ECLI:NL:PHR:2021:555

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
15 juni 2021
Publicatiedatum
4 juni 2021
Zaaknummer
20/02032
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 432 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep wegens overschrijding termijn

In deze zaak heeft het gerechtshof te ’s-Gravenhage bij arrest van 16 maart 2009 de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaar wegens diefstal met geweld en bedreiging, gepleegd door meerdere personen. De verdachte werd bij verstek veroordeeld omdat hij niet was verschenen bij de behandeling van het hoger beroep.

Het cassatieberoep werd pas op 26 juni 2020 ingesteld, terwijl uit stukken blijkt dat het arrest van het hof op 25 juli 2013 in persoon aan de verdachte is betekend. Volgens artikel 432, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering moet het cassatieberoep binnen veertien dagen na betekening van het arrest worden ingesteld.

De procureur-generaal stelt vast dat de termijn voor het instellen van cassatieberoep ruimschoots is overschreden en adviseert daarom de verdachte niet-ontvankelijk te verklaren in zijn cassatieberoep. De verdachte heeft aangevoerd niet op de hoogte te zijn geweest van het arrest, maar dit verweer wordt niet geaccepteerd gezien de betekening in persoon en de bijbehorende stukken.

De conclusie van de procureur-generaal strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep wegens overschrijding van de wettelijke termijn.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de wettelijke termijn.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer20/02032
Zitting15 juni 2021

