Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
- het voornemen om cocaïne vanuit Panama binnen het grondgebied van Nederland te brengen, verborgen in een golftas en
- de wijze van markering van de golftas, waarin de cocaïne verborgen zou worden ("gele band" ) en
- een alternatief voor het binnen het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne, verborgen in één golftas ("Vermengd in koffie" en "je beste kans is het vermengde").”
Het ging in de criminele organisatie waaraan de verdachte deelnam om zodanige hoeveelheden cocaïne dat daarmee ook diverse andere maatschappij ontwrichtende verschijnselen in verband moeten worden gebracht. Gewezen kan worden op het witwassen van grote geldsommen, afrekeningen in het criminele circuit, en - niet in de laatste plaats - op de corrumperende werking die kan uitgaan van de in drugsorganisaties gegenereerde geldbedragen. Dat laatste effect is in deze zaak even scherp als stuitend aan het licht gekomen.
De verdachte heeft samen met anderen ten behoeve van cocaïnetransporten douaneambtenaren omgekocht. De verdachte heeft het systeem van controle op de internationale drugshandel ondermijnd. Hij heeft de integriteit van een overheidsorgaan aangetast en ook het vertrouwen geschaad dat de burger in het overheidsapparaat moet kunnen stellen. De verdachte heeft dit kennelijk alleen gedaan om er zelf financieel beter van te worden.
Feit 5Maar er zijn meer factoren die maken dat u de Advocaat-generaal niet in zijn strafeis dient te volgen.
Achterliggende gedachte van artikel 10a Opiumwet is het voorkomen van gevaarzetting. Voorts is dit artikel in het leven geroepen teneinde politie en justitie in staat te stellen vroegtijdig in te grijpen. Welnu, in het geval vroegtijdig ingrijpen achterwege is gebleven en de hele voorbereiding vanwege de vroegtijdige vrijwillige terugtred geen gevaarzettend karakter heeft gekregen, zou dat mijns inziens aan een oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf ter zake dat delict in de weg moeten staan. Met andere woorden ik verzoek u de bewezenverklaring van feit 5 geen rol te laten spelen bij het bepalen van de hoogte van de aan cliënt op te leggen straf.”
Stb. 1994, 60), is omtrent de toepasselijkheid van art. 46b Sr het volgende opgemerkt: