Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
ondeugdelijkeprestaties, en niet op het geval dat in het geheel geen prestatie is verricht.
2.Feiten en procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
(...) Destijds heb ik uitdrukkelijk alleen opdracht gekregen van (...) [voormalige echtgenote van eiser] in deze kwestie. Weliswaar heb ik met Uw cliënt een aantal malen telefonisch contact gehad en hij is ook een [3] aan de balie geweest. Al die keren heb ik hem hierop uitdrukkelijk gewezen en ook geadviseerd om een eigen advocaat (...) te nemen. (...)”. Uit dit bericht kan naar het oordeel van het hof, zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, niet de conclusie worden getrokken dat [eiser] ook na (begin) 2007 nog bij [verweerster] is geweest dan wel gebeld heeft naar [verweerster] . Uit dit bericht valt immers niet op te maken hoe vaak, laat staan wanneer, [eiser] bij [verweerster] is geweest dan wel met haar gebeld heeft, terwijl ook onduidelijk blijft wat dan volgens [eiser] in het contact precies aan de orde is geweest. Daarmee heeft [eiser] de stellingen van [verweerster] dat er vanaf begin 2007 geen contact meer tussen [eiser] en [betrokkene 1] is geweest en dat [eiser] nooit (meer) een update heeft ontvangen van de stand van zaken respectievelijk de voortgang van de ondernomen acties, onvoldoende weersproken. [eiser] heeft niet, althans onvoldoende betwist dat aan hem nooit concepten zijn voorgelegd van te versturen brieven en/of in te dienen processtukken en dat hij nooit afschriften heeft ontvangen van verstuurde brieven en/of ingediende processtukken. Dit alles leidt het hof tot het oordeel dat [eiser] al veel eerder dan 2011 gerede twijfel moet hebben gehad om te veronderstellen dat er sprake zou kunnen zijn van een gebrek in de prestatie van [verweerster] . [eiser] had naar het oordeel van het hof reeds in de loop van 2008 - en in elk geval vóór maart 2010 zoals [verweerster] stelt - zodanige gerede twijfel moeten hebben gehad, die hem tot onderzoek had moeten aanzetten.
onderdeel 1beroept zich op het arrest
Brocacef/FGC, [4] waarin door uw Raad is overwogen:
nietverrichten van de verschuldigde prestatie. Dat vertrekpunt lijkt mij onmiskenbaar juist. Het hof is ervan uitgegaan dat [verweerster]
nietde belangen van [eiser] behartigd heeft, hoewel ze daartoe op grond van een overeenkomst van opdracht gehouden was, onder meer door [eiser] vorderingen
te latenverjaren (dus door
na te latende verjaring te stuiten).
begonnen ismet het behartigen van het belang van [eiser] , onder meer door een toevoeging namens [eiser] aan te vragen en brieven aan [installatiebedrijf] namens [eiser] te zenden. Dit neemt echter niet weg dat het vervolgens nalaten te doen van hetgeen nader in het belang van [eiser] diende plaats te vinden, onder meer het stuiten van de verjaring, niet een
ondeugdelijkeprestatie is, maar het in het geheel niet verrichten van de verschuldigde prestatie. In dit verband dienen we erop te letten dat uit een overeenkomst van opdracht als de onderhavige de verschuldigdheid van meerdere prestaties kan voortvloeien. De verschuldigde prestatie om de verjaring te stuiten, is te onderscheiden van de prestatie om een toevoeging voor [eiser] aan te vragen en/of [installatiebedrijf] in andere zin dan met het oog op stuiting aan te schrijven. Het verricht zijn van de ene prestatie, brengt niet mee dat het nalaten van het verrichten van een andere, eveneens verschuldigde prestatie, als een geval van ondeugdelijke nakoming dient te gelden. Integendeel, dat nalaten is en blijft het in het geheel niet verrichten van de verschuldigde prestatie. Ik ontken niet dat er overgangsgevallen denkbaar zijn, waarin de rechter die over de feiten oordeelt een zekere speelruimte behoort te worden gegund om wel of niet van een kwalificatie als ondeugdelijke prestatie uit te gaan. [verweerster] heeft met betrekking tot het stuiten van de verjaring echter in het geheel niets gedaan, zodat een dergelijk overgangsgeval zich hier niet voordoet.
en daardoor moeilijk te betwistenklachten, [7] en dus bij uitstek tegen benadeling in de mogelijkheid om tegenover een vordering van de schuldeiser bewijs of tegenbewijs te leveren. Dat sluit op zichzelf niet uit dat in de belangenafweging die ziet op de lengte van de klachttermijn ook andere nadelen voor de schuldenaar worden betrokken, bijvoorbeeld een verlies van de mogelijkheid om regres op een derde te nemen. Het ligt echter weinig voor de hand dat ook het nadeel voor [verweerster] dat zij voor haar tekortkoming kan worden aangesproken, in de belangenafweging zou mogen worden betrokken, zoals het hof in rechtsoverwegingen 6.29-6.30 heeft gedaan. Dat nadeel is eenvoudig het gevolg van het (in cassatie te veronderstellen) tekortschieten van [verweerster] als advocaat van [eiser] . (Vergelijk het vierde onderdeel onder 4.2.)