Conclusie
1.Feiten
Begrippenlijst
aanspraaken per
verzekeringsjaartot maximaal de op het verzekeringsbewijs vermelde limieten.
aanspraaktijdens de geldigheidsduur van de verzekering voor de eerste maal is ingesteld en ook dat deze
aanspraaktijdens de geldigheidsduur van de verzekering schriftelijk bij
onsis aangemeld;
aanspraakdan wel de betreffende
omstandigheidbij het aangaan van de verzekering niet bekend was bij
uals
verzekeringnemerof bij de verzekerde die aansprakelijk is gesteld.
schade.
verontreinigingvan de bodem, het oppervlaktewater of één of meer al dan niet ondergronds(e) water(gangen), die rechtstreeks en uitsluitend het gevolg is van een
emissiedie veroorzaakt is door het verzekerde gevaar:
brand;
blikseminslag;
ontploffing.
verzekerde locatie
saneringvan de
verzekerde locatie.
expertisekosten;
bereddingskosten;
kosten van preventieve opruiming;
sanering;
saneringte kunnen uitvoeren. Hieronder worden ook verstaan de kosten van hulpconstructies;
sanering. Hieronder worden ook verstaan de kosten van afbraak en
herbouw;
verontreinigingbeschadigd zijn.
wij:
verontreinigingzich manifesteert binnen de looptijd van de verzekering.
verzekerde locatieverzekeren
wijook de
zaakschadedie op de
verzekerde locatieis voorgevallen als gevolg van een
verontreinigingvan de bodem, het oppervlaktewater of één of meer al dan niet ondergrondse watergangen.
Wat is er gedekt op de Milieuschadeverzekering?
Feiten, die voortvloeien uit of verband houden met een handelen of nalaten van verzekerde(n) waarvan in redelijkheid kan worden aangenomen dat deze zullen leiden lot een aanspraak legen verzekerde(n).” Uw melding voldoet niet aan deze omschrijving. Daarom neem ik deze melding niet in behandeling.”
2.Procesverloop
3.Bereddingsplicht en bereddingskosten
Inleiding
Staedion-arrest);
Amercentrale-arrest:
Ik kan de schade met een gerust hart laten ontstaan/verergeren, want ik ben voor die schade toch verzekerd”. De wettelijke bereddingsplicht steekt daar een stokje voor. Tegelijkertijd is beoogd de verzekerde tegemoet te komen. De redelijkerwijs verantwoorde kosten van de verzekerde, gemaakt in het kader van zijn bereddingsplicht, komen ten laste van de verzekeraar, die er immers belang bij heeft dat de verzekerde aan zijn bereddingsplicht voldoet. [11]
verzekering (mede) ten behoeve van een derde, waarbij de verzekeringnemer (ook) verzekeringsdekking voor een derde – een verzekerde – heeft bedongen. [17] Te denken valt aan aansprakelijkheidsverzekeringen waarop werknemers, onderaannemers of gezinsleden van de verzekeringnemer zijn meeverzekerd. [18]
allriskdekking) in brand staat. Van deze verzekerde mag verwacht worden, in zijn verhouding tot zijn autoverzekeraar, dat hij, ervan uitgaande uiteraard dat hij dat op een veilige manier zou kunnen doen, [20] gebruikmaakt van de brandblusser die hem ter beschikking staat en/of dat hij de brandweer belt.
