Conclusie
1.Feiten en procesverloop
Artikel 8. Welke extra kosten zijn naast de schade verzekerd?
Alleen voor het vaststellen van de hoogte van de schade.
De kosten van onze expert.
De kosten van de expert van verzekerde tot en met de kosten van onze expert.
Rekent de expert van verzekerde meer? Dan beoordelen wij of die extra kosten redelijk zijn.
Extra kosten die niet redelijk zijn, blijven voor rekening van verzekerde.
De kosten van de 3de expert.
Alle experts zijn ingeschreven in het register van het Nederlands Instituut Van Register Experts (NIVRE)
Of bij een vergelijkbare beroepsorganisatie.
Deze organisatie houdt zich aan de "Gedragscode schade-expertise-organisaties van het Verbond van Verzekeraars”.
En in de statuten en reglementen van deze organisatie:
Staat een duidelijk[e] klacht- en tuchtprocedure.
Zijn de eisen beschreven voor permanente opleiding van experts.
ten nadelevan consumenten (als bedoeld in art. 7:963 lid 6 BW Pro) is afgeweken van art. 7:959 lid 1 BW Pro:
ten nadelevan consumenten (als bedoeld in art. 7:963 lid 6 BW Pro) is afgeweken van art. 7:959 lid 1 BW Pro. Volgens Achmea is het stellen van kwaliteitseisen aan een contra-expert in het belang van de consument. Dit argument snijdt in zoverre hout dat juist is dat de kwaliteitseisen in het belang van consumenten kunnen zijn. Wanneer consumenten een expert inschakelen die voldoet aan de in de polisvoorwaarden gestelde eisen, vormt dat tot op zekere hoogte een waarborg dat de expert ook daadwerkelijk deskundig is. Maar zekerheid geven de eisen uit de polisvoorwaarden niet. Bovendien beperken de eisen, als gezegd, de keuzevrijheid van consumenten door niet de kosten te vergoeden van een deskundige contra-expert die niet aan de eisen uit de polisvoorwaarden voldoet. In zoverre wordt in de Bedingen dus ten nadele van consumenten afgeweken van art. 7:959 lid 1 BW Pro.”
omvangvan de kosten van de contra-expert echter niet in strijd met art. 7:959 lid 1 BW Pro:
2.Art. 7:959 lid 1 BW Pro: vergoeding van (contra-)expertisekosten en kwaliteitseisen
de tegenwoordig vrij algemeen gehuldigde opvatting dat de verzekerde zo volledig mogelijk schadeloos moet worden gesteld”. [13]
omvangvan de schade. Alleen deze kosten vallen onder de reikwijdte van art. 7:959 lid 1 BW Pro. Kosten gemaakt om de
oorzaakvan de schade vast te stellen – en daarmee de vraag te beantwoorden of sprake is van een gedekt evenement – zijn niet via deze wetsbepaling voor rekening van de verzekeraar te brengen. [14]
niethet bedrag gelijk aan de verzekerde som overstijgen, is die afwijking niet toegestaan. Dan is sprake van vernietigbaarheid van de desbetreffende verzekeringsvoorwaarde (art. 7:959 lid 1 in Pro samenhang met art. 7:963 lid 6 en Pro art. 3:40 lid 2 BW Pro). Op de vraag welke ruimte de wetgever voor afwijken van art. 7:959 lid 1 BW Pro heeft gelaten, kom ik hierna nog terug in randnummers 2.23 en verder.
contra-expert. [21] Uit de wetsgeschiedenis valt af te leiden dat de wetgever de verzekerde het recht op een kostenvergoeding van de verzekeraar heeft toegekend, vanuit de gedachte dat de verzekerde degene is die expertisekosten moet maken om (de hoogte van) zijn schade aan de verzekeraar aan te tonen. [22] De verzekerde moet “
zo volledig mogelijk schadeloos” worden gesteld. [23] De verzekeraar pleegt de door de verzekerde gemaakte expertisekosten te “
vergoeden”. [24] Hierbij past niet de stelling van Achmea dat uit art. 7:959 lid 1 BW Pro geen recht volgt op vergoeding van de kosten van de contra-expert van de verzekerde. Immers, ook als de door de verzekerde ingeschakelde expert een contra-expert betreft (omdat de expert van de verzekeraar is voorgegaan in het vaststellen van de hoogte van de schade), kan het zijn dat de verzekerde kosten moet maken om de hoogte van de schade te laten vaststellen, bijvoorbeeld omdat hij het oneens is met de bevindingen van de expert van de verzekeraar. Die kosten, die de verzekerde dan dus moet maken (de bewijslast met betrekking tot de omvang van de schade rust dan ook nog altijd op hem), moeten door de verzekeraar worden vergoed.
zijnredelijke kosten vergoed moet krijgen. Daarbij maakt art. 7:959 lid 1 BW Pro geen onderscheid tussen kosten gemaakt door de verzekerde in de situatie waarin nog niet een onderzoek is verricht door een door de verzekeraar ingeschakelde expert en de situatie waarin wel al zo’n onderzoek is verricht en de expert van de verzekerde als ‘contra’-expert moet worden aangemerkt.
Het NIVRE kent 9 verschillende branches, waarvan er enkele in verband met efficiency bestuurlijk zijn samengevoegd. Eveneens kent het NIVRE gelieerde registers waarin deskundigen zijn ingeschreven die andere werkzaamheden verrichten dan schade-experts.” [30]
vergelijkbare beroepsorganisatie” in de zin van de Bedingen. [37] In cassatie is echter van belang dat het hof in rov. 3.8 van het bestreden arrest heeft overwogen dat Achmea onvoldoende heeft toegelicht dat er met NIVRE vergelijkbare beroepsorganisaties bestaan. Nu Achmea in cassatie geen klacht tegen deze overweging heeft gericht, moet worden uitgegaan van een ontbreken van “
vergelijkbare beroepsorganisaties”.
de bereddingskostenniet mag beperken tot een bedrag dat lager is dan de verzekerde som. Aan de redelijke kosten ter vaststelling van de schade – de expertisekosten dus – wordt in de toelichting op art. 7:963 lid 6 BW Pro nagenoeg geen aandacht besteed. [43] “
Daarmee lijkt er op dit punt wat speling te zijn”, aldus De Vries.
dat polisvoorwaarden aan vergoeding van expertisekosten de voorwaarde verbinden, dat de expert aan bepaalde eisen voldoet”. [45] Schuurs & Riyazi zijn van mening dat het stellen van een kwaliteitseis ten aanzien van de te benoemen deskundige geen inbreuk maakt op het recht van de verzekeringnemer op een contra-expertise, omdat een dergelijke kwaliteitseis niet leidt tot enige relevante beperking van het recht van de verzekeringnemer; de verzekeringnemer kan nog steeds de redelijke kosten ter vaststelling van de schade op de verzekeraar verhalen. [46]
schadevan belang zijn: had de verzekerde redelijkerwijs hulp nodig bij de afwikkeling van de schade en zijn de gemaakte kosten binnen redelijke grenzen gebleven? Een oordeel over de vraag of de expert over de vereiste kwalificaties beschikt, past daar niet bij. Art. 7:959 lid 1 BW Pro laat dus geen ruimte voor voorwaarden gesteld aan de expert.
achterafbestrijden van een individuele beslissing van een verzekerde in het concrete geval, wordt hier
voorafop een abstracte manier invulling gegeven aan (een deel) van voornoemde wettelijke voorwaarde (de dubbele redelijkheidstoets). Daaraan kleven bezwaren: eerst en vooral de reeds door mij genoemde beperking van de keuzevrijheid die op grond van art. 7:959 lid 1 BW Pro toekomt aan de verzekerde ten opzichte van zijn verzekeraar. Dit bezwaar verdient nadruk, omdat ten eerste niet aannemelijk is dat deskundige bijstand buiten de door de kwaliteitseisen gestelde kaders niet mogelijk is en we ten tweede niet zonder meer ervan kunnen uitgaan dat een eventuele nu bestaande keuzeruimte voor verzekerden (binnen het NIVRE of bij andere met het NIVRE vergelijkbare organisaties) ook in de toekomst gewaarborgd zal zijn.
Dat is ook in Uw belang!” Hoe beter dat verhaal, des te effectiever zal het zijn. Tegelijkertijd blijft er dan ruimte voor een verzekerde om zijn eigen keuze te maken, met alle voor- en nadelen (zoals eventuele discussie met de verzekeraar achteraf) van dien.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
bescheidenzijn, waarbij OSN onder meer expliciet heeft verwezen naar de door het hof aangehaalde eis dat een NIVRE Register-Expert ten minste drie jaar hoofdzakelijk (70% van de werkbare tijd) werkzaam is als schade-expert in de branche waarvoor een aanvraag wordt ingediend.
Onmiddellijk voorafgaand aan de inschrijving/registratie als NIVRE Register-Expert dient de aanvrager aansluitend aan de datum van aanvraag:
ten minste drie jaren hoofdzakelijk (70% van de werkbare tijd) werkzaam te zijn als schade-expert in de branche waarvoor een aanvraag wordt ingediend;
alle vereiste opleidingen aantoonbaar met goed gevolg te hebben afgerond;
een natuurlijk persoon te zijn;
van onbesproken gedrag te zijn;
aantoonbaar verzekerd te zijn voor Beroepsaansprakelijkheid;
een Verklaring Omtrent het Gedrag. (…)
subonderdeel 3.1) en bij zijn oordeel in rov. 3.12 (hierop ziet
subonderdeel 3.2, uitgewerkt in
sub-subonderdelen 3.2.1 tot en met 3.2.3) dat de Bedingen enkel waarborgen dat de deskundige voldoet aan de kwaliteitseisen waaraan een deskundige minimaal moet voldoen om naar objectieve maatstaven redelijkerwijs in staat te kunnen worden geacht een deskundig advies uit te brengen. De Bedingen kunnen volgens haar (dan ook) niet anders worden begrepen dan als een uitdrukking van het in art. 7:959 lid 1 BW Pro gebruikte begrip ‘redelijk’. Deze rechtsklachten falen, nu zij alle uitgaan van dezelfde onjuiste rechtsopvatting. De door Achmea gestelde, categorische kwaliteitseisen zijn in strijd met art. 7:959 lid 1 jo Pro. art. 7:963 lid 6 BW Pro (zie randnummers 2.35 tot en met 2.41 hiervoor). Het hof heeft het in rov. 3.9 en rov. 3.12 bij het rechte eind gehad.
Het hof heeft de in subonderdeel 3.1 verdedigde rechtsopvatting miskend (…)” (p. 5 procesinleiding);
Dit maakt dat 's hofs oordeel onjuist is (…)” (p. 6 procesinleiding);
Door desondanks te oordelen dat Beding sub b in strijd is met artikel 7:959 lid 1 BW Pro, heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting (…)”) (p. 7 procesinleiding);
Het hof heeft met vernoemd oordeel dan ook blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting” (p. 8 procesinleiding).
subonderdeel 3.2voert Achmea een aantal motiveringsklachten aan, die zij heeft uitgewerkt in sub-subonderdelen 3.2.1 tot en met 3.2.3. Volgens Achmea heeft het hof zijn oordeel in rov. 3.12, dat de Bedingen in strijd zijn met art. 7:959 BW Pro en daarmee – in het kader van art. 6:240 BW Pro – ook onredelijk bezwarend, onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd.
Handboek Schaderegeling Motorrijtuigen. [57]
of bij een vergelijkbare beroepsorganisatiemerk ik op dat het hof aan het slot van rov. 3.8 heeft overwogen dat Achmea onvoldoende heeft toegelicht dat zulke beroepsorganisaties bestaan.
Handboek Schaderegeling Motorrijtuigenoverigens minder uitgesproken dan Achmea hier doet voorstellen. Hij heeft inderdaad opgemerkt dat een inschrijving bij het NIVRE of een vergelijkbaar instituut in ieder geval een objectieve indicator voor de deskundigheid van de expert is. Daar stelt hij echter tegenover dat het ontbreken van zo’n inschrijving niet noodzakelijkerwijs betekent dat de ingeschakelde expert niet deskundig is (randnummer 2.31 hiervoor). Van Driel heeft zelf ook geen definitief standpunt ingenomen met betrekking tot de juridische houdbaarheid van de door Achmea gestelde kwaliteitseisen. Volgens hem zal de rechtspraak duidelijkheid moeten verschaffen (randnummer 2.32 hiervoor).
vergelijkbare beroepsorganisatie” zich moet houden aan de Gedragscode. Volgens Achmea is het oordeel van het hof dat dit beding in strijd is met art. 7:959 lid 1 BW Pro onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd in het licht van haar betoog dat in de Gedragscode (i) de basisnormen betrouwbaarheid, professionaliteit, kennis en kunde, helderheid, communicatie en efficiency, integriteit en objectiviteit voor experts zijn uitgewerkt en (ii) is voorzien in een met afdoende waarborgen omklede rechtsgang om klachten over de naleving van de Gedragscode aan een onafhankelijke deskundige geschillenbeslechter voor te leggen. Volgens Achmea heeft het hof onvoldoende (kenbaar) gerespondeerd op dit betoog.
vergelijkbare beroepsorganisatie” een duidelijke klacht- en tuchtprocedure moeten bevatten, alsmede eisen voor permanente opleiding van experts. Achmea klaagt dat het oordeel van het hof dat dit beding in strijd is met art. 7:959 lid 1 BW Pro onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd. Achmea wijst er in dit verband op dat het hof in rov. 3.8 heeft geoordeeld dat (i) het in het belang van een verzekerde is dat een ingeschakelde contra-expert aan minimum kwaliteitseisen voldoet, (ii) de in de polisvoorwaarden omschreven eisen daaraan zouden kunnen bijdragen en (iii) het zonder meer in het belang van een verzekerde is dat een expert aan permanente educatie doet en er een tuchtrechtelijke procedure bestaat waaraan de expert zich onderwerpt. Volgens Achmea valt zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet in te zien dat de onder (iii) genoemde eisen geen kwaliteitseisen zouden betreffen waaraan een deskundige minimaal moet voldoen om naar objectieve maatstaven redelijkerwijs in staat te kunnen worden geacht een deskundig advies uit te brengen. Bovendien pleiten de onder (i)-(iii) weergegeven overwegingen voor haar standpunt [59] dat van de verzekerde mag worden verwacht dat hij een contra-expert inschakelt die deskundig is, zodat niet (zonder nadere motivering) valt in te zien hoe het hof in weerwil van deze overwegingen tot de conclusie heeft kunnen komen dat het beding in strijd is met art. 7:959 lid 1 BW Pro. Achmea voert aan dat het beding (zeker in het licht van haar stellingen en de vaststellingen van het hof) een waarborg is dat de deskundige voldoet aan minimum-kwaliteitseisen waaraan een deskundige moet voldoen om naar objectieve maatstaven redelijkerwijs in staat te kunnen worden geacht een deskundig advies uit te brengen.
subonderdeel 4.1aan dat het hof van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van art. 7:959 lid 1 BW Pro is uitgegaan, voor zover het hof in rov. 3.10 (in samenhang met rov. 3.12) heeft geoordeeld dat de omstandigheden dat (i) de door Achmea in de polisvoorwaarden gestelde kwaliteitseisen geen (absolute) zekerheid geven dat de expert ook daadwerkelijk deskundig is en (ii) de keuzevrijheid van de verzekerde wordt beperkt, (zonder meer) meebrengen dat ten nadele van de verzekerde wordt afgeweken van art. 7:959 lid 1 BW Pro. Het hof heeft in dat geval miskend dat de vraag of sprake is van afwijking ten nadele van de verzekerde, zoals bedoeld in art. 7:963 lid 6 BW Pro, afhangt van een weging van alle gevolgen van de afwijking, en niet van geïsoleerde (nadelige) aspecten daarvan.
weging van alle gevolgen van de afwijking” te hoeven maken. Met name hoefde het hof de geconstateerde nadelige afwijking van de keuzevrijheid die art. 7:959 lid 1 BW Pro biedt niet af te wegen tegen de mogelijke positieve effecten van de door Achmea gestelde kwaliteitseisen, die het hof overigens wel heeft onderkend (rov. 3.8, eerste en tweede zin en rov. 3.10, derde en vierde zin). Die positieve effecten kunnen immers de geconstateerde afwijking ten nadele niet helen. Met andere woorden: ook met inachtneming van deze positieve effecten van de kwaliteitseisen van Achmea blijft sprake van een op grond van art. 7:963 lid 6 BW Pro niet-toegestane afwijking van art. 7:959 lid 1 BW Pro. Een individuele verzekerde die de inschakeling van een bepaalde deskundige contra-expert op het oog heeft, kan niet worden tegengeworpen dat de redelijke kosten van die deskundige niet zullen worden vergoed, omdat er kwaliteitseisen gelden die verzekerden op meer algemeen niveau beogen te beschermen.
subonderdeel 4.2dat het hof zijn oordeel onvoldoende (begrijpelijk) heeft gemotiveerd, voor zover het in rov. 3.10 (in samenhang met rov. 3.12) heeft geoordeeld dat de nadelen van de afwijking van art. 7:959 lid 1 BW Pro zwaarder wegen dan de voordelen daarvan. Het hof heeft immers niet (voldoende) gemotiveerd waarom het nadeel (beperking keuzevrijheid) dat kleeft aan de door Achmea gestelde kwaliteitseisen zwaarder zou moeten wegen dan het voordeel ((tot op zekere hoogte) deskundigheid waarborgen).
subonderdeel 4.3haar pijlen op de woorden “
tot op zekere hoogte” in rov. 3.10. Volgens Achmea kan uit deze woorden worden afgeleid dat het hof van oordeel is dat een inschrijving bij het NIVRE of een vergelijkbaar instituut (i) niet zonder meer een objectieve indicator van deskundigheid is en (ii) onvoldoende garanties biedt dat een expert aan bepaalde kwaliteitseisen voldoet. Dat oordeel is volgens Achmea onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd in het licht van de in subonderdeel 4.2 sub c weergegeven stelling van Achmea
tot op zekere hoogte” in rov. 3.10 heeft het hof slechts een slag om de arm willen houden. Het hof is het met Achmea eens dat de kwaliteitseisen deskundigheid kunnen waarborgen. Absolute zekerheid bieden zij echter niet. Dit lijkt mij een juiste overweging van het hof. In dit verband wijs ik erop dat het NIVRE een tuchtcollege kent. [65] Op de website van het NIVRE staan uitspraken van dit tuchtcollege gepubliceerd. [66] In een aantal van die uitspraken heeft het de klacht tegen de NIVRE-expert (gedeeltelijk) gegrond bevonden. Dat toont aan dat ook schade-experts die bij het NIVRE zijn aangesloten niet altijd voldoende deskundigheid bezitten of hun deskundigheid niet altijd op de gewenste wijze inzetten. [67]