Conclusie
1.Inleiding
Algemeen
Krohn & Schröder [8] en de conclusie bij dat arrest, waaruit volgens haar indirect kan worden afgeleid dat de vervaldatum niet relevant is. De goederen zijn bovendien bij de Douane aangebracht voordat de vervaldatum was verstreken. Belanghebbende geeft de Hoge Raad in overweging prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie.
2.Beschouwing
Vrijstelling van antidumpingrecht en compenserend recht
Krohn & Schröder [16] gewezen. In de zaak die tot dat arrest heeft geleid gaat het - evenals in de onderhavige zaak - over de invoer van fotovoltaïsche modules en de vrijstellingen voor antidumpingrechten en compenserende rechten. Het Finanzgericht Hamburg heeft in die zaak vijf prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie over onder meer de toepassing van de uitvoeringsverordeningen (EU) nr. 1238/2013 en nr. 1239/2013. In de derde prejudiciële vraag heeft de verwijzende rechter onder meer gevraagd of een verbinteniscertificaat na het ontstaan van een douaneschuld alsnog kan worden overgelegd binnen een door de douaneautoriteiten gestelde termijn. Het Hof van Justitie is niet toegekomen aan het beantwoorden van deze vraag omdat beantwoording van de tweede vraag al ertoe leidde dat geen aanspraak kon worden gemaakt op de vrijstellingen. Deze zaak verschilt van de zaak van belanghebbende omdat belanghebbende de verbinteniscertificaten wel bij de aangiften voor het vrije verkeer heeft overgelegd.
Jebsen & Jessen [20] gaat het om de vrijstelling voor antidumpingrechten bij de invoer van citroensap. Om in aanmerking te komen voor deze vrijstelling moet de importeur bij de aangifte voor het vrije verkeer een verbintenisfactuur overleggen. Deze verbintenisfactuur moet een aantal gegevens bevatten die zijn opgesomd in een bijlage bij een verordening van de Raad, waaronder een verwijzing naar het toepasselijke uitvoeringsbesluit van de Commissie. Jebsen & Jessen heeft citroensap ingevoerd en bij de aangiften verbintenisfacturen overgelegd die verwezen naar een verkeerd uitvoeringsbesluit. Aangezien de verbintenisfacturen niet verwezen naar het toepasselijke uitvoeringsbesluit hebben de Duitse douaneautoriteiten geweigerd vrijstelling van het antidumpingrecht te verlenen. Naderhand heeft Jebsen & Jessen bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van haar verzoek om terugbetaling van de antidumpingrechten en daarbij gecorrigeerde verbintenisfacturen overgelegd, waarin melding werd gemaakt van het juiste uitvoeringsbesluit. De douaneautoriteiten hebben echter opnieuw geweigerd vrijstelling van de antidumpingrechten te verlenen.
Tigers [23] , waarin het de importeur wel werd toegestaan ná de douaneaangifte een geldige handelsfactuur over te leggen ter verkrijging van een (lager) individueel antidumpingrecht. In dat geval mocht artikel 78 CDW Pro (herziening van de aangifte) wel worden toegepast. Het Hof van Justitie geeft hiervoor zelf de verklaring dat in de verordening die het in
Tigersonderzocht niet was bepaald op welk tijdstip de handelsfactuur overgelegd moest worden. [24]
aangebracht. Volgens artikel 97 duodecies Pro(5) UCDW is een bewijs van oorsprong tien maanden geldig vanaf de datum van afgifte in het land van uitvoer. Het bewijs moet binnen deze termijn bij de douaneautoriteiten van het land van invoer worden ingediend.