onmiddellijk dreigend gevaar. [22] Deze opvatting heeft zich gevormd in de (oudere) literatuur over art. 283 WvK Pro. Aanvankelijk was de lijn in de literatuur dat de verplichting van de verzekerde enkel ziet op beperking van de schade
nade verwezenlijking van het verzekerde risico. [23] Op die lijn zat eerst ook Nolst Trenité die de volgende verklaring voor dit standpunt gaf:
reddings- en bergingskosten”.” [24]
behoordete zijn. Wist de verzekerde echter niet dat hij schade had geleden of dat zich een schadegeval dreigde voor te doen, en behoorde hij dit ook niet te weten, dan kan hem later geen schending van de bereddingsplicht worden tegengeworpen door de verzekeraar. [30] In art. 7:957 lid 1 BW Pro is zo een zekere objectivering tot uitdrukking gebracht. Bij het antwoord op de vraag of de verzekerde op de hoogte behoorde te zijn, wordt de behoorlijke en zorgvuldige verzekerde als maatstaf genomen en moet met alle omstandigheden van het geval rekening worden gehouden. [31]
binnen redelijke grenzenbereddingsmaatregelen te nemen. Heb ik het goed, dan ligt hierin een begrenzing ten gunste van de
verzekerdebesloten. [32] Kan bijvoorbeeld de verzekerde weliswaar de schade voorkomen, maar enkel tegen direct te maken zeer hoge, boven de verzekerde som uitstijgende kosten of bijvoorbeeld met gevaar voor eigen leven, dan kan de verzekeraar de verzekerde niet tegenwerpen dat hij deze bereddingsmaatregel niet heeft genomen. [33]
verzekerdeschade beogen te voorkomen of beperken. [35] Met de maatregelen moet immers het belang van de verzekeraar gediend zijn geweest.
nahet voorkomen of beperken van de verzekerde schade, komen niet voor rekening van de verzekeraar, omdat dan van beredding in de zin van art. 7:957 BW Pro ook geen sprake meer is. In het zojuist gegeven voorbeeld van de schoorsteen (randnummer 3.18 hiervoor) hoeft de verzekeraar na het stabiliseren of slopen van de schoorsteen niet de kosten van de bouw van een nieuwe schoorsteen te vergoeden, althans niet uit hoofde van art. 7:957 BW Pro: [36]
Staedion-arrest met betrekking tot art. 283 WvK Pro: de door de verzekerde genomen maatregelen moeten redelijk en doelmatig zijn, beoordeeld naar het tijdstip waarop de verzekerde tot het nemen van maatregelen heeft besloten. [40] En net zo min als bij art. 6:96 lid Pro 2, aanhef en onder a, BW is bij art. 7:957 BW Pro vereist dat de bereddingsmaatregelen het beoogde effect hebben gehad: de redelijke kosten moeten worden vergoed “
ook indien de maatregelen geen succes hebben”. [41]
Obliegenheit [47] moet worden opgevat, die bij verzaking aanleiding geeft tot vermindering van de uitkering. [48] Om zeker te stellen dat de verzekeraar ook in deze situatie een dergelijke sanctie toekomt, is lid 3 van art. 7:957 BW Pro in het leven geroepen. [49] Voor het geval onder (iv) geldt dat de verzekeraar jegens de verzekerde de onder (ii) en (iii) genoemde remedies toekomt, al naar gelang de verzekerde zijn aanwijzing al wel respectievelijk nog niet had aanvaard. [50]
G./Nationale Nederlanden, [59] dat in het teken staat van art. 294 WvK Pro, [60] dat samen met art. 276 WvK Pro [61] de wettelijke eigen schuldregeling vormde onder het verzekeringsrecht dat tot 1 januari 2006 heeft gegolden. Dit arrest had betrekking op een geval waarin (een bestuurder van) de verzekeringnemer het verzekerde, in brand staande pand verliet zonder iets te doen. Het hof oordeelde dat er sprake was van merkelijke schuld in de zin van art. 294 WvK Pro, “
daar hij weggegaan is terwijl er in een of meer bedrijfsruimten brand woedde zonder de brandweer te waarschuwen en/of zelf te trachten te brand te blussen.” [62] In cassatie werd aangevoerd dat het hof hiermee het toepassingsbereik van art. 294 WvK Pro te ver had opgerekt, omdat voor toepassing van deze bepaling zou zijn vereist dat de merkelijke schuld van de verzekerde de
oorzaakvan de brand is. Uw Raad verwierp deze klacht, omdat, kort samengevat, het hof óók in de hiervoor omschreven situatie tot merkelijke schuld mocht oordelen. [63] Hoewel Uw Raad zich in dit arrest niet heeft uitgesproken over art. 283 WvK Pro, waarop de verzekeraar klaarblijkelijk geen beroep had gedaan, [64] wordt in de literatuur uit dit arrest afgeleid dat samenloop mogelijk is. [65] Dat is kennelijk het geval, omdat in het arrest
G./Nationale Nederlandeneen situatie aan de orde was die zich voor toepassing van (een beroep op schending van) de bereddingsplicht [plaats 1] : de desbetreffende persoon wist dat er een brand woedde en van hem mocht verwacht worden dat hij de brandweer zou waarschuwen en/of zelf zou proberen de brand te blussen. Hem had net zo goed verweten kunnen worden dat hij geen bereddingsmaatregelen had getroffen. De verzekeraar deed echter een succesvol beroep op art. 294 WvK Pro (eigen schuld), dat dus niet enkel van toepassing is bij
schadeveroorzaking, maar ook bij (verwijtbare) nalatigheid om de gevolgen van een reeds aangevangen schadegeval (hier: een brand) te beperken.
Kortom, de polisdekking en de daarvoor relevante mate van schuld dient ook bepalend te zijn voor de gevolgen van niet-beredding.” [68] Dit kan volgens hem worden bereikt door schrapping van lid 1 en lid 3 van art. 7:957 BW Pro, zodat enkel lid 2 met betrekking tot de vergoeding van de bereddingskosten overblijft. [69] In wezen bepleit Brevet daarmee exclusiviteit van het eigen schuld-regime. Volgens Mendel en de bewerkers van het Asser-deel over het verzekeringsrecht daarentegen prevaleert art. 7:957 BW Pro juist bij samenloop, omdat deze bepaling te zien is als een
lex specialisten opzichte van art. 7:952 BW Pro. [70]
G./Nationale Nederlandenaan de orde was. Het gaat om (vermoedelijk zeldzame) gevallen waarin vast is komen staan dat de verzekerde, hoewel hij moet hebben gezien dat er schade ontstond (er woedde een brand bijvoorbeeld), niets onderneemt om de schade te beperken, terwijl, als hij wel iets had ondernomen, de schade (aanzienlijk) beperkt zou zijn gebleven. Die verzekerde valt in dat geval net zo goed eigen schuld (aan het ontstaan van de schade) te verwijten als een schending van de bereddingsplicht. In zo’n geval zal vaak ook een verdenking van verzekeringsfraude aan de orde zijn, waarbij een eigen schuld-verweer van de verzekeraar beter past dan een beroep op schending van de bereddingsplicht. [71]
danin de uitoefening van een beroep of bedrijf heeft gesloten. Dit betekent dat de verzekeraar, als de verzekeringnemer een consument is, de hoogte van de eventueel door hem te vergoeden bereddingskosten kan maximeren tot een bedrag gelijk aan de verzekerde som. [73] Heeft de verzekeraar dat gedaan, dan is hij in het voor hem meest ongunstige geval, waarin de verzekerde zonder succes hoge bereddingskosten heeft gemaakt, gehouden de verzekerde som uit te keren (ter vergoeding van de schade) én ook nog een bedrag gelijk aan de verzekerde som ter vergoeding van de bereddingskosten. [74]
Forbo-arrest (randnummers 3.41-3.42 hierna) en het
Staedion-arrest (randnummers 3.43-3.47). Ik leg de nadruk op de vraag of sprake is van een onmiddellijk dreigend gevaar, op het onderscheid tussen bijzondere maatregelen en gewone voorzorgsmaatregelen, waarvan de kosten respectievelijk wel en niet voor vergoeding door de verzekeraar in aanmerking komen en op de vraag of een eventuele gehoudenheid tot het treffen van de bewuste maatregelen op een andere grondslag aan toepassing van art. 7:957 BW Pro in de weg staat. Die laatste twee thema’s krijgen ten slotte nog specifieke aandacht (randnummers 3.48-3.58).
