Conclusie
Nummer 21/02904
Zitting: 22 juli 2021
Indien de officier van justitie oordeelt dat hier geen sprake van is, laat hij dit weten aan de aangever. Als de aangifte niet voldoende concreet is maar de officier van justitie wel het vermoeden heeft dat er sprake kan zijn van een aangifte, bericht hij dit aan de aangever met het verzoek om een concretisering.
Indien er wel sprake is van een aangifte, beoordeelt de officier van justitie of er sprake is van een ambtsdelict door een bewindspersoon of kamerlid. Is dat niet het geval dan kan het openbaar ministerie de aangifte verder behandelen. In het geval het wel om een dergelijke aangifte gaat dient het openbaar ministerie de aangifte door te sturen aan de minister van Justitie en Veiligheid.
Hiermee lijkt de brief te hinken op twee redenen voor het niet in behandeling nemen van de aangifte, waarbij de laatste reden lijkt te derogeren aan de eerste: de indruk wordt gewekt dat de officier de aangifte seponeert, terwijl hij daartoe niet bevoegd zou zijn op grond van de bijzondere regeling [2] .