Conclusie
advocaat: mr. N.C. van Steijn
advocaten: mrs. M.J. van Basten Batenburg en M. van Tiel
tegenbewijsof
tegendeelbewijsleveren? Mocht het hof de bewijsaanbiedingen van verkoper passeren?
1.Feiten
klinisch en röntgenologisch geen significante bevindingen’.
Diagnose: Osteo-artrose kroongewricht.
2.Procesverloop
lastig [zal] zijn om de oorzaak van de kreupelheid nog te achterhalen’ en daarmee te kennen geeft dat hij de oorzaak van de kreupelheid niet heeft kunnen vaststellen, laat staan dat hij heeft kunnen vaststellen dat dit (pas) na de aflevering van het paard is ontstaan.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
eersteonderdeel klaagt dat het hof buiten de rechtsstrijd is getreden door ervan uit te gaan dat (alleen) [eiser] de wederpartij is van [verweerster] . Het
tweedeonderdeel richt zich tegen het oordeel van het hof dat [eiser] bij de verkoop van het paard bedrijfsmatig handelde en dat zodoende sprake is van een consumentenkoop. Het
derdeonderdeel stelt aan de orde dat het hof van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan door te overwegen dat [eiser] tegendeelbewijs in plaats van tegenbewijs dient te leveren tegen het bewijsvermoeden van art. 7:18 lid 2 BW Pro. Het
vierdeonderdeel richt zich tegen het oordeel dat [eiser] geen voldoende concreet en gespecifieerd bewijsaanbod heeft gedaan in verband met het gestelde gebrek van het paard. Het
vijfdeonderdeel stelt aan de orde dat het hof heeft miskend dat de stelplicht en bewijslast van de opgevoerde schade bij [verweerster] ligt. Het
zesdeonderdeel bevat een voortbouwklacht.
alleen[betrokkene 1] haar wederpartij is. Bovendien concludeert [verweerster] aan het slot van haar memorie van antwoord tot verwerping van het hoger beroep van [eiser] en tot bekrachtiging van de bestreden vonnissen.
subonderdeel 2a(in par. 8) heeft het hof miskend dat bij de beoordeling of sprake is van handelen in de uitoefening van beroep of bedrijf alle relevante omstandigheden van het geval bij die kwalificatie moeten worden betrokken, waaronder de criteria die volgen uit het
Kamenova-arrest van het Europese Hof van Justitie (HvJ EU). [8] Volgens het subonderdeel (par. 10) is het verder onjuist, althans onbegrijpelijk dat het hof, in het licht van de criteria die volgen uit het
Kamenova-arrest, voorbijgaat aan de volgende essentiële stellingen van [eiser] dat:
Kamenova-arrest had moeten onderzoeken in welke mate de verkoop van het paard verband hield met de commerciële en beroepsmatige activiteit van de verkoper ( [eiser] ). Het is volgens het subonderdeel zonder nadere motivering onbegrijpelijk waarom bepaalde stellingen van [eiser] niet afdoen aan het oordeel dat sprake is van bedrijfsmatig handelen.
Het subonderdeel klaagt verder (in par. 13) dat onjuist of onbegrijpelijk is het oordeel van het hof dat uit het geciteerde bericht op de site “Horse sale/paarden kopen en verkopen” zonneklaar zou blijken dat [eiser] anders dan incidenteel paarden verkoopt en in zoverre dus bedrijfsmatig handelt. Volgens het subonderdeel is het citaat in het licht van de criteria uit het
Kamenova-arrest onvoldoende voor de conclusie dat sprake is van bedrijfsmatig handelen.
de koop met betrekking tot een roerende zaak die wordt gesloten door een verkoper die handelt in het kader van zijn handels-, bedrijfs-, ambachts- of beroepsactiviteit en een koper, natuurlijk persoon, die handelt voor doeleinden buiten zijn bedrijfs- of beroepsactiviteit’. Deze op 1 mei 2003 in werking getreden bepaling betreft de implementatie van art. 1 lid 2 Richtlijn Pro 1999/44/EG (Richtlijn consumentenkoop). [10] De terminologie ‘
handels-, bedrijfs-, ambachts- of beroepsactiviteit’ is per 13 juni 2014 ingevoerd met de implementatie van de Richtlijn 2011/83/EU (Richtlijn consumentenrechten). [11] Deze omschrijving van een verkoper als bedoeld in art. 7:5 e.v. BW sluit aan bij het begrip handelaar in art. 6:230g lid 1 onder b BW, welke definitie ongewijzigd is overgenomen uit de Richtlijn consumentenrechten. [12]
Zentrale zur Bekämpfung unlautern wettbewerbsdat het begrip ‘onderneming’ dezelfde betekenis en juridische draagwijdte heeft als het begrip ‘handelaar’; daaronder vallen zowel natuurlijke personen als rechtspersonen. [15] In deze uitspraak oordeelde het HvJ EU verder dat ook instellingen die een publieke taak uitoefenen, kunnen kwalificeren als een handelaar. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een verkoper die beroeps- of bedrijfsmatig handelt, moet in aanmerking worden genomen dat volgens vaste rechtspraak van het HvJ EU de nationale rechter bij de toepassing van nationale bepalingen het gehele nationale recht in beschouwing moet nemen en dit zo veel mogelijk in het licht van de bewoordingen en het doel van de toepasselijke richtlijn moet uitleggen om tot een oplossing te komen die in overeenstemming is met dit doel. [16]
Kamenovais gewezen onder de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken. In dat arrest overwoog het HvJ EU dat de vraag of een natuurlijke persoon onder het begrip ‘handelaar’ valt, een benadering van ‘geval tot geval’ vereist. [17] Het HvJ EU geeft daarvoor een – niet limitatieve – lijst van gezichtspunten, die een rol kunnen spelen bij de kwalificatie als handelaar (Romeinse nummering door mij toegevoegd): [18]
38. (…) de verwijzende rechter [zal] in het kader van dat onderzoek in het bijzonder moeten nagaan (i) of de verkoop op het onlineplatform op georganiseerde wijze plaatsvindt, (ii) of deze verkoop een winstoogmerk heeft, (iii) of de verkoper met betrekking tot de aangeboden goederen beschikt over informatie en technische vaardigheden waarover de consument niet noodzakelijk beschikt, waardoor hij zich in een gunstigere positie bevindt dan de particulier, (iv) of de verkoper een rechtsvorm heeft aangenomen die het hem mogelijk maakt handelsdaden te stellen alsook (v) in welke mate de onlineverkoop verband houdt met de commerciële en beroepsmatige activiteit van de verkoper, (vi) of de verkoper btw-plichtig is, (vii) of de verkoper die optreedt namens of voor rekening van een bepaalde handelaar of via een andere persoon die namens hem of voor zijn rekening optreedt, een vergoeding of deel van de winst heeft ontvangen, (viii) of de verkoper nieuwe of tweedehandsgoederen (viii-1) koopt om die te verkopen, waardoor deze activiteit (viii-2) met een zekere regelmaat, frequentie en/of gelijktijdig met zijn commerciële of beroepsactiviteit plaatsvindt, (ix) of de te koop aangeboden producten (ix-1) allemaal van hetzelfde type zijn of dezelfde waarde hebben, (ix 2) in het bijzonder of het aanbod is geconcentreerd op een beperkt aantal producten.
Kamenova-arrest volgt dat bij de kwalificatie als handelaar in de zin van Richtlijn oneerlijke handelspraktijken niet kan worden volstaan met het betrekken van één of twee relevante aspecten bij de beoordeling; alle relevante omstandigheden van het geval moeten daarbij worden betrokken. [19]
Kamenova-arrest voor het begrip ‘handelaar’ in de zin van de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken zich één-op-één laat toepassen bij de uitleg van het begrip ‘verkoper die handelt in het kader van zijn handels-, bedrijfs, ambachts- of beroepsactiviteit’ als bedoeld in de Richtlijn consumentenkoop c.q. art. 7:5 BW Pro. [20] Deze vraag hoeft in het kader van het cassatieberoep van [eiser] echter geen beantwoording.
Kamenova-maatstaf wel van toepassing is, zoals [eiser] bepleit, valt namelijk niet in te zien dat de in het subonderdeel 2a genoemde stellingen kunnen afdoen aan het oordeel van het hof, dat op grond van de relevante feiten en omstandigheden van het geval moet worden aangenomen dat [eiser] moet worden aangemerkt als een verkoper in de zin van art. 7:5 BW Pro. Ik verwijs naar de samenvatting van de overwegingen van het hof hierover (rov. 3.4.2), in deze conclusie opgenomen onder 2.12, sub ii. In rov. 3.4.2 bespreekt het hof het grootste deel van de in het subonderdeel genoemde stellingen expliciet; voor het overige ligt in rov. 3.4.2 besloten dat het hof die stellingen verwerpt als onvoldoende toegelicht of onderbouwd. Het hof komt vervolgens tot de slotsom dat – in het licht van alle relevante omstandigheden van het geval, waarbij het hof zich klaarblijkelijk in belangrijke mate heeft gebaseerd op de in het geding gebrachte screenshots van webpagina’s van internet [21] – [eiser] bij de verkoop van het paard bedrijfsmatig heeft gehandeld. Dat oordeel berust niet op een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd. Hiermee falen de subonderdelen 2a en 2b.
rechtens genoegzaam bewijs’ sluit tegenbewijs niet per definitie uit, althans biedt ruimte voor de door de wetgever voorgestane uitleg van de richtlijn, aldus [eiser] .
