Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatieberoep
Pammeren
Alpenhofaandacht besteed aan het gebruik van een website door de ondernemer. [12] Het Hof heeft overwogen dat het erom gaat of de ondernemer, blijkens zijn activiteiten, de wil heeft gehad om zijn activiteiten op bepaalde staten te richten. Dat is duidelijk wanneer hij in die staten reclame maakt op ‘klassieke wijze’ via bijvoorbeeld pers, radio en televisie, maar die wil is niet steeds aanwezig wanneer hij reclame maakt via internet. Het Hof heeft overwogen:
Mühlleitnerheeft het HvJEU verder verduidelijkt dat het voor de toepassing van art. 15 lid Pro 1, onder c, Verordening Brussel I niet nodig is dat de consument zijn overeenkomst op afstand heeft gesloten. [14] Dit kan uiteraard wel een aanwijzing vormen dat de overeenkomst verband houdt met een activiteit die is gericht op de lidstaat waar de consument woonplaats heeft, aldus het Hof. Ook als de consument op afstand contact heeft opgenomen met de ondernemer, vormt dat een aanwijzing. [15]
Middel Iis gericht tegen het tussenarrest en bestaat uit twee onderdelen. Het eerste onderdeel valt uiteen in acht subonderdelen (1.1 t/m 1.8), waarin rechts- en motiveringsklachten zijn gericht tegen rov. 3.7, 3.12 en 3.13 van het tussenarrest. Het tweede onderdeel bevat een voortbouwklacht.
Pammer-Alpenhofmoet worden aangelegd bij de beoordeling of een ondernemer activiteiten ‘richt op’ een staat, en de gezichtspunten die daarbij van belang zijn. Volgens het onderdeel heeft het hof in rov. 3.12 en 3.13 aan deze maatstaf een te beperkte uitleg gegeven. Dit standpunt wordt in de onderdelen 1.3 t/m 1.6 nader uitgewerkt en toegelicht, zodat onderdeel 1.2 in zoverre geen zelfstandige klacht bevat en dus geen bespreking behoeft. Hetzelfde geldt voor de klacht dat het hof ten onrechte tot uitgangspunt zou hebben genomen dat de bijzondere bevoegdheidsregels van art. 15 e.v. EVEX II ‘strikt’ moeten worden uitgelegd, omdat deze klacht nader wordt toegelicht in onderdeel 1.7. De klacht dat het hof essentiële stellingen heeft miskend, komt aan de orde in onderdeel 1.8.
Pammer-Alpenhofblijkt dat moet worden nagegaan of uit de internetsites en de overige activiteiten van de ondernemer blijkt dat deze van plan was handel te drijven met (onder meer) de staat waar de consument zijn woonplaats heeft. Bij deze beoordeling kunnen verschillende door het HvJ EU niet-uitputtend opgesomde factoren van belang zijn, wat het hof volgens het onderdeel heeft miskend.
Pammer-Alpenhof) dat communicatie op internet naar zijn aard een mondiaal bereik heeft, zodat de enkele omstandigheid dat een ondernemer een website heeft die ook door consumenten in het buitenland kan worden geraadpleegd, niet voldoende is om te kunnen concluderen dat de ondernemer zijn activiteiten richt op elke individuele verdragsstaat. Bovendien blijkt uit rov. 3.13 van het tussenarrest en rov. 2.15 van het eindarrest dat het hof zich bewust was van de door het HvJEU opgesomde factoren, die kunnen meebrengen dat een ondernemer zich blijkens de website op verdragsstaten richt. Het heeft immers kenbaar meegewogen in welke talen de website van Wengernalpbahn beschikbaar was, dat daarop geen telefoonnummer met internationaal kengetal vermeld stond, dat daarop geen routebeschrijvingen vanuit bepaalde verdragsstaten waren opgenomen, dat Wengernalpbahn geen pogingen had ondernomen haar website via zoekmachines in bepaalde verdragsstaten beter vindbaar te maken, en dat de website zowel een domeinnaam eindigend op ‘.ch’ als eindigend op ‘.com’ had (rov. 2.15 van het eindarrest). Het hof heeft dus kenbaar aan de hand van de factoren uit het arrest
Pammer-Alpenhofonderzocht of er aanwijzingen zijn dat Wengernalpbahn zich blijkens haar website op Nederland richtte. Het hof heeft die vraag ontkennend beantwoord. Onderdeel 1.3 faalt daarom.
Mühlleitneren
Emrekheeft overwogen dat dit inderdaad aan aanwijzing kan vormen. [18] Het onderdeel faalt dus.
onderdeel 1.6.3heeft het hof eraan voorbijgezien dat het gebruik van het Engels op haar website erop kan duiden dat Wengernalpbahn zich richtte op Nederland, nu het (aldus het onderdeel) een feit van algemene bekendheid is dat veel Nederlanders in staat zijn een Engelstalige website te raadplegen.
Emrekoverwogen dat deze bepaling strikt moet worden uitgelegd [20] , omdat die een afwijking van of uitzondering op een algemene regel behelst. Het hof is dus niet van een onjuiste rechtsopvatting uitgegaan.
Onderdeel 3.1is gericht tegen de beslissing van het hof in rov. 2.2 van het eindarrest om geen acht te slaan op nieuwe stellingen en verweren die naar voren zijn gebracht in de nadere aktes, waarmee partijen hebben kunnen reageren op elkaars aktes naar aanleiding van het tussenarrest. Volgens het onderdeel bestond er geen aanleiding voor een dergelijke ‘analogische toepassing van de tweeconclusieregel’, omdat het hof ambtshalve de vraag naar de rechtsmacht van Nederlandse rechter aan de orde heeft gesteld en het dus niet gaat om een ‘gewoon’ hoger beroep.
Onderdeel 4.1is gericht tegen de beslissing van het hof in rov. 2.11 van het eindarrest, dat het hof op grond van de standpunten van partijen niet tot een andere afweging is gekomen over de bevoegdheidskwestie. Het onderdeel bevat geen zelfstandige klacht, maar betoogt in algemene zin dat het oordeel onjuist is, hetgeen in latere onderdelen nader wordt uitgewerkt.
Pammer-Alpenhofwaarnaar het onderdeel verwijst, volgt slechts dat het gebruik van een dergelijke domeinnaam daarop
kanduiden, niet dat daaruit altijd de door het onderdeel voorgestane conclusie moet worden getrokken. Uit rov. 2.15 volgt dat het hof deze mogelijkheid inderdaad onder ogen heeft gezien, maar heeft verworpen. Volgens het hof volgt uit de wijze waarop de website destijds was opgezet en gebruikt, dat geen sprake is van actief handelen van Wengernalpbahn als ondernemer dat gericht is op en resulteert in de werving van consumenten uit andere verdragsstaten, waaronder uit Nederland. De klacht faalt.
Pammer-Alpenhof. [25]