1.1 HZ is een instelling voor hoger onderwijs als bedoeld in art. 1.3 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (Whw) en verzorgt opleidingen in het hbo.
1.2 [eiser] heeft zich in 2010 bij HZ ingeschreven voor de vierjarige deeltijdopleiding Werktuigbouwkunde. Daarnaast had hij een fulltime baan. [eiser] is de opleiding begonnen in september 2010, dus in het studiejaar 2010/2011.
1.3 De studielast van de deeltijdopleiding Werktuigbouwkunde bedroeg in totaal 240 studiepunten, te weten 68,75 in het eerste studiejaar (2010/2011), 52,50 in het tweede jaar (2011/2012), 88,75 in het derde jaar (2012/2013) en 30 in het vierde studiejaar (2013/2014). Voor het eerste jaar had [eiser] een vrijstelling van 22,5 punten, zodat de studielast voor het eerste jaar 46,25 bedroeg.
1.4 HZ heeft in 2011 besloten te stoppen met de deeltijdopleiding Werktuigbouwkunde en deze studierichting te laten opgaan in een (bredere) opleiding Engineering. De studenten, waaronder [eiser] , is dat op enig moment ook meegedeeld.
1.5 [eiser] heeft in het eerste, tweede en derde studiejaar studievertraging opgelopen.
1.6 HZ heeft in het studiejaar 2012/2013 voor verschillende vakken – waaronder voor het vak regeltechniek – zogenaamde opfriscursussen/vragenuren georganiseerd en op verschillende momenten konden (her)tentamens worden gedaan. [eiser] heeft daarvan ook gebruik gemaakt, maar niettemin heeft HZ (bij monde van [betrokkene 1] ) in een bij e-mail van 7 maart 2013 aangehecht overzicht (de “bezemlijst van 7 maart 2013”) vermeld dat er nog zeven vakken openstonden. [eiser] is ook geïnformeerd over de hertentamens.
1.7 HZ heeft [eiser] bij e-mail van 26 augustus 2014 gevraagd zich voor het vijfde studiejaar (2014/2015) niet meer in te schrijven gelet op de gebrekkige studievoortgang en de voorgenomen uitfasering van de opleiding en bericht dat, als hij toch zijn ingenieursdiploma wilde halen, de mogelijkheid openstaat zich in te schrijven voor de voltijdopleiding “Engineering”.
1.8 Niettemin heeft [eiser] zich opnieuw ingeschreven voor het vijfde studiejaar, maar hij is van verdere deelname uitgesloten. Van de vereiste 240 studiepunten heeft hij er uiteindelijk 187,50 behaald.
1.9 Bij brief van 28 september 2015 heeft [eiser] HZ aansprakelijk gesteld en gesommeerd tot betaling van een bedrag van € 131.034,- ter zake van schadevergoeding.
1.10 [eiser] heeft HZ op 3 november 2015 in rechte betrokken. Hij vorderde in eerste aanleg (samengevat en voor zover nog van belang) veroordeling van HZ tot betaling van € 131.034,- vermeerderd met rente en kosten. Primair heeft [eiser] als grondslag voor zijn vordering aangevoerd dat sprake is van een tekortkoming in de nakoming van een (onderwijs)overeenkomst. Subsidiair heeft [eiser] gesteld dat HZ haar zorgplicht jegens hem heeft geschonden door hem vanaf 2012 onvoldoende in de gelegenheid te stellen zijn opleiding te vervolgen en af te ronden, waarmee HZ onrechtmatig heeft gehandeld.
1.11 Op 12 oktober 2016 heeft de rechtbank (eind)vonnis gewezen. Hierbij is HZ veroordeeld om een bedrag van € 4.553,96 plus proceskosten (€ 1.536,98) aan [eiser] te voldoen.
1.12 In rov. 4.1-4.3 heeft de rechtbank de primaire grondslag (vordering uit overeenkomst) verworpen. [eiser] heeft zich als student ingeschreven bij HZ. Met deze inschrijving ontstaat het recht op onderwijs. Een aparte overeenkomst is daartoe niet vereist, zo blijkt uit de wetsgeschiedenis bij art. 7.32 Whw (destijds art. 7.25 Whw). Het feit dat [eiser] zich heeft ingeschreven leidt dus niet tot de conclusie dat een overeenkomst tot stand is gekomen.