Forbo-arrest, dat ook wel bekend staat als het
Novilon-arrest, heeft Uw Raad aangegeven dat bij de vraag of in een bepaalde situatie sprake is van
onmiddellijk dreigend gevaar, betekenis toekomt aan de opvatting van de overheid daarover. [76] Het ging in deze zaak om een producent (Forbo) van vloerbedekking met een asbesthoudende onderlaag (Novilon). In de periode 1969-1979 had Forbo Novilon op de markt gebracht. Naar aanleiding van alarmerende berichten omtrent de risico’s verbonden aan het onoordeelkundig verwijderen van Novilon besloot Forbo waarschuwingen te publiceren, onderzoek te verrichten naar een methode voor deugdelijke verwijdering en brochures te vervaardigen met daarin adviezen omtrent de wijze van verwijdering. Forbo maakte dus kosten. De vraag was echter of Forbo mocht uitgaan van een onmiddellijk dreigend gevaar van aansprakelijkheid jegens een of meer onfortuinlijke koper(s) van Novilon. Bedrijfsaansprakelijkheidsverzekeraar Centraal Beheer bestreed dat. Het hof oordeelde echter dat de rechtbank tot het oordeel kon komen dat sprake was van een onmiddellijk dreigend gevaar:
Forbo-arrest overwoog Uw Raad bovendien het volgende:
Staedion-arrest van belang, dat ook een asbest-kwestie en een bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering betreft. [80] Het ging in deze zaak om woningbouwvereniging Staedion, die op basis van rapporten van het in asbestonderzoek gespecialiseerde bureau BME, waarin stond dat sanering op korte termijn dringend noodzakelijk was, overging tot het saneren van 309 door haar verhuurde woningen. Zij stelde zich op het standpunt dat zij jegens verzekeraars op grond van art. 283 WvK Pro recht had op vergoeding van de na de sanering gemaakte kosten van reiniging en vervanging van inboedelgoederen van de bewoners van de gesaneerde woningen, omdat sprake zou zijn van bereddingskosten ter voorkoming van personenschade, althans (verdere) zaakschade. [81] De verzekeraars betwistten (onder meer) dat sprake was van een onmiddellijk dreigend gevaar, welk verweer door het hof zo werd begrepen (en mocht worden begrepen) [82] dat zij daarmee bedoelden dat de in de woningen aangetroffen asbestconcentraties zo gering waren dat slechts van een verwaarloosbaar gezondheidsrisico sprake was en sanering niet noodzakelijk was. Het hof oordeelde dat Staedion ervan mocht uitgaan dat er een onmiddellijk dreigend gevaar was dat alleen door directe sanering kon worden opgeheven:
in redelijkheidheeft mogen aannemen;
onmiddellijk dreigend gevaar;
bijzondere maatregelenkon worden weggenomen;
ten bate van de verzekeraarzijn gemaakt (waarbij het niet uitmaakt dat de verzekerde de maatregelen ook uit hoofde van
een andere verplichtingmoest treffen);
redelijk en doelmatigzijn.
Forbo-arrest gaf ook de volgende overweging in het
Amercentrale-arrest daarvoor al een indicatie: [85]
;”
bijzondere maatregelenwaarvan de verzekeraar de kosten wèl en de algemene voorzorgen waarvan hij de kosten niet heeft te vergoeden. Het voorgestelde artikel doelt op afweer van onmiddellijk dreigend gevaar, op bestrijding van een reeds aangevangen schadeoorzaak of op beperking van de gevolgen. Zo kan bij dreigende brand of overstroming overbrenging van het verzekerde goed naar elders geboden zijn. De brand zelf zal men trachten te blussen. De normale voorzorgen behoren belanghebbenden evenzeer te treffen, wil de schade hun niet kunnen worden toegerekend, maar de kosten daarvan vergoedt de verzekeraar niet.” [87] (cursivering van mij, A-G)
bijzondere maatregelenkan worden afgewend of bestreden, dan is aan de voorwaarde van art. 283 voldaan Pro. Zo vallen daaronder de kosten van het opvissen van onbeheerd in een rivier drijvend hout; van het verhalen van schepen wegens zware ijsgang; van het vernieuwen van onderweg beschadigde verpakking, behoudens bewijs dat deze reeds bij het beding van de reis ondeugdelijk was.” [88] (cursivering van mij, A-G)
bijzondere maatregelenen
gewone voorzorgsmaatregelen, dus een verband gelegd met het
onmiddellijk dreigend gevaar. Maatregelen zijn ‘bijzonder’ inzien zij zijn gericht tegen een
specifiek,
zich voordoenddreigend gevaar. Maatregelen zijn ‘gewoon’ indien zij meer in het algemeen zijn gericht op voorkoming van gevaar. Als het goed is, heeft de verzekerde deze maatregelen dan ook al eerder genomen. [96] In de wetsgeschiedenis is bovendien een verband gelegd met het (verzekeringsrechtelijke) thema
eigen schuld: gewone voorzorgsmaatregelen moet de verzekerde nemen
ongeacht of sprake is van een onmiddellijk dreigend gevaar, omdat hij anders op grond van eigen schuld (in de zin van art. 7:952 BW Pro of in de zin van de verzekeringsvoorwaarden) geen recht op uitkering heeft (randnummer 3.48 hiervoor). [97]
Staedion-arrest merken Krenning & Vloemans bijvoorbeeld op dat een verzekerde ook een “
algemene maatschappelijke zorgvuldigheidsplicht” heeft om tegen het ontstaan van schade te waken, waarmee zij kennelijk bedoelen: jegens derden, uit onrechtmatige daad of uit overeenkomst (zoals Staedion jegens de huurders). Vervolgens stellen zij dat buitengewone maatregelen en gewone maatregelen elkaar kunnen overlappen en dat in dat geval de kosten van die maatregelen wel degelijk door de verzekeraar moeten worden vergoed:
Forbo-arrest (randnummers 3.41-3.42 hiervoor). Uit rov. 5. van het hof-arrest in de
Staedion-zaak (randnummer 3.43 hiervoor) leiden Krenning & Vloemans af dat het antwoord op de vraag of in een concreet geval algemene voorzorgsmaatregelen tevens bijzondere maatregelen vormen, waarvan de kosten voor vergoeding in aanmerking komen, afhangt van het antwoord op de vraag of de maatregelen strekken ter bescherming tegen een onmiddellijk dreigend gevaar. [100]
Forbo-arrest (randnummer 3.42 hiervoor) kan mijns inziens niet worden afgeleid dat buitengewone maatregelen en gewone maatregelen kunnen samenvallen of elkaar kunnen overlappen. In die overweging heeft Uw Raad het weliswaar over ‘normale voldoening aan een normale zorgvuldigheidsplicht’, maar daarmee werd slechts gereageerd op de door Centraal Beheer aangevoerde klacht waarin die woorden werden gebruikt, hetgeen ook blijkt uit het feit dat deze woorden tussen aanhalingstekens zijn geplaatst. Uw Raad oordeelde dus niet dat de door Forbo getroffen maatregelen als ‘normale voorzorgen’ ten behoeve van anderen dan de verzekeraar moesten worden aangemerkt en evenmin dat van overlap sprake was. Ik heb ook niet de indruk dat Uw Raad dat bedoeld heeft in het
Forbo-arrest. Veeleer lijkt bedoeld dat het voor de vergoedingsplicht van Centraal Beheer niet uitmaakt dat Forbo ook uit hoofde van een maatschappelijke verplichting was gehouden om het publiek te waarschuwen voor de gezondheidsrisico’s verbonden aan (het onvakkundig verwijderen van) Novilon. In het
Staedion-arrest heeft Uw Raad bevestigd dat de kosten van de door de verzekerde gemaakte kosten van bijzondere maatregelen voor vergoeding door de verzekeraar in aanmerking komen “
ook als daartoe een andere verplichting bestond” (randnummer 3.43 hiervoor). [101]
Forboen
Staedion), ook nog enkele andere specifieke gronden aan de orde gekomen, waarop de verzekeraar (wellicht) vergoeding van de gemaakte bereddingskosten zou kunnen weigeren. Het gaat daarbij in de eerste plaats om misbruik van verzekering en in de tweede plaats om strijd met het indemniteitsbeginsel. In de onderhavige zaak heeft Interpolis beide weigeringsgronden ook in beeld gebracht, [104] maar aan het beoordelen van het beroep van Interpolis op misbruik van verzekering is het hof niet toegekomen (rov. 5.30.) en over (strijd met) het indemniteitsbeginsel heeft het hof zich niet uitgelaten. [105] Wordt het arrest door Uw Raad vernietigd op grond van het door [de V.O.F.] ingestelde cassatieberoep en wordt de zaak verwezen, dan zal het verwijzingshof zich mogelijk alsnog moeten uitspreken over dit beroep van Interpolis.
