Conclusie
[eiseres]respectievelijk
Folly.
1.Feiten
de familie) beheert. [betrokkene 1] (hierna:
[betrokkene 1]) en zijn ouders, [betrokkene 2] en [betrokkene 3] , zijn leden van de familie.
[betrokkene 4]) controleert de [A-groep] , een conglomeraat van vennootschappen dat in tal van landen actief is op het gebied van trustdiensten, legal structures, taxation, etc.. [B] B.V. legt zich toe op trustwerkzaamheden, [C] verleent juridische en financiële diensten. [betrokkene 4] is enig aandeelhouder en bestuurder van [B] en indirect bestuurder van [C] .
[eiseres]) is in 2005 met [betrokkene 4] gehuwd. Sinds 2011 leven zij gescheiden van elkaar en in 2016 zijn zij ook voor de wet gescheiden. [eiseres] werkte vanaf 2005 in de [A-groep] [2] en is dat na 2011 nog een aantal jaren blijven doen.
[betrokkene 6]). De familie had aan [betrokkene 6] in 2011 € 4.500.000,- geleend. Deze lening liep via [D] Holding B.V. (hierna:
[D]), waarvan [betrokkene 6] bestuurder en enig aandeelhouder was. Op enig moment hield [betrokkene 6] nog 40% van de aandelen omdat [betrokkene 1] meerderheidsaandeelhouder (60%) was geworden. Dat was de situatie toen [betrokkene 1] zich eind 2012 voor bijstand tot [betrokkene 4] wendde. Volgens [betrokkene 1] had [betrokkene 6] de familie opgelicht door geld te verduisteren en was hij bezig om [D] (verder) leeg te halen.
2.Procesverloop
de rechtbank) een bodemprocedure aangespannen tegen [B] B.V., [betrokkene 4] , [eiseres] en [C] .
Schadevergoeding door [eiseres] ? Ja, uit onrechtmatige daad
Het voorgaande - met name haar ‘blinde’ bestuurderschap bij [D] , met het geven van enorme kansen tot misbruik daarvan aan [betrokkene 4] , en haar stilzwijgen toen haar opening van zaken werd gevraagd - is voldoende om te concluderen dat [eiseres] onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de familie. [eiseres] stelt dat zij tot dit alles werd gedwongen door [betrokkene 4] , maar ook dat zij dit achteraf bezien jaren te lang heeft laten voortduren. Dat valt haar aan te rekenen en zij is dus niet gedisculpeerd tegenover de familie.
Hoofdelijke aansprakelijkheid van [betrokkene 4] en [eiseres] ?
het hof). Folly heeft verweer gevoerd en onder meer gesteld dat het betoog van [eiseres] dat zij part noch deel zou hebben gehad aan het bedrog van [betrokkene 4] ten opzichte van [D] en de familie ongeloofwaardig is. De zaak is gevoegd met het hoger beroep dat [betrokkene 4] en [B] B.V. (hierna:
[betrokkene 4] c.s.) tegen het vonnis van de rechtbank hebben ingesteld. In beide zaken heeft het hof bij arrest van 2 juni 2020 het hoger beroep afgewezen. [7] [8]
Aldus heeft zij jegens de familie onrechtmatig gehandeld, waardoor de familie schade heeft geleden.Dat zij persoonlijk geen contact met de familie onderhield, doet daar niet aan af.”
3.Inleidende beschouwing
eerste lezing). Het bestreden arrest zou in samenhang met het vonnis echter ook zó kunnen worden gelezen dat [eiseres] aansprakelijk is gehouden op grond van groepsaansprakelijkheid (art. 6: 166 BW) en het er op aankomt in hoeverre zij heeft bijgedragen aan het bedrog gepleegd door [betrokkene 4] (hierna:
tweede lezing).
uitkomstvan de zaak is er echter geen verschil: ook als de tweede lezing wordt aangehouden is het cassatieberoep tevergeefs voorgesteld. Omdat art. 6:166 BW Pro niet zo vaak wordt toegepast (en de Hoge Raad over dit artikel welgeteld één arrest heeft gewezen), [12] zal ik kort het juridisch kader schetsen.
objectief criteriumhoudt in dat de individuele deelnemer een bijdrage heeft geleverd aan de gedragingen die het gevaar voor schade hebben doen ontstaan. Niet vereist is dat de persoon zelf daadwerkelijk aan het toebrengen van schade heeft meegewerkt. Daarnaast hoeft niet ieders bijdrage even groot te zijn of gelijksoortig en is niet vereist dat gedragingen naar tijd en plaats een eenheid vormen. [15] Het is voldoende dat de deelnemer op een of andere manier een bijdrage heeft geleverd. [16] De gedragingen in groepsverband waarop art. 6:166 lid 1 BW Pro ziet, betreffen niet het deelnemen aan een groep als zodanig maar concrete onrechtmatige handelingen in groepsverband die schade hebben veroorzaakt. [17] Het enkele ‘er bij zijn’ volstaat dus niet om groepsaansprakelijkheid aan te nemen.
subjectief criteriumhoudt volgens de heersende opvatting in dat een ‘bewuste samenhang’ is vereist tussen de gedragingen van de deelnemers van de groep. Opzet gericht op het toebrengen van de schade niet is vereist. [18] Van Boom meent dat een
bewustzijnvan gemeenschappelijk optreden “
wel het minste is dat kan worden geëist om van één groepsgedraging te kunnen spreken”als tegenwicht van het loslaten van het csqn-vereiste. [19] Ik kan mij in deze benadering vinden, maar merk wel op dat een dergelijk ‘bewustheidscriterium’ bewijsproblemen zou kunnen oproepen. De Hoge Raad heeft zich hier nog niet over uitgelaten. In het arrest
TVM/Verweerdersis geoordeeld dat voor de toepassing van art. 6:166 BW Pro is vereist “
dat de aangesprokene wist of behoorde te weten dat het groepsoptreden de kans schiep op de in het concrete geval geleden schade” (rov. 5.3.5, slot). [20] Dat lijkt een lichtere toets dan bijvoorbeeld de eis van ‘bewust gezamenlijk optreden’. [21]
geen zuivere koffie”). In dit oordeel ligt eveneens besloten het oordeel dat [eiseres] in ieder geval had behoren te voorzien dat er een reële mogelijkheid was dat haar gedragingen in groepsverband met [betrokkene 4] zouden uitmonden in schade voor de familie. Door te overwegen zoals het heeft gedaan, heeft het hof het subjectieve criterium evenmin miskend.