Of de zaak aan de overeenkomst beantwoordt moet worden beoordeeld naar het moment van aflevering. Zie Parl. Gesch. Boek 7, p. 118. Indien evenwel pas op een later tijdstip blijkt dat de zaak afwijkt van hetgeen is overeengekomen, kan het voor de koper buitengewoon lastig zijn om te bewijzen dat deze afwijking reeds bestond op het moment van aflevering. Dit zal vooral lastig zijn indien de verkoper het erop houdt dat de afwijking het gevolg is van een onoordeelkundig gebruik. Artikel 5 lid 3 van Pro de richtlijn vereist dat in geval van een consumentenkoop de koper in zijn mogelijke bewijsnood tegemoet wordt gekomen. Met het nieuw voorgestelde artikel 18 lid 2 wordt Pro hieraan uitvoering gegeven. Het bepaalt dat bij een consumentenkoop vermoed wordt dat de zaak bij aflevering niet aan de overeenkomst heeft beantwoord, indien de afwijking van het overeengekomene zich binnen een termijn van zes maanden na aflevering openbaart, tenzij de aard van de zaak of de aard van de afwijking zich daartegen verzetten. Met dit wettelijk vermoeden moet de koper stellen, en bij voldoende gemotiveerde betwisting bewijzen, dat de zaak afwijkt van het overeengekomene en dat deze afwijking zich binnen een termijn van zesmaanden na aflevering heeft geopenbaard. Daaruit moet dan door de rechter worden afgeleid dat de zaak reeds bij aflevering niet aan de overeenkomst heeft beantwoord. Het is dan aan de verkoper om te stellen en, zo nodig, te bewijzen dat de zaak bij aflevering wel aan de overeenkomst heeft beantwoord. In navolging van artikel 5 lid 3 van Pro de richtlijn is bepaald dat dit vermoeden niet geldt indien de aard van de zaak of de aard van de afwijking zich daartegen verzet.”
tegenbewijs(art. 151 lid 2 Rv Pro) door degene ten nadele van wie dit vermoeden werkt. [31] Er is sprake van geslaagd tegenbewijs indien er zoveel twijfel is gezaaid dat de aanvankelijke overtuiging van de rechter aan het wankelen wordt gebracht en deze niet (meer) vermoedt dat de stellingen van de partij op wie het bewijsrisico rust, juist zijn. [32] Het kan echter ook zijn dat aan het tegenbewijs hogere eisen worden gesteld en dat de rechter dit eerst als geslaagd oordeelt of mag oordelen wanneer
bewijs van het tegendeelis geleverd. [33]
Daarbij zij nog opgemerkt dat bij een (wettelijk) bewijsvermoeden in strikte zin niet van een omkering van de bewijslast gesproken kan worden. Door het wettelijk vermoeden wordt voorshands als vaststaand aangenomen dat de zaak bij de aflevering niet aan de overeenkomst heeft beantwoord. Het tegenbewijs dat de verkoper vervolgens dient te leveren behoeft niet het bewijs van het tegendeel te zijn. Voldoende is dat door de tegenbewijslevering zoveel twijfel wordt gezaaid dat niet houdbaar is het vermoeden dat de zaak bij de aflevering niet aan de overeenkomst heeft beantwoord. In dat geval dient de koper dat alsnog ten volle te bewijzen.”
Faber/Hazet Ochtenoverwoog het HvJ EU – naar aanleiding van vragen van het hof Arnhem – het volgende over de bewijslastverdeling van art. 5 lid 3 Richtlijn Pro consumentenkoop: [35]
66 Met die vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen hoe de bewijslast volgens artikel 5, lid 3, van richtlijn 1999/44 wordt verdeeld en in het bijzonder wat de consument moet bewijzen.
bewijzendat het gebrek niet bestond bij de aflevering van de goederen, door
aan te tonendat dit gebrek het gevolg is van of zijn oorsprong vindt in een handelen of nalaten dat dateert van na die aflevering. Deze overweging is moeilijk anders te begrijpen dan dat de bewijslast hier bij de verkoper ligt, waarmee de verkoper tegendeelbewijs moet leveren.
nade aflevering van het paard.
Het onderdeel kan niet slagen.
nietgemotiveerd heeft gesteld dat [verweerster] in het geheel geen stallingskosten zou hebben gemaakt, en dat het gevorderde bedrag naar oordeel van het hof niet onredelijk is, gelet op het feit dat het paard eerder voor een maandelijks bedrag van € 225 gestald stond (en het bedrag van € 2.660 is gebaseerd op een maandbedrag van € 190). Hierop stuiten de motiveringsklachten van het onderdeel af.