Conclusie
1.Feiten en procesverloop
Het gehuurde, bestemming
van de soort als waarop de overeenkomst betrekking […] heeft’’, is niet opgenomen in deze contractuele bepaling. Of sprake is van een ‘gebrek’ dient dus subjectief te worden beoordeeld, waardoor beslissend is wat de Stichting op grond van deze huurovereenkomst mocht verwachten. Nu medewerkers van de Stichting het gehuurde voor het sluiten van de huurovereenkomst enkele malen hebben bezocht, kan niet worden gezegd dat de Stichting in redelijkheid meer vierkante meters kon verwachten dan het gehuurde in werkelijkheid omvatte (waarbij in het midden kan blijven of de Stichting bij het huurcontract een kadastrale tekening met betrekking tot het gehuurde heeft ontvangen). Het verweer dat de Stichting de algemene bepalingen niet zou hebben ontvangen, wordt verworpen nu zij de huurovereenkomst heeft getekend en hierin staat dat zij de voorwaarden heeft ontvangen en met de inhoud hiervan verklaart bekend te zijn. Zonder toelichting – die ontbreekt – bestaat evenmin aanleiding om de algemene bepalingen te vernietigen.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdelen 2 en 3richten zich met verschillende klachten tegen de oordelen van het hof in rov. 28, 29 en 31, dat het ter beschikking stellen van minder vierkante meters dan vermeld in de huurovereenkomst geen gebrek in de zin van art. 7:204 BW Pro oplevert (rov. 28 en 29) en evenmin wanprestatie (rov. 31).
Een gebrek is een staat of eigenschap van de zaak of een andere niet aan de huurder toe te rekenen omstandigheid, waardoor de zaak aan de huurder niet het genot kan verschaffen dat een huurder bij het aangaan van de overeenkomst mag verwachten van een goed onderhouden zaak van de soort als waarop de overeenkomst betrekking heeft”.
dan contractueel is overeengekomen, is dan ook geen sprake.
dan is vermeld in de huurovereenkomst. Deze klacht is ongegrond. Uit hetgeen hiervoor in 2.7 is vermeld, volgt dat in dat geval sprake kan zijn van een gebrek, maar dat dit niet per se het geval behoeft te zijn, namelijk niet als de huurder in de gegeven omstandigheden aan de vermelding niet de verwachting kon ontlenen dat het gehuurde het aantal in de overeenkomst vierkante meters beslaat.
“(…) een andere, niet aan de huurder toe te rekenen omstandigheid”. Volgens het subonderdeel heeft het hof aldus een te eng en daarmee onjuist criterium gehanteerd bij de beoordeling of sprake is van een gebrek in de zin van genoemd artikel. Het subonderdeel stelt in dat verband dat het begrip ‘gebrek’ ruim moet worden uitgelegd. Een gebrek is elke genotsbeperking die niet aan de huurder is toe te rekenen en omvat ook omstandigheden die in beginsel niet kunnen worden verholpen, aldus het subonderdeel.
heeft mogen vertrouwen, zodat het hof alle omstandigheden van het geval in de beoordeling had moeten betrekken. Volgens het subonderdeel had het hof moeten beoordelen of en, zo ja, in welke mate, de Stichting waarde mocht hechten aan de in de huurovereenkomst vermelde oppervlakte van het gehuurde, mede in het licht van de stelling van de Stichting dat de Gemeente een professionele verhuurder is en zij zelf niet. Nu het hof deze stellingen niet, althans niet kenbaar, in zijn beoordeling heeft betrokken, is zijn oordeel of sprake is van een gebrek volgens het subonderdeel bovendien onbegrijpelijk.
subonderdeel 2.2.2is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 29. Het bevat de klacht dat het hof ten onrechte in het midden heeft gelaten op welke wijze de huurprijs tot stand is gekomen en op welke wijze de servicekosten werden berekend. Volgens de klacht is de vaststelling daarvan mede bepalend of sprake is van een gebrek in de zin van art. 7:204 BW Pro. Het subonderdeel wijst erop dat de Stichting in hoger beroep heeft aangevoerd dat de Gemeente de kostprijs van het gehuurde als huurprijs in rekening zou brengen, althans dat zij de huur die de vorige huurder betaalde zou ‘doorzetten’ aan de Stichting, en dat de Gemeente als opvolgend eigenaar gebonden was aan de huurovereenkomsten die reeds gesloten waren met de sportschool en de postduivenvereniging. Nu het hof deze stellingen niet, althans niet kenbaar, in zijn beoordeling heeft betrokken, kan het oordeel dat geen sprake is van een gebrek, niet in stand blijven, volgens de klacht.
de gegeven omstandighedenover en weer redelijkerwijs aan de bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten’). Er is geen grond om te veronderstellen dat het hof die maatstaf op dit punt niet zou hebben toegepast. Op de door het subonderdeel ingeroepen stelling dat de oppervlakte van het gebouw van belang was voor de bepaling van de huurprijs en de servicekosten, is hiervoor in 2.30 al ingegaan. Voor het overige stuit de klacht van het subonderdeel erop af dat het hof de andere daarin genoemde stellingen blijkens zijn overwegingen in rov. 29 en 31 heeft verworpen en die verwerping van feitelijke aard is en niet onbegrijpelijk (zie hiervoor in 2.12).
stellingbewijs is aangeboden door de Stichting. Als gezegd heeft het hof kennelijk ook aldus geoordeeld. De klacht faalt dus.