behoordete zijn. Wist de verzekerde echter niet dat hij schade had geleden of dat zich een schadegeval dreigde voor te doen, en behoorde hij dit ook niet te weten, dan kan hem later geen schending van de bereddingsplicht worden tegengeworpen door de verzekeraar.
Staedion-arrest heeft Uw Raad overwogen dat de door de verzekerde genomen maatregelen redelijk en doelmatig moeten zijn, beoordeeld naar het tijdstip waarop de verzekerde tot het nemen van maatregelen heeft besloten. Niet vereist is dat de bereddingsmaatregelen het beoogde effect hebben gehad.
specifiek,
zich voordoenddreigend gevaar. Maatregelen zijn ‘gewoon’ indien ze meer in het algemeen zijn gericht op voorkoming van gevaar. In dat geval heeft de verzekerde de maatregelen als het goed is ook al eerder genomen. Als dat niet is gebeurd, kunnen de kosten van dergelijke maatregelen uiteraard in een inmiddels ontstane situatie van onmiddellijk dreigend gevaar niet als bereddingskosten ten laste van verzekeraar worden gebracht.
4.Bespreking van het middel in het principaal cassatieberoep
het vervangen van de daken”, waarbij het hof onder vervanging hetzelfde lijkt te verstaan als [de V.O.F.] , maar voegt hier vervolgens ten overvloede aan toe, in de laatste twee zinnen van rov. 5.27., dat de kosten van het plaatsen van nieuwe daken bovendien niet voor vergoeding in aanmerking komen, omdat met het maken van deze kosten geen belang van Interpolis is gediend, hetgeen een vereiste is voor het bestaan van een recht op vergoeding van de kosten van een getroffen bereddingsmaatregel (randnummers 3.26 en 3.27 hiervoor, alsmede randnummer 3.67, onder (v) hiervoor).
ofhier sprake is van een normale voorzorgsmaatregel. Deze vraag wordt onder het kopje
Bijzondere maatregelen(randnummers 4.12 e.v. hierna) naar voren gebracht. Het antwoord op die vraag, waarvan de uitwerking aldaar volgt, luidt wat mij betreft dat, anders dan het hof heeft geoordeeld, niet van een normale voorzorgsmaatregel sprake is, maar van een bijzondere maatregel.
kanzijn voor het vergoeden van de kosten van die maatregel. Daar hoeft dus niet altijd plaats voor te zijn volgens het hof. Van onbegrijpelijkheid is dus geen sprake, al is de slotzin wel wat ongelukkig geformuleerd, omdat een bijzondere maatregel niet met een normale voorzorgsmaatregel kan samenvallen (wel kan een maatregel uit hoofde van de bereddingsplicht samenvallen met een verplichting van de verzekerde tot het treffen van die maatregel uit anderen hoofde (randnummers 3.56-3.58 hiervoor)), maar die ongelukkigheid doet hier verder niet ter zake.