1.13 In het kader van de subsidiaire grondslag (vordering uit onrechtmatige daad) heeft de rechtbank het volgende uitgangspunt geformuleerd over de zorgplicht van HZ:
“4.5 Dát er op HZ als hogeschool jegens [eiser] als student een zorgplicht rustte, is op zichzelf tussen partijen niet in geschil. Deze zorgplicht, die kwalificeert als een inspanningsverbintenis, vloeit voort uit de Whw en de specifieke rechtsverhouding tussen hogeschool en student. Ingevolge artikel 7.34 lid 1 Whw geeft de inschrijving aan de student het recht om (kort gezegd) aan het initieel onderwijs van de instelling deel te nemen, om de bijbehorende tentamens en examens af te leggen, om gebruik te maken van andere ten behoeve van de studenten getroffen voorzieningen en het recht op studiebegeleiding. In dat verband rust op de betreffende instelling de zorgplicht om deugdelijk hoger beroepsonderwijs te verzorgen en daarbij jegens haar studenten te handelen zoals in de gegeven omstandigheden van een redelijk bekwame en redelijk handelende onderwijsinstelling verwacht mag worden.”
1.14 Naar de vaststelling van de rechtbank gaat het in deze zaak om de zorgplicht van HZ jegens [eiser] gedurende de afbouwfase van de opleiding. HZ heeft de duur van de afbouwfase volgens de rechtbank op grond van art. 7.34 lid 2 Whw in samenhang met (het later ingevoerde) art. 7.3 lid 6 Whw in redelijkheid mogen bepalen op de resterende studiejaren vermeerderd met een jaar, dus de studiejaren 2011/2012 tot en met 2014/2015 (rov. 4.6).
1.15 De rechtbank is van oordeel dat aan HZ valt toe te rekenen dat het volgens haar in 2011 genomen besluit om de opleiding af te bouwen pas aan het begin van het derde studiejaar 2012/2013 aan de studenten bekend is gemaakt. HZ heeft onvoldoende onderbouwd dat [eiser] met dit besluit eerder bekend was of had moeten zijn (rov. 4.9). Van HZ had in de gegeven omstandigheden mogen worden verwacht dat zij de nog niet afgeronde tweedejaarscursussen niet direct zou stopzetten en dat zij in het derde studiejaar naast het reguliere deeltijdonderwijs in de derdejaarsvakken zou voorzien in het reguliere deeltijdonderwijs in de tweedejaarsvakken (rov. 4.10). Onvoldoende is dat HZ voor de tweedejaarsvakken opfriscursussen en studiegroepen heeft georganiseerd, dat er meermaals gelegenheid is geboden om hertentamens te doen en dat de studenten intensief werden gemonitord door een uitfaseercoördinator; dit alles is geen redelijk alternatief voor het reguliere deeltijdonderwijs (rov. 4.11).
1.16 De rechtbank is daarom tot het oordeel gekomen dat HZ in 2011-2012 en 2012-2013, nadat zij had besloten tot het uitfaseren van de opleiding, niet heeft gehandeld zoals in de gegeven omstandigheden van een redelijk bekwaam en redelijk handelend hogeschool mag worden verwacht en dat zij daarmee jegens [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld (rov. 4.12).
1.17 Daarna is de rechtbank toegekomen aan het causaal verband, de schade en het beroep op eigen schuld. De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat HZ gehouden is om de schade te vergoeden die aan één jaar studievertraging valt toe te rekenen. De rechtbank begroot deze schade op € 4.553,96 (zijnde één jaar collegegeld ad € 1.550,-, een bedrag van € 684,- aan extra studiekosten en een verschil in netto salaris van € 2.319,96) (rov. 4.15-4.20).
1.18 [eiser] heeft hoger beroep ingesteld. Hij heeft vier grieven aangevoerd, zijn eis vermeerderd en gevorderd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en (opnieuw rechtdoende) HZ zal veroordelen tot betaling van € 173.184,- vermeerderd met rente en kosten.
1.19 In incidenteel appel heeft HZ 18 grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis en, opnieuw rechtdoende, afwijzing van de vorderingen en terugbetaling van al hetgeen HZ heeft voldaan uit hoofde van het vonnis, vermeerderd met rente en kosten.
1.20 Bij arrest van 10 maart 2020 heeft het hof Den Bosch het vonnis vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van [eiser] afgewezen. [eiser] is veroordeeld tot terugbetaling van al hetgeen HZ heeft voldaan uit hoofde van het vonnis, zijnde € 6.090,94 te vermeerderen met rente, en tot betaling van de proceskosten in beide instanties. De daaraan ten grondslag liggende overwegingen kunnen als volgt worden samengevat.
1.21 In rov. 3.4 stelt het hof voorop dat [eiser] geen grief heeft gericht tegen het oordeel dat geen sprake is van een (onderwijs)overeenkomst, zodat ook het hof daar vanuit gaat. Ten aanzien van de subsidiaire grondslag gaat het hof uit van het eveneens onbestreden uitgangspunt in rov. 4.5 van het vonnis over de zorgplicht van HZ (zie hiervoor in 1.13).
1.22 Het hof is, net als de rechtbank, tot de conclusie gekomen dat [eiser] pas bij e-mail van 10 september 2012 is geïnformeerd over de uitfasering van de opleiding:
“3.5 [eiser] is in september 2010 (studiejaar 2010/2011) naast zijn voltijd baan begonnen aan de deeltijdopleiding werktuigbouwkunde bij HZ, en als door hem niet bestreden staat vast dat HZ in 2011 heeft besloten tot – wat zij noemt – een planningsneutrale conversie van de opleidingen [lees: opleiding, A-G] Werktuigbouwkunde en de opleiding Elektrotechniek tot de brede HBO-bachelor opleiding 'Engineering'. Dat heeft er hoe dan ook toe geleid dat HZ zou gaan stoppen met de deeltijd opleiding Werktuigbouwkunde die [eiser] volgde. Dat de (deeltijd) opleiding Werktuigbouwkunde zou worden 'uitgefaseerd' is de studenten Werktuigbouwkunde, waaronder [eiser] bij e-mail van 10 september 2012 meegedeeld (rov. 2.6 van het bestreden vonnis). Uit de als productie 1 en 2 bij memorie van antwoord door HZ overgelegde standaardbrieven valt niet af te leiden dat, en wanneer, die aan [eiser] zijn gezonden, en uit de e-mail van [eiser] van 18 juni 2012 (productie 3 memorie van antwoord) kan het hof niet met voldoende duidelijkheid destilleren dat [eiser] toen al wist van de uitfasering van de door hem gevolgde deeltijdopleiding. Ook het hof neemt daarom tot uitgangspunt dat [eiser] eerst bij e-mail van 10 september 2012 is geïnformeerd over de uitfasering van de opleiding Werktuigbouwkunde.”
1.23 Vervolgens overweegt het hof dat de rechtbank bij de vaststelling van de reikwijdte van de op HZ rustende zorgplicht – door partijen niet bestreden – heeft aangeknoopt bij het toepasselijke art. 7.34 lid 2 Whw. Daarin is bepaald dat indien het instellingsbestuur een opleiding beëindigt, het bestuur het tijdstip bepaalt waarop die beslissing van kracht wordt, zodanig dat de voor de opleiding ingeschreven studenten de opleiding aan dezelfde of aan een andere instelling binnen een redelijke tijd kunnen voltooien. Bij de invulling van het begrip “redelijke tijd” heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij art. 7.3 lid 6 Whw, hoewel deze bepaling aan de Whw is toegevoegd nadat HZ het besluit tot beëindiging heeft genomen. Krachtens die bepaling worden, als het bestuur besluit een opleiding te beëindigen, de studenten in de gelegenheid gesteld hun opleiding zonder onderbreking te vervolgen. Hierbij wordt een termijn in acht genomen die ten hoogste de voor de betrokken studenten resterende, aan de studielast van de opleiding gerelateerde studieduur vermeerderd met een jaar bedraagt. Evenals de rechtbank zoekt het hof aansluiting bij de “redelijke tijd” van art. 7.3 lid 6 Whw, nu dit een kennelijk breed gedragen codificering en verduidelijking is van dit begrip (rov. 3.6 en 3.8).
1.24 Voor de verdere beoordeling acht het hof de volgende feiten en omstandigheden van belang:
“3.9 [eiser] is in het studiejaar 2010/2011 met de vierjarige deeltijdstudie Werktuigbouwkunde aangevangen en heeft in ieder geval bij e-mail van 10 september 2012 te horen gekregen dat zijn deeltijdopleiding wordt 'uitgefaseerd'. Hij zou die vierjarige opleiding normaal gesproken hebben moeten kunnen afronden in het studiejaar 2013/2014 en, vermeerderd met een jaar, uiterlijk in het vijfde studiejaar 2014/2015. Uit de in zoverre niet bestreden vaststaande feiten (vonnis van 12 oktober 2016 onder 2.5, 2.7, 2.13, 2.21) blijkt dat [V]an der Werff, hoewel in het eerste jaar begonnen met een forse vrijstelling voor 22,5 studiepunten, in de loop van de studiejaren 2010/2011, 2011/2012 en 2012/2013 steeds aanzienlijke achterstanden heeft laten ontstaan. Blijkens de bezemlijst van 7 maart 2013 stonden bij [eiser] nog 7 vakken open, overeenkomstig de bezemlijst van september 2012. Dat betekent dat hij in 2013 nog 7 vakken moest doen uit 2012. Bij het stoppen van de opleiding diende hij van het totaal van 240 studiepunten er nog steeds 52,5 te halen. Uit diezelfde vaststaande feiten, voor zover niet bestreden, kan bovendien worden afgeleid dat HZ op diverse momenten voor verschillende vakken opfriscursussen/vragenuren heeft gehouden en gelegenheid heeft gegeven (her)tentamens te doen, waaronder in 2012 (rov. 2.8 van het bestreden vonnis) alsmede de – zoals onbestreden door HZ is aangevuld (memorie van antwoord/grieven incidenteel hoger beroep randnummer 105, toelichting grief 2) – volgende tentamenmogelijkheden:
- voor het vak CU09229: 7 november 2012, herkansing 8 april 2013;
- voor het vak CU09230: 27 november 2012, herkansing 22 april 2013;
- voor het vak CU09231: 19 december 2012, herkansingen 29 januari 2013 en 8 mei 2013.
