ECLI:NL:PHR:2021:789
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt dat doorberekende zuiveringsheffing onder btw-heffing valt
Belanghebbende exploiteert diverse recreatieparken en berekent de zuiveringsheffing die zij aan het Gemeenschappelijk Belastingkantoor Lococensus-Tricijn (GBLT) betaalt door aan recreanten, zonder hierover omzetbelasting te heffen. De Inspecteur legde naheffingsaanslagen op voor de jaren 2011-2013 omdat hij meende dat hierover wel btw verschuldigd was.
De rechtbank Gelderland oordeelde dat de zuiveringsheffing een uitschot van belasting is en geen btw verschuldigd is over de doorberekening. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vernietigde dit oordeel en stelde dat de doorberekening geen zuivere doorbelasting is, maar een forfaitair bedrag, en dat de zuiveringsheffing niet naar evenredigheid wordt doorbelast. Daarom is er wel btw verschuldigd.
Belanghebbende stelde cassatie in met twee middelen: dat het hof het verhaalsrecht onjuist beoordeelde en dat het hof onjuist artikel 4(1)c Uitvoeringsbesluit OB 1968 interpreteerde. Advocaat-Generaal Ettema adviseerde de Hoge Raad het beroep ongegrond te verklaren, stellende dat de doorberekende zuiveringsheffing onderdeel is van de tegenprestatie en niet tot uitschotten van belasting behoort.
De Hoge Raad volgt dit advies en bevestigt dat de doorberekende zuiveringsheffing tot de maatstaf van heffing van de geleverde prestatie behoort, ongeacht het civielrechtelijke verhaalsrecht. Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat de doorberekende zuiveringsheffing onderdeel is van de maatstaf van heffing voor omzetbelasting.