Conclusie
1.Feiten en procesverloop
Eiseres tot cassatie onder 1 (hierna: [eiseres 1] ) heeft het aangrenzende perceel in eigendom ( [a-straat 1] in [plaats] , kadastraal bekend als gemeente [plaats] , sectie [002] ).
Eiser tot cassatie onder 2 (hierna: [eiser 2] ) is medebewoner en medegebruiker van dat perceel. Eisers tot cassatie worden hierna gezamenlijk aangeduid als [eisers]
De stichting heeft op 4 september 2017 schriftelijk daartegen geprotesteerd. Zij heeft [eiser 2] geschreven het begrijpelijk te vinden dat hij behoefte had aan een afrastering, en dat om deze reden is aangeboden dit gezamenlijk uit te voeren. De afscheiding diende volgens de stichting echter op eigen grond te worden geplaatst of in onderling overleg op de erfafscheiding. Omdat onduidelijkheid bestond over de exacte plaats van de grens, is volgens de stichting uiteindelijk afgesproken dat het Kadaster zou worden gevraagd de grens te reconstrueren. De stichting schrijft het te betreuren dat [eiser 2] dit moment niet heeft willen afwachten en vooruitlopend hierop een afrastering is gaan plaatsen. De stichting besluit haar brief met de mededeling dat het raster op 1 oktober van haar grond verwijderd dient te zijn. Deze brief is aangetekend verzonden. Op het bewijs van aangetekende verzending staat dat de brief niet is afgehaald en retour afzender is gezonden.
€ 2.500,– voor iedere dag en elke keer dat de op te leggen last en het op te leggen verbod na betekening van het vonnis door [eisers] of één van beiden wordt overtreden;
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Ik behandel eerst de onderdelen 2 en 3, omdat deze van de verste strekking zijn.
Het betekent ook dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [eisers] zich nog zouden kunnen beroepen op enige toezegging van een medewerker van de stichting, zo die al bevoegd zou zijn gedaan, om aan het plaatsen van een raster op de erfafscheiding mee te werken.(curs. A-G) Zowel in de oorspronkelijke conventie en reconventie als in dit hoger beroep zullen [eisers] de proceskosten moeten betalen. Dat betekent dat de grieven 2, 9 en 10 van de stichting doel treffen en die van [eisers] falen.”
Grief 9 luidt als volgt:
Voor het honoreren door de rechter van een beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid gelden zware motiveringseisen.
binnen veertien dagen na betekeningvan het eindvonnis de afrastering diende te verwijderen. Zolang het vonnis niet aan [eisers] was betekend, behoefden dezen dus niets te doen. De omstandigheid dat zij niet aan het vonnis hebben voldaan, kan dan niet in hun nadeel worden gewogen.
Het hof heeft evenwel niet (voldoende) kenbaar op het verweer van [eisers] gerespondeerd.
Dit argument ziet eraan voorbij dat ook de stichting niet heeft voldaan aan haar uitvoerbaar bij voorraad verklaarde veroordeling in reconventie (zie hierboven onder 1.11). Zowel de stichting als [eisers] hebben hoger beroep (principaal respectievelijk incidenteel) ingesteld van het eindvonnis en hebben er kennelijk vervolgens voor gekozen het oordeel in hoger beroep af te wachten.