Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdelen 1 t/m 3zijn gericht tegen rov. 5.5-5.8 van de bestreden beschikking en hebben in de kern genomen betrekking op de toepassing door het hof van art. 4:123 BW Pro.
Onderdeel 2Abetoogt dat het hof in rov. 5.6 is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, althans onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de omstandigheden van dien aard waren dat een beroep op art. 4:123 lid 1 BW Pro was geoorloofd. Het hof heeft niet vastgesteld of overwogen dat of waarom nakoming van de vaststellingsovereenkomst onmogelijk of uitermate bezwaarlijk was.
Onderdelen 2B en 2Cklagen dat het hof in het kader van de terughoudende toets voorbij is gegaan aan in rov. 5.2-5.4 uiteengezette omstandigheden, met name de omstandigheid dat de curator een kort geding procedure was gestart.
Onderdeel 2Dklaagt dat de omstandigheden die het hof heeft aangehaald in rov. 5.6 onbegrijpelijk zijn in het licht van door legatarissen in rov. 5.2 genoemde stellingen en van de omstandigheid dat het niet de legatarissen zijn die de volmacht tot levering van het chalet niet hadden ondertekend, maar [verweerder 3] .
Onderdeel 2Eklaagt dat het hof in rov. 5.7 niet heeft gemotiveerd waarom van de legatarissen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid de instandhouding van de verbintenissen uit de legaten niet mag worden verwacht.
[verzoekster 4]:
onderdeel 5inzake de proceskostenveroordeling doel treft, evenals de voortbouwende klachten van
onderdeel 6.