CONCLUSIE

D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,
hierna: de verdachte.
Inleiding
1. Het gerechtshof te ’s-Gravenhage heeft bij arrest van 16 maart 2009 het vonnis van de rechtbank ’s-Gravenhage van 27 december 2007 vernietigd ten aanzien van de opgelegde straf en het vonnis voor het overige bevestigd. Bij dit vonnis is de verdachte wegens 1. “Diefstal voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen”, 4. “Diefstal voorafgegaan van geweld en bedreiging met geweld, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en terwijl de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van valse sleutels” en 5. “Diefstal door twee of meer verenigde personen” veroordeeld, met toewijzing van de vordering van de benadeelde partij en oplegging aan de verdachte van de schadevergoedingsmaatregel. Het hof heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, met aftrek van voorarrest.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. S.B. Kleerekooper, advocaat te Hoenderloo, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
3. Voordat ik kan toekomen aan de bespreking van het middel, verdient de ontvankelijkheid van het cassatieberoep aandacht. In de cassatieschriftuur wordt dit punt reeds aan de orde gesteld. Volgens de steller van het middel is de verdachte ontvankelijk in het beroep in cassatie, aangezien hij niet op de hoogte was van de uitspraak van het hof en hem geen gerechtelijke brief is overhandigd waarin het arrest van het hof alsmede de termijn voor het aanwenden van een rechtsmiddel is vermeld.
4. Bij de stukken van het geding bevinden zich, voor zover voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van het cassatieberoep van belang, de volgende stukken:
(i) De dagvaarding van de verdachte in hoger beroep, welke blijkens de akte van uitreiking op 25 februari 2009 is uitgereikt aan de griffier van de rechtbank omdat van de verdachte geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is.
(ii) Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 2 maart 2009, inhoudende dat de verdachte niet is verschenen, dat zijn raadsman heeft bericht dat hij niet bij de behandeling van de zaak aanwezig zal zijn en dat het hof verstek verleent tegen de verdachte.
(iii) Het proces-verbaal van de uitspraak van het hof van 16 maart 2009, inhoudende dat de verdachte noch zijn raadsman is verschenen.
(iv) Het arrest van het gerechtshof te ’s-Gravenhage van 16 maart 2009 met rolnummer 22-000452-08 waarbij de verdachte bij verstek is veroordeeld.
(v) Een afdoeningsbericht signalering, afkomstig van de Dienst Regionale Operationele Samenwerking, Bureau RICO, van de politie Amsterdam, welk bericht op 29 juli 2013 bij het Gerechtshof/Ressortsparket Den Haag is binnengekomen en waarop is aangekruist dat de afdoening zag op een "betekening in persoon". Die afdoening zou op 25 juli 2013 zijn afgehandeld door (politie)ambtenaar [verbalisant] .
(vi) Een aan het afdoeningsbericht gehechte uitdraai "List invoeren/muteren feiten OPS" van 26 juli 2013. Deze uitdraai houdt onder meer in de personalia van verdachte, “Behandel.code: BETIP”, "Vonnisdatum: 16/03/2009", "Eig.ref. sign.aut.: 2200045208" en "Parket/cjib num.: B900223508".
(vii) Een aan het afdoeningsbericht gehecht geschrift inhoudende:
“De hierboven bedoelde gerechtelijke brief heb ik, ondergetekende, op
(datum), 25 juli 2013
te uur, (tijdstip) 17:15 uur
te (plaats en adres) [plaats] , [a-straat 1] [postcode]
uitgereikt aan de geadresseerde in persoon.
Deze akte heb ik terstond op (ambtsbelofte) opgemaakt en ondertekend.
(Naam en voorletters) [verbalisant] (…)
(Functie) Brigadier
(Standplaats) Team Amstel, bureau IJtunnel
(Handtekening) [handtekening]
De in deze akte bedoelde gerechtelijke brief is aan mij uitgereikt.
(Handtekening veroordeelde) [handtekening]
uitgereikt middels tolk […] , tolknummer […] ”
(viii) Een aan het afdoeningsbericht gehecht proces-verbaal afhandeling signaleringen en de voorlopige maatregel, dat op ambtsbelofte is opgemaakt en op 25 juli 2013 is ondertekend door [verbalisant] . In dit proces-verbaal zijn de personalia van verdachte vermeld. Voorts is onder het kopje "Signaleringen/Beschikkingen" aangegeven dat het onder meer gaat om "Parket/CJIB/Beschikking-nr B900223508" met “Behand.code BETIP". Verder wordt het nummer 2200045208 vermeld. Onder het kopje "Info veroordeelde/betrokkene" staat vervolgens achter "BETIP" de volgende informatie:
"Aan u is schriftelijk informatie omtrent de signalering verstrekt. Neem contact op met het vermelde parket voor informatie over een in te stellen rechtsmiddel. Indien u niet reageert, gaat een eventuele proeftijd in op de 15e dag na dagtekening van dit schrijven."
Verder is in het proces-verbaal aangekruist het vakje "Betekening, verwezen voor beroep binnen 14 dagen" en is daaronder vermeld "Naar Parket: KG/RB/HOF s’ Gravenhage". Daarnaast houdt het formulier in: “BETIP ook middels tolkentelefoon tolk […] tolknummer […] uitgereikt.”
(ix) Een brief van 30 december 2013 van mr. E. Kok, advocaat te Utrecht, aan het Ressortsparket Den Haag, welke onder meer inhoudt:
“Tot mij wendde zich [verdachte] (geb. [geboortedatum] 1982 (…)) en thans gedetineerd in de Pl Lelystad met het verzoek om hem in de navolgende zaak bij te staan. (…)
Op 27 december 2007 is cliënt door de Rechtbank Den Haag in de zaak met parketnummer 09-753529-07 tot gevangenisstraf veroordeeld. Op 28 april 2008 zou hij zich vervolgens aan regimentair verlof hebben onttrokken. Het Hof Den Haag deed op 16 maart 2009 uitspraak in hoger beroep, waarbij een gevangenissstraf voor de duur van 4 jaren werd opgelegd. Deze zaak is bij u bekend onder parketnummer 22-00452-08. Ter executie van voornoemde straf cliënt werd cliënt op 25 juli jl. aangehouden en enkele tijd later naar de Pl Lelystad overgebracht.
Cliënt stelt dat hij nooit op de hoogte is gebracht van het feit dat tegen voornoemd vonnis van de
Rechtbank Den Haag hoger beroep is aangetekend. Hij stelt evenmin bekend te zijn met de uitspraak in hoger beroep. Deze stukken wenst hij dan ook onverwijld in te zien.”
(x) De akte cassatie, waaruit blijkt dat op 26 juni 2020 ter griffie van het gerechtshof te Den Haag door een administratief ambtenaar bij dit hof, als bij bijzondere volmacht schriftelijk gemachtigde van de verdachte, beroep in cassatie is ingesteld tegen het arrest van 16 maart 2009, alsmede tegen alle ter terechtzitting genomen beslissingen, onder parketnummer 22-000452-08, door dit hof gewezen in de zaak tegen de verdachte.
5. Op grond van art. 432, tweede lid, Sv moest het cassatieberoep worden ingesteld binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat het arrest de verdachte bekend is. In dit geval kan mijns inziens uit het afdoeningsbericht signalering en de daaraan gehechte stukken worden afgeleid dat het arrest van het hof op 25 juli 2013 in persoon aan de verdachte is betekend en de verdachte aldus op die datum bekend is geworden met het arrest van het hof. Dat betekent dat de verdachte binnen veertien dagen na 25 juli 2013 beroep in cassatie had moeten instellen. Blijkens de stukken is het beroep in cassatie echter eerst op 26 juni 2020 ingesteld.
6. Gelet op het voorgaande meen ik dat de verdachte niet binnen de daarvoor geldende termijn beroep in cassatie heeft ingesteld, zodat hij niet in zijn cassatieberoep kan worden ontvangen. [1]
Conclusie
7. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep in cassatie.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Voetnoten

1.Uit de in randnummer 4 onder (ix) aangehaalde brief van 30 december 2013 van mr. Kok volgt overigens ook dat het cassatieberoep te laat is ingesteld.