(K)osten die verbonden zijn aan maatregelen die tijdens de contractsduur van de verzekering door of vanwege de verzekerde worden getroffen en die redelijkerwijs geboden zijn om het onmiddellijk dreigende gevaar van schade af te wenden en/of om schade te beperken(…)” (randnummer 1.5 hiervoor). Deze definitie, net als die van art. 7:957 lid 1 BW Pro, bestrijkt de kosten waarvan [de V.O.F.] vergoeding heeft gevorderd. Het staat immers vast dat het verwijderen van de asbesthoudende dakplaten een noodzakelijke, want de enige, maatregel is die voorkomt dat er asbestdeeltjes en asbestvezels van de dakplaten op de stallen loskomen en rondzweven over het perceel van [de V.O.F.] , met als gevolg dat de bodem rondom de stallen opnieuw verontreinigd raakt en dat personen de asbestvezels inademen. In het licht hiervan is de beslissing van het hof dat de kosten waarvan [de V.O.F.] vergoeding vraagt, geen bereddingskosten zijn, onhoudbaar en in elk geval rechtens onjuist.
nietsamenvallen met de bijzondere maatregelen die zijn verbonden aan de bereddingsplicht van [de V.O.F.] . [114] [de V.O.F.] vestigt daarbij de aandacht op de laatste zin van rov. 5.26.
normale voorzorgsmaatregel” van € 160.000. Los daarvan valt volgens [de V.O.F.] niet in te zien waarom de vervanging van de dakplaten niet zou zijn te kwalificeren als “
in zoverre bijzonder (...) dat deze noodzakelijk zijn[hier te lezen als: is, A-G]
om onmiddellijk dreigende schade af te wenden” (rov. 5.26.), zoals bedoeld in art. 7:957 BW Pro, meer precies als “
redelijkerwijs geboden (...) om het onmiddellijk dreigende gevaar van schade af te wenden en/of om schade te beperken”, zoals bedoeld in de verzekeringsvoorwaarden. De onderzoeken die in opdracht van beide partijen zijn verricht, hebben immers aangetoond dat de vervanging van de dakplaten strekt tot voorkoming van meer en ernstigere schade, die aanzienlijk hoger kan uitvallen dan de vervangingskosten, dat de risico's urgent en acuut zijn, en dat het onaanvaardbaar is om geen maatregelen te treffen. Vervanging van de dakplaten is dus geboden, doelmatig en (weliswaar kostbaar maar bij gebrek aan een alternatief) redelijk.
normale voorzorgsmaatregelengaat het om maatregelen die de verzekerde op eigen kosten moet nemen om een weinig concreet, niet-onmiddellijk dreigend gevaar te voorkomen, omdat hem anders, in geval van schade, (een vorm van) eigen schuld kan worden tegengeworpen. In de literatuur is het aanbrengen van brandblusapparatuur als voorbeeld genoemd (randnummer 3.52 hiervoor). Een normale voorzorgsmaatregel is een maatregel waarvan de verzekeraar met recht kan zeggen dat de kosten daarvan voor rekening van de verzekerde behoren te blijven, omdat hij deze maatregelen gezien hun aard al eerder had behoren te nemen (randnummer 3.54 hiervoor). Zo’n maatregel is hier echter niet aan de orde. Hier is sprake van een specifiek, onmiddellijk dreigend gevaar voor (verdere) verwezenlijking van een verzekerd risico: vervuiling van de bodem rondom de stallen van [de V.O.F.] door asbesthoudende dakplaten die asbestdeeltjes ‘lekken’. Het gevaar van eventuele letselschade die kan ontstaan, is misschien minder tastbaar aanwezig, maar dit zou zomaar een misrekening kunnen blijken te zijn. Ik wijs er in dit verband op dat [de V.O.F.] heeft gesteld dat hij de asbest graag zou willen verwijderen om gezondheidsrisico’s te voorkomen, dit ook met het oog op zijn drie jonge kinderen. [115]
