ECLI:NL:PHR:2021:646

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
18 mei 2021
Publicatiedatum
25 juni 2021
Zaaknummer
19/02994
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 509hh SvArt. 437 Sv
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens niet tijdig indienen middelen

De verdachte is bij arrest van 19 juni 2019 door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch veroordeeld tot tien dagen gevangenisstraf wegens opzettelijk handelen in strijd met een gedragsaanwijzing en het wederrechtelijk binnendringen in een lokaal bestemd voor de openbare dienst.

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte, maar er zijn geen middelen van cassatie tijdig ingediend door een raadsman binnen de wettelijke termijn. Hierdoor is niet voldaan aan het voorschrift van artikel 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad concludeert dat de verdachte niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het cassatieberoep. Er is tevens samenhang met twee andere zaken, maar ook daarin is dezelfde conclusie van toepassing.

Uitkomst: Verdachte is niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens het niet tijdig indienen van middelen van cassatie.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer19/02994
Zitting18 mei 2021 (bij vervroeging)

CONCLUSIE

E.J. Hofstee
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1956,
hierna: de verdachte.
De verdachte is bij arrest van 19 juni 2019 door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch wegens de eendaadse samenloop van 1. “Opzettelijk handelen in strijd met een gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b, van het Wetboek van Strafvordering” en 2. “In een voor de openbare dienst bestemd lokaal wederrechtelijk binnendringen”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien dagen, met aftrek van het voorarrest.
Er bestaat samenhang met de zaken 19/02986 en 19/02987. Ook in die zaken zal ik vandaag concluderen.
Het beroep in cassatie is ingesteld namens de verdachte. Namens de verdachte is geen schriftuur houdende middelen van cassatie voorgesteld.
Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is het voorschrift van art. 437, tweede lid, Sv niet in acht genomen en kan de verdachte in het cassatieberoep niet worden ontvangen.
Deze conclusie strekt ertoe dat de verdachte in deze zaak niet-ontvankelijk wordt verklaard in het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG