Conclusie
eiser tot cassatie, verweerder in het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep,
advocaat: mr. H.J.W. Alt
verweerster in cassatie, eiseres in het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep,
advocaat: mr. M.A.M. Wagemakers
[eiser]) en een verzekeraar (
Scildon [1] ) over de rechtsgevolgen van een levensverzekering met pensioenclausule in geval van echtscheiding. Het betreft een zogenaamde C-polis in de zin van art. 2 lid Pro 4, aanhef en sub c, Pensioen- en Spaarfondsenwet (oud; hierna:
PSW). Naar aanleiding van de echtscheiding tussen [eiser] en [betrokkene 1] (hierna:
[betrokkene 1]) heeft Scildon in polisaanhangsels de aanspraken van [betrokkene 1] op ouderdomspensioen en bijzonder partnerpensioen (
BPP) vastgelegd. [eiser] heeft onder meer een verklaring voor recht gevorderd dat de polis voor [betrokkene 1] geen aanspraken bevat op BPP, tenzij [eiser] de opdracht geeft aan Scildon de begunstiging van de polis daartoe te wijzigen; ook heeft hij gevorderd dat Scildon opgedragen wordt de aanspraken van [eiser] en [betrokkene 1] op ouderdomspensioen en BPP op de door [eiser] voorgestelde wijze te administreren. Het hof heeft de vorderingen afgewezen. In het principale cassatieberoep klaagt [eiser] onder meer dat het hof de verkeerde maatstaf heeft toegepast bij de uitleg van de verzekeringsovereenkomst en essentiële stellingen heeft gepasseerd. In het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep betoogt Scildon dat het hof heeft miskend dat sprake is van een processueel ondeelbare rechtsverhouding, zodat het hof [eiser] in de gelegenheid had moeten stellen [betrokkene 1] in het geding te betrekken, op straffe van niet-ontvankelijkheid.
1.Feiten en procesverloop
.[■
]de erfgenamen van de werknemer
in conventiegevorderd, samengevat, dat de rechtbank Amsterdam bij voor zover mogelijk uitvoerbaar te verklaren vonnis:
primair, dat [eiser] niet-ontvankelijk is in zijn vordering, omdat sprake is van een ondeelbare rechtsverhouding (
exceptio plurium litis consortium),
subsidiairdat [betrokkene 1] op straffe van niet-ontvankelijkheid moet worden opgeroepen (art. 118 Rv Pro). Als inhoudelijk verweer heeft Scildon aangevoerd dat [betrokkene 1] op grond van de door Scildon uit te voeren wetgeving recht heeft op een BPP. [14]
a) [eiser] te gelasten schriftelijk opdracht te geven tot, schriftelijke toestemming te geven voor, medewerking te verlenen aan, en/of voor onbepaalde duur te gedogen de wijziging van de begunstiging van de polis en de vastlegging van de aanspraken van [betrokkene 1]
primairop de wijze als thans door Scildon doorgevoerd, dan wel
subsidiairop een door de rechtbank te bepalen andere wijze;
b) te bepalen dat [eiser] een dwangsom verbeurt van € 1.000 per dag dat hij niet voldoet aan het door de rechtbank gegeven bevel, met een maximum van € 100.000;
c) [eiser] te veroordelen in de proceskosten. [15]
in conventiede vorderingen afgewezen en
in reconventieverstaan dat de vorderingen geen behandeling behoeven.
De rechtbank heeft daartoe onder meer als volgt overwogen:
- Kern van het geschil is of in de polis een recht op bijzonder partnerpensioen (BPP) ligt besloten (rov 4.1).
- De aanspraak op BPP is een zelfstandige aanspraak van [betrokkene 1] jegens Scildon, zodat geen sprake is van een ondeelbare rechtsverhouding. De mogelijkheid dat in een eventuele procedure van [betrokkene 1] tegen Scildon een tegenstrijdige beslissing wordt gegeven, rechtvaardigt niet het beroep van Scildon op de
exceptio plurium litis consortium(rov. 4.3-4.4).
- Het polisblad, het polisaanhangsel 1 en het aanvraagformulier tezamen genomen brengen mee dat in de polis partnerpensioen besloten ligt. Bij ontbinding van het huwelijk op 2 november 2004 is op grond van art. 8a lid 1 PSW vervolgens een recht op BPP ontstaan. De vordering (a) die strekt tot verklaring voor recht dat de verzekering geen aanspraak geeft op een BPP wordt dan ook afgewezen (rov. 4.5-4.10).
- [eiser] heeft geen belang bij zijn vorderingen met betrekking tot ouderdomspensioen (rov. 4.11-4.13).
- Gelet op het voorgaande wordt het verzoek van Scildon tot toepassing van art. 118 Rv Pro afgewezen bij gebrek aan belang (rov. 4.14). [17]
principaal hoger beroepgekomen bij het hof Amsterdam. Hij heeft, samengevat en voor zover in cassatie van belang, gevorderd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en – uitvoerbaar bij voorraad – alsnog zijn in eerste aanleg ingestelde vorderingen zal toewijzen zoals deze in de memorie van grieven zijn aangevuld. [18] Het gaat daarbij onder meer om de vorderingen: dat de begunstiging van de polis met ingang van de dag van de echtscheidingsdatum moet zijn zoals die was op de dag voor de echtscheidingsdatum; dat de polisaanhangsels 18 tot en met 27 dienen te worden herroepen, en (subsidiair) dat de aanspraak van [betrokkene 1] op BPP dient te worden vastgelegd in een polisaanhangsel conform de door [eiser] voorgestelde tekst. [19]
incidenteel hoger beroepingesteld, met conclusie tot gedeeltelijke vernietiging van het bestreden vonnis. In dat verband heeft zij aangevoerd dat [eiser] op straffe van niet-ontvankelijkheid gehouden is [betrokkene 1] in het geding op te roepen, omdat sprake is van een ondeelbare rechtsverhouding. [20]
- De tussen partijen gesloten verzekering is een levensverzekering met een pensioenclausule. Het betreft een zogenaamde C-polis in de zin van art. 2 lid 4 sub C PSW Pro (rov. 3.1).
- Deze procedure gaat over de gevolgen van de echtscheiding van [eiser] en [betrokkene 1] voor de aanspraken onder de verzekering. Het geschil ziet met name op de vraag of tijdens het huwelijk een aanspraak op weduwenpensioen is opgebouwd respectievelijk toegezegd bij overlijden van [eiser] voor 1 juni 2018 (einddatum), welke aanspraak of aanspraken na de echtscheiding ten behoeve van [betrokkene 1] behouden is of zijn gebleven in de vorm van een zogenaamde aanspraak op bijzonder partnerpensioen (BPP) (rov. 3.1).
Incidenteel hoger beroep- In het voorliggende geval is geen sprake van een processueel ondeelbare rechtsverhouding. [eiser] en [betrokkene 1] hebben van elkaar te onderscheiden, zelfstandige aanspraken. Het is niet rechtens noodzakelijk dat de beslissingen op eventueel in te stellen vorderingen van [eiser] en [betrokkene 1] in dezelfde zin luiden. Het incidenteel hoger beroep is tevergeefs ingesteld (rov. 3.3-3.5).
Principaal hoger beroep- In dit geval moet toepassing worden gegeven aan art. 22 Regelen Pro Verzekeringsovereenkomsten Pensioen- en Spaarfondsenwet (oud) (rov. 3.11).
- Op grond van die bepaling verkrijgt de gewezen echtgenoot per de datum van de echtscheiding een premievrije pensioenaanspraak die gelijk is aan de aanspraak die zou hebben bestaan als de verzekering op dat moment beëindigd zou zijn (rov. 3.12).
- Blijkens het aanvraagformulier en de in de verzekering opgenomen begunstiging op het oorspronkelijke polisblad is [eiser] als verzekeringnemer de begunstigde bij leven en is zijn echtgenote de eerste begunstigde bij zijn overlijden. De verzekering voorzag daarmee in een aanspraak op nabestaandenpensioen (weduwenpensioen) ten behoeve van [betrokkene 1] (rov. 3.13).
- Uit art. 22 Regelen Pro vloeit voort dat door de echtscheiding de echtgenote in dat geval een premievrije aanspraak op nabestaandenpensioen verkrijgt, welke aanspraak gelijk is aan het nabestaandenpensioen dat tot de datum van de echtscheiding is opgebouwd. [betrokkene 1] heeft dus een eigen aanspraak verkregen op een BPP (rov. 3.13).
- Scildon diende de polis op deze eigen positie van [betrokkene 1] aan te passen en heeft de wijzigingen op juiste wijze in de afgegeven polisaanhangsels verwerkt (rov. 3.13).
- Met het voorgaande kunnen de grieven II-IV, X, XIV en XVIII niet leiden tot vernietiging van het bestreden vonnis (rov. 3.14).
- De grief (V) dat rekening moet worden gehouden met het op risicobasis bij Proteq verzekerde nabestaandenpensioen is tevergeefs voorgedragen. Het bestaan en de inhoud van die verzekering bij Proteq zijn niet relevant bij het bepalen van de aanspraken van [eiser] en [betrokkene 1] jegens Scildon. Bovendien ontbreekt ook een pensioenbrief waar een andersluidend oordeel op gebaseerd zou kunnen worden (rov. 3.15).
- Met de grieven VII-IX, die zien op de weergave van verschillende stellingen en het gebruik van het begrip ‘pensioenuitvoerder’, wordt niet duidelijk gemaakt dat en waarom het bestreden vonnis dient te worden vernietigd. Los daarvan staat onweersproken vast dat Scildon een toegelaten pensioenuitvoerder is volgens de pensioenwet en volgens de Wet op de loonbelasting 1964 (rov. 3.16).
2.Bespreking van het principale cassatieberoep
eerste onderdeel(
procesinleiding onder 2.1) is ‘in samenhang met rov. 3.11 en 3.12’ gericht tegen rov. 3.13 t/m 3.19, waarin het hof overweegt:
b, PSW [24] ). De werkgever die op deze wijze uitvoering gaf aan een pensioentoezegging was gehouden erop toe te zien dat de werknemer de verzekering daadwerkelijk sloot [25] en was verplicht de toegezegde bijdrage in de premie aan de werknemer te betalen of ten behoeve van deze aan de verzekeringsmaatschappij te voldoen. [26] De werknemer die de verzekeringsovereenkomst sloot, werd daarbij verzekeringnemer, verzekerde en begunstigde. [27] Tussen de verzekeraar en de werkgever ontstond geen rechtsband. De polis kon recht geven op uitkering van een of meer kapitaaluitkeringen ineens, met de (fiscaal ingegeven) bepaling dat het kapitaal bestemd moet worden voor de aankoop van pensioen ten behoeve van de verzekeringnemer, zijn weduwe of zijn wezen (‘pensioenclausule’). [28]
Regelen) [29] van toepassing. [30] Art. 2 lid Pro 4 (slot) PSW bepaalde over deze Regelen:
Pw). [32] Door de intrekking van de PSW [33] is aan de Regelen de grondslag komen te ontvallen. De Pensioenwet voorziet niet in de mogelijkheid dat de werkgever uitvoering geeft aan een pensioentoezegging [34] door middel van een C-polis. Voor de werkgever geldt thans een onderbrengingsplicht (art. 23 Pw Pro), op grond waarvan de werkgever ten behoeve van de uitvoering van een pensioenovereenkomst in beginsel een uitvoeringsovereenkomst met een pensioenuitvoerder of verzekeraar dient te sluiten. Indien de werkgever de uitvoeringsovereenkomst met een verzekeraar sluit, is de werkgever de verzekeringnemer. [35]
bijzonder partnerpensioen(BPP) na einde huwelijk houdt in dat het tot die beëindiging opgebouwde partnerpensioen (weduwen- of weduwnaarspensioen) wordt afgesplitst ten behoeve van de ex-partner. De toevoeging ‘bijzonder’ aan dit afgesplitste partnerpensioen berust op de gedachte dat de ex-partner uiteraard niet meer de partner van betrokkene is, maar toch diens partnerpensioen krijgt toebedeeld. Nadien op te bouwen partnerpensioen kan toekomen aan een opvolgende partner of ten goede komen aan het ouderdomspensioen. [44] De bepaling komt grotendeels overeen met art. 8a PSW en art. 57 Pw Pro. Zij knoopt aan bij de fictieve situatie dat de verzekeringsovereenkomst op het moment van echtscheiding beëindigd zou zijn. [45] Van belang voor het al dan niet ontstaan van een aanspraak op BPP is dus of de verzekeringsovereenkomst voorziet in een aanspraak op weduwen- of weduwnaarspensioen (op opbouwbasis [46] ).
- voor de toegezegde wezenvoorziening: de pensioengerechtigde kinderen, een en ander behoudens de artikelen 10, 18 en 22.
- (…)’
subonderdelen 2.1-II en 2.1-IIIlenen zich voor gezamenlijke behandeling.
subonderdeel 2.1-II(procesinleiding, p. 7-9), samengevat, dat het hof bij (i) de uitleg van de overeenkomst in rov. 3.13 en (ii) de verwerping van grief V in rov 3.15 de in HR 21 september 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BW6728) gegeven uitlegmaatstaf miskent. Volgens deze maatstaf zijn bij de uitleg van de levensverzekering naast hetgeen partijen voor ogen heeft gestaan (Haviltexcriterium) ook externe, zelfs niet aan de verzekeraar bekende feiten en omstandigheden, verklaringen en gedragingen van belang voor de vaststelling van de bedoeling van de verzekeringnemer, zoals in casu het feit dat [eiser] een aparte nabestaandenverzekering bij Proteq heeft afgesloten. Deze verzekering zou zinledig of zelfs dubbel zijn indien [eiser] al een levensverzekering had afgesloten met Scildon waarin naast een ouderdomspensioen ook een nabestaandenpensioen zou zijn overeengekomen. [57] Indien het hof dit niet heeft miskend, is zijn oordeel onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd.
subonderdeel 2.1-III(procesinleiding, p. 9-11) klaagt [eiser] (
onder a en c) dat het oordeel van het hof in rov. 3.13 t/m 3.17 eveneens van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de toe te passen uitlegmaatstaf getuigt, althans onbegrijpelijk of onvoldoende is gemotiveerd, omdat het hof de in het middel genoemde stellingen niet voldoende kenbaar in zijn beoordeling heeft betrokken. Ook indien subonderdeel 2.1-II faalt en een andere uitlegmaatstaf moet worden toegepast had het hof deze omstandigheden in de beoordeling moeten betrekking, omdat ze essentieel zijn en uitleg van de polis dient te geschieden aan de hand van alle omstandigheden van het geval. Met deze stellingen heeft [eiser] betoogd dat hij niet bedoeld heeft om een nabestaandenpensioen onder de polis met Scildon af te sluiten, althans dat [betrokkene 1] geen eigen aanspraak op nabestaandenpensioen heeft verkregen. Het subonderdeel noemt de volgende stellingen:
,hetgeen in de weergave van de feiten door de rechtbank en het hof niet te zien is (grief IV, p. 5-6);
voorts(
onder b) dat het hof, door in rov. 3.17 te oordelen dat grief XII [58] geen voldoende kenbare klacht bevat die tot vernietiging van het bestreden vonnis zou kunnen leiden, voorbijgaat aan het feit dat die grief in samenhang met de grieven II-IV, X, XIII, XIV en XVIII moet worden gelezen en stellingen omvat die voor de uitleg van de polis van belang zijn.
ten eerstede klacht dat het hof in rov. 3.15 (slot) voor de uitleg van de verzekering ten onrechte betekenis hecht aan het niet overleggen van een pensioenbrief. Deze klacht faalt omdat zij ziet op een overweging ten overvloede (‘Bovendien’). Ook faalt zij op grond van hetgeen is betoogd hiervoor onder 2.27.
tweede klachtin 2.1-IV is gericht tegen het oordeel van het hof (in rov. 3.16) dat [eiser] met grief IX, die ziet op het gebruik van het begrip ‘pensioenuitvoerder’ [63] , niet duidelijk maakt dat en waarom het bestreden vonnis dient te worden vernietigd, zodat de grief tevergeefs is voorgesteld en dat ‘los daarvan’ onweersproken vaststaat dat Scildon een toegelaten pensioenuitvoerder is volgens de Pensioenwet en volgens de Wet op de loonbelasting 1964. Geklaagd wordt dat het hof in rov. 3.16 heeft miskend dat (de relevantie van de grief is dat) nu [eiser] begunstigde is, niet Scildon maar [eiser] zélf is aan te merken als pensioenuitvoerder. Dit zou moeten worden gelezen in samenhang met de uitleg en met de klacht (subonderdeel 2.1-I) dat Scildon niet eenzijdig de begunstiging van de polis mag wijzigen.
eersteplaats het hof in rov. 3.13 heeft miskend dat nergens in de polis wordt vermeld dat er een nabestaandenpensioen voor [betrokkene 1] is geregeld. Deze klacht berust op een onjuiste lezing van de bestreden uitspraak. Het hof gaat er in rov. 3.13 niet vanuit dat in de polis expliciet is geregeld dat nabestaandenpensioen voor [betrokkene 1] is geregeld.
overigevormt subonderdeel 2.1-V een herhaling van eerdere klachten en faalt het derhalve eveneens.
procesinleiding onder 2.2) houdt in dat het slagen van één of meer van klachten uit het eerste onderdeel ook rov. 3.14, 3.18 t/m 3.21 en het dictum aantast. Nu de klachten van het eerste onderdeel falen, geldt dit ook voor het tweede onderdeel.