Verder zijn hertentamens voor de vakken CU09229, CU09230 en CU09231 aangekondigd bij e-mail van 19 maart 2013, en zijn deze gehouden op 8 april 2013, 22 april 2013 en 8 mei 2013. Als door [eiser] niet bestreden heeft HZ bovendien aangevoerd dat wat betreft cursus CU09230 nog een tentamen heeft plaatsgevonden op 8 mei 2013. Voorts zijn op 13 mei 2013 en 12 juni 2013 (her)tentamens gehouden voor het vak CU05005. Tot slot blijkt uit de e-mail van docent [betrokkene 2] van 30 september 2013 (productie 9 inleidende dagvaarding) dat ook in het tweede semester van het vierde studiejaar 2013/2014 lessen zouden worden gegeven, dat er twee tentamens voor het vak Regeltechniek zouden worden gegeven, dat er weliswaar geen avondprogramma's meer waren maar dat de theorie van CU04448 overdag zou worden gegeven en dat er nog twee tentamens zouden komen.”
1.25 Het hof oordeelt dat HZ niet in strijd heeft gehandeld met haar zorgplicht door [eiser] in het vijfde studiejaar niet langer de gelegenheid te geven de opleiding voort te zetten:
“3.10 Nu [eiser] enerzijds, na op 10 september 2012 te zijn geïnformeerd over de beëindiging van de deeltijdopleiding Werktuigbouwkunde, diverse mogelijkheden is geboden tot het volgen van opfriscursussen en vragenuren, en anderzijds op verschillende data (her)tentamenmogelijkheden bestonden, is aan hem, die het eerste jaar begon met een vrijstelling van 22,5 studiepunt[en], voldoende mogelijkheden gegeven zijn deeltijdstudie tijdig af te ronden. Niettemin heeft hij vanaf het eerste studiejaar achterstanden laten ontstaan, en bestond op het moment van beëindiging van de opleiding nog steeds een niet geringe achterstand van 52,5 studiepunten op een totaal van 240 voor de vierjarige deeltijdopleiding. Gelet daarop is niet onbegrijpelijk dat bij HZ niet langer het vertrouwen bestond dat [eiser] de deeltijdopleiding Werktuigbouwkunde binnen de aan de orde zijnde redelijke tijd zou kunnen voltooien. Dat betekent dat niet kan worden gezegd dat HZ in strijd met de op haar rustende zorgplicht, en daarmee jegens [eiser] onrechtmatig, heeft gehandeld door hem in het vijfde studiejaar niet langer de gelegenheid te geven de opleiding voort te zetten, onder verwijzing naar de constatering – waarvan de juistheid door [eiser] overigens niet is bestreden – (1) dat hij na september 2013 geen goedgekeurd studieplan heeft ingeleverd, (2) dat hij van de openstaande 'courses' [die nog openstonden] niet heeft deelgenomen aan de reguliere herkansingen en (3) dat binnenkort de deelresultaten van een deel van 'je courses' komen te vervallen (e-mail van 26 augustus 2014, productie 17 conclusie van antwoord).”
1.26 In rov. 3.11 concludeert het hof dat grieven 7 tot en met 18 van het incidenteel beroep van HZ slagen en dat het vonnis daarom moet worden vernietigd. Gelet op de devolutieve werking heeft [eiser] dan weer belang bij zijn door de rechtbank verworpen beroep op wanprestatie, maar volgens het hof heeft hij niets aangevoerd dat op dit punt tot een andere beslissing aanleiding geeft. Aan het bewijsaanbod van [eiser] gaat het hof voorbij omdat geen feiten en omstandigheden zijn aangevoerd die, indien bewezen, aan het voorgaande kunnen afdoen. Tot slot heeft het hof de hoogte van de proceskosten vastgesteld.
1.27 [eiser] heeft tijdig cassatie ingesteld. HZ heeft geconcludeerd tot verwerping van het principaal cassatieberoep en heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. [eiser] heeft geconcludeerd tot verwerping van het voorwaardelijk incidenteel beroep. HZ heeft haar standpunt schriftelijk laten toelichten, waarna [eiser] heeft gerepliceerd.