ECLI:NL:PHR:2021:498

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
30 maart 2021
Publicatiedatum
21 mei 2021
Zaaknummer
19/03735
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 27a SrArt. 435 SvArt. 437 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring verdachte wegens niet tijdig indienen cassatiemiddelen

De verdachte is door het Gerechtshof Amsterdam veroordeeld tot een gevangenisstraf van 3 jaar en 11 maanden wegens diefstal met geweld, poging tot diefstal met valse sleutels en deelname aan een criminele organisatie. Het hof legde tevens maatregelen op zoals bewaring van inbeslaggenomen goederen en een schadevergoedingsmaatregel.

Tegen dit arrest stelde de verdachte cassatie in. De aanzegging van het cassatieberoep werd op 18 december 2019 betekend. Echter, binnen de wettelijk voorgeschreven termijn van zestig dagen na aanzegging werd geen schriftuur met cassatiemiddelen ingediend namens de verdachte.

De Procureur-Generaal concludeerde daarom tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het cassatieberoep. De Hoge Raad volgde deze conclusie en verklaarde het cassatieberoep niet-ontvankelijk, waardoor het arrest van het hof ongewijzigd blijft.

Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens niet tijdig indienen van cassatiemiddelen.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer19/03735
Zitting30 maart 2021 (bij vervroeging)

CONCLUSIE

B.F. Keulen
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976,
hierna: de verdachte.
De verdachte is bij arrest van 1 augustus 2019 door het Gerechtshof Amsterdam wegens in zaak A onder 1. ‘diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen’, in zaak A onder 3. ‘poging tot diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels’ en in zaak B onder 2. ‘deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven’ veroordeeld tot 3 jaren en 11 maanden gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27(a) Sr. Het hof heeft voorts de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van inbeslaggenomen en nog niet teruggeven voorwerpen gelast, een vordering van een benadeelde partij toegewezen en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Het hof heeft twee andere benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaard in hun vordering tot schadevergoeding.
Er bestaat samenhang met zaak 19/03630. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. De aanzegging als bedoeld in art. 435, eerste lid, Sv is op 18 december 2019 betekend. Namens de verdachte is niet binnen zestig dagen nadien een schriftuur, houdende middelen van cassatie ingediend.
4. Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, kan hij ingevolge art. 437, tweede lid, Sv niet in zijn cassatieberoep worden ontvangen.
5. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het ingestelde cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG