Conclusie
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Het principaal cassatieberoep
nominalestudietijd verstaan, zo blijkt uit de parlementaire geschiedenis van de Wet versterking kwaliteitswaarborgen hoger onderwijs [10] :
nominale tijdvan zittende studenten plus een jaar. Deze begrenzing is ingevoerd bij opleidingen die niet meer werden geaccrediteerd, maar niet bij opleidingen die om andere redenen de opleiding afbouwen. Het gevolg hiervan kan zijn dat die termijn onwenselijk lang kan duren. Het ligt in de rede om ook voor die situaties dezelfde afbouwmogelijkheid voor te schrijven als uitzondering op het uitgang[s]punt dat zittende studenten ergens anders moeten worden ondergebracht. Ik zal een voorstel doen de wet op dit punt aan te passen.” [onderstreping A-G]
eerste onderdeelkomt op tegen het oordeel in rov. 3.9 dat [eiser] de vierjarige opleiding normaal gesproken zou hebben moeten kunnen afronden in het studiejaar 2013/2014 en, vermeerderd met een jaar, uiterlijk in het vijfde studiejaar 2014/2015. Het onderdeel bestrijdt ook het oordeel in rov. 3.10 dat “niet onbegrijpelijk [is] dat bij HZ niet langer het vertrouwen bestond dat [eiser] de deeltijdopleiding Werktuigbouwkunde binnen de aan de orde zijnde redelijke tijd zou kunnen voltooien.” Het onderdeel betoogt dat deze twee oordelen onbegrijpelijk zijn. In de uitwerking en toelichting worden de klachten geformuleerd. Daarin vallen als ik het goed zie vier klachten te ontwaren.
eerste klachthoudt in dat hof niet heeft vastgesteld 1) wanneer de redelijke tijd is gaan lopen, 2) hoe lang de redelijke tijd in dit geval is en 3) tot wanneer de redelijke tijd liep. Zonder die vaststellingen kan onmogelijk worden beoordeeld of het aannemelijk was dat [eiser] de opleiding nog binnen de redelijke termijn kon afronden, aldus de klacht.
tweede klachtbetoogt dat het hof het einde van de redelijke tijd had moeten stellen op het einde van het eerste semester van het studiejaar 2015/2016. Dit wordt als volgt toegelicht. De door het hof vastgestelde feiten laten geen andere uitleg toe dan dat de redelijke tijd is gaan lopen in september 2012, toen [eiser] door HZ is geïnformeerd over de aanstaande beëindiging van de opleiding. Voor het bepalen van de termijn is primair de voor de student resterende studieduur van de opleiding relevant. [eiser] was op dat moment net begonnen aan zijn derde studiejaar. Hij had daarom in ieder geval nog twee jaar te gaan. Daarnaast had hij een achterstand uit het tweede jaar van 7 vakken. Niet meer eenvoudig te achterhalen is hoeveel studiepunten met die zeven onderdelen waren gemoeid. Gaat men uit van 30 studiepunten dan is dit een aanvullende resterende studieduur van een half jaar. Een en ander vermeerderd met een jaar is 3,5 jaar. Het einde van de “redelijke tijd” zou daarom moeten zijn: na het eerste semester van het studiejaar 2015/2016.
nominalestudietijd van [eiser] plus een jaar en is aldus tot het oordeel gekomen dat de redelijke tijd loopt tot en met het studiejaar 2014/2015 (zie hiervoor 2.8). Het aanhouden van de resterende
nominalestudieduur vindt steun in de parlementaire geschiedenis (zie hiervoor 2.5). [eiser] verwijst niet naar stellingen in feitelijke instanties waarin hij naar voren heeft gebracht dat de studiebelasting van de zeven door hem nog te herkansen vakken uit het tweede jaar moet worden opgeteld bij deze nominale studieduur, terwijl het gebruik maken van herkansingen de totale studieduur ook niet zonder meer behoeft te beïnvloeden.
derde klachtheeft het hof niet vastgesteld op welke datum de opleiding van [eiser] door HZ is beëindigd. De klacht betoogt dat het hof dit wel had moeten doen. De beëindiging is immers het moment waarop moet worden beoordeeld of HZ niet langer het vertrouwen behoefde te hebben dat [eiser] de opleiding binnen redelijke tijd zou kunnen voltooien. Volgens de klacht is de opleiding op 1 september 2013 geheel beëindigd. Als wordt uitgegaan van die datum en een redelijke tijd van nominaal plus één jaar, dan had [eiser] nog twee jaar (tot en met het studiejaar 2014/2015) om de opleiding te voltooien. Volgens de klacht valt niet in te zien waarom [eiser] geen 52,5 studiepunten zou hebben kunnen behalen in twee jaar (een nominale studievoortgang is 60 studiepunten per jaar), laat staan dat dit zo evident is dat de HZ eenzijdig zijn opleiding mocht beëindigen.
vierde klachthoudt in dat het hof bij de beoordeling van de redelijke verwachtingen ten aanzien van de kansen van [eiser] om de opleiding binnen redelijke tijd af te ronden niet zijn essentiële stellingen over de afbouw van het onderwijs heeft betrokken. Het hof heeft, zo blijkt volgens de klacht uit rov. 3.10, bij de bepaling van de redelijke tijd en de beoordeling dat HZ de opleiding jegens [eiser] mocht beëindigen, uitsluitend gelet op hetgeen HZ [eiser] nog heeft aangeboden. Het hof zou geen acht hebben geslagen op de stellingen van [eiser] (1) dat het uitsluitend tentamengelegenheden en vragenuurtjes betrof en dat hem geen inhoudelijk onderwijs is aangeboden dat hem in staat zou kunnen stellen om de tentamens te behalen en (2) dat al deze tentamens en vragenuurtjes tijdens kantooruren zijn aangeboden, terwijl [eiser] voltijd werkzaam is en juist daarom een deeltijdopleiding volgde, terwijl die feiten redengevend waren voor het oordeel van de rechtbank.
onderdeel Igeen doel treft.
eerste klachtacht onbegrijpelijk dat het hof heeft geoordeeld dat HZ [eiser] in het vijfde studiejaar niet langer de gelegenheid behoefde te geven om de opleiding voort te zetten, ook indien moet worden uitgegaan van de constateringen in rov. 3.10 van het arrest (1) dat [eiser] na september 2013 geen goedgekeurd studieplan heeft ingeleverd, (2) dat [eiser] van de openstaande “courses” niet heeft deelgenomen aan de reguliere herkansingen en (3) dat binnenkort de deelresultaten van “je courses” komen te vervallen. De klacht wijst erop dat HZ het volgens haar reeds in 2011 genomen besluit om de opleiding af te bouwen pas aan het begin van het derde studiejaar 2012/2013 aan de studenten kenbaar heeft gemaakt en dat [eiser] ten tijde van de e-mail van 26 augustus 2014 al 187,5 van de 240 studiepunten had gehaald. Geklaagd wordt dat zonder nadere redengeving niet valt in te zien dat [eiser] de vereiste 240 studiepunten niet zou hebben behaald.
tweede klachtwordt aangevoerd dat het hof heeft miskend dat van HZ, als redelijk bekwame en redelijk handelende hogeschool, in de gegeven omstandigheden had mogen worden verwacht dat zij de nog niet afgeronde cursussen niet direct zou stopzetten en dat zij ook in de latere jaren (tot en met het studiejaar 2014/2015) naast het reguliere deeltijdonderwijs nog zou voorzien in het onderwijs voor die nog niet afgeronde vakken.
derde klachtziet op de passage in rov. 3.10 dat niet onbegrijpelijk is dat bij HZ niet langer het vertrouwen bestond dat [eiser] de opleiding binnen de aan de orde zijnde redelijke tijd zou kunnen voltooien. Dat dit vertrouwen (mogelijk) niet langer bestond, zou onvoldoende zijn om de beslissing van het hof te kunnen dragen. Ook wordt geklaagd dat HZ dit niet heeft aangevoerd en dat dit niet is te lezen in de mail van 26 augustus 2014, zodat het hof buiten de rechtsstrijd is getreden of een ontoelaatbare verrassingsbeslissing heeft genomen.
onderdeel IIacht ik daarom ongegrond.
eerste onderdeelis gericht tegen rov. 3.5 waarin het hof tot uitgangspunt heeft genomen dat [eiser] pas bij e-mail van 10 september 2012 is geïnformeerd over de uitfasering van de (deeltijd) opleiding Werktuigbouwkunde. Volgens het onderdeel is dat oordeel onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Het onderdeel bestaat uit twee subonderdelen.
eerste onderdeeltreft dan ook in mijn ogen geen doel.
tweede onderdeelis geformuleerd voor het geval het oordeel in rov. 3.5 aldus moet worden gelezen dat daarin besloten ligt dat het informeren van studenten over de uitfasering van een door hen gevolgde opleiding door middel van publicatie van een OER (zoals bedoeld in art. 7.13 Whw) met deze informatie op de website van de onderwijsinstelling, niet kan worden aangemerkt als (behoorlijke) informatieverstrekking in de zin van art. 7.15 Whw.