffen geldbedrag. Het andersluidende verweer van de verdediging wordt verworpen.”