desalnietteminde kosten voor rekening van [de V.O.F.] behoren te blijven, op grond van de door het hof genoemde omstandigheden, is vervolgens niet evident. Dat zou het geval kunnen zijn als [de V.O.F.] al eerder maatregelen had kunnen en behoren te nemen. Daarvan is echter niet gebleken: uit het arrest van het hof blijkt niet dat [de V.O.F.] de bodemvervuiling rondom de stallen had kunnen (en daarmee had moeten) voorkomen door onderhoud te verrichten aan de daken op die stallen. [de V.O.F.] heeft gesteld dat asbest van oudsher als sterk, duurzaam en slijtvast materiaal werd aangemerkt en dat hij pas na het in rov. 3.5. genoemde onderzoek bekend raakte met het gevaar van bodemvervuiling. [117] Uit het arrest van het hof blijkt niet anders dan dat [de V.O.F.] er pas in 2014 mee bekend raakte dat de grond rondom zijn stallen met asbestdeeltjes vervuild was geraakt door de asbesthoudende dakplaten op die stallen. Ik verwijs in dit verband naar rov. 3.5. van het bestreden arrest (randnummer 1.6 hiervoor), waarin het hof refereert aan een onderzoek van adviesbureaus [A] BV en [B] BV, dat eind september 2014 is gepubliceerd. [118]
Staedion-arrest, waarin Staedion vergoeding vorderde van (onder meer) de kosten van reiniging en/of
vervangingvan de inboedelgoederen in verband met daarop neergeslagen asbestvezels. In die zaak werd volgens [de V.O.F.] evenmin beslist dat met de enkele
verwijderingvan de desbetreffende inboedel het gevaar van schade zou zijn weggenomen zodat de verzekeraars daarom met vergoeding van die kosten konden volstaan.
nahet voorkomen of beperken van de verzekerde schade, komen niet voor rekening van de verzekeraar, omdat dan van beredding in de zin van art. 7:957 BW Pro geen sprake meer is (randnummer 3.27 hiervoor). Zodra [de V.O.F.] de asbesthoudende dakplaten heeft verwijderd, is het belang van Interpolis gediend. De kosten die [de V.O.F.] daarna maakt voor het plaatsen van een nieuw dak, worden niet in het belang van Interpolis gemaakt en kunnen dus ook niet op grond van art. 7:957 BW Pro voor rekening van Interpolis worden gebracht. Het hof heeft het dus bij het rechte eind gehad.
Staedion-arrest treft geen doel. In die zaak dreigde aansprakelijkheid van Staedion jegens huurders, omdat door de sanering de inboedels met asbestdeeltjes vervuild waren geraakt. Dat Staedion had kunnen volstaan met
verwijderingvan de inboedels van de huurders, is bij mijn weten in die zaak niet door de verzekeraar als verweer gevoerd en dus ook niet aan de orde gekomen. Dat Staedion daarmee had kunnen volstaan, ligt overigens niet voor de hand. Dan zouden de huurders vermoedelijk hun inboedels kwijt zijn, waarvoor Staedion dan weer aansprakelijk zou zijn geweest. In ieder geval zouden die inboedels met het enkele verwijderen niet asbestvrij zijn gemaakt. [de V.O.F.] leidt hier, kortom, teveel af uit het
Staedion-arrest.
Bijzondere maatregelen(randnummers 4.12-4.18 hiervoor) slaagt.
verwijderingvan de asbesthoudende dakplaten niet voor vergoeding in aanmerking komen. Na vernietiging en verwijzing door Uw Raad zal het verwijzingshof hierover een nieuw oordeel moeten vellen. Vergoeding van de kosten gemoeid met
het plaatsen van nieuwe dakenop de stallen is niet aan de orde. Het min of meer impliciete, ten overvloede gegeven oordeel van het hof aan het slot van rov. 5.27. dat [de V.O.F.] geen recht heeft op vergoeding door Interpolis van die kosten is wat mij betreft juist.
5.Bespreking van het middel in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep
de thans geldende polisvoorwaarden” (zie het tweede citaat), na sanering in de toekomst, geen ‘gedekte’ bodemverontreiniging kan ontstaan, is dus van geen belang, omdat niet van die polisvoorwaarden moet worden uitgegaan, maar van versie 5.3.