Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
nietdat betrokkene en zijn advocaat uitdrukkelijk op voorhand hebben afgezien van de mogelijkheid van het geven van een reactie op de nog aan te leveren stukken. Het gegeven dat het proces-verbaal
nietvermeldt dat partijen binnen een bepaalde termijn na ontvangst van de bewijsstukken daarop kunnen reageren, leidt niet tot de conclusie dat daarom kan worden aangenomen dat zij hun recht op het geven van een reactie hebben prijsgegeven. In de toelichting op de klacht wordt aangevoerd dat de rechtbank betrokkene
nietop de hoogte heeft gesteld van de inhoud van het ontvangen stuk en dat betrokkene uit de beschikking heeft moeten vernemen dat de rechtbank een bewijsstuk heeft ontvangen. De bestreden beschikking vermeldt
nietdat aan de advocaat van betrokkene een afschrift van het op 9 april 2021 door de arts [betrokkene 2] in het geding gebrachte bewijsstuk is verstrekt. Bij gebrek aan een gemotiveerde betwisting in cassatie moet van de juistheid van de betreffende (feitelijke) stellingen van het onderdeel worden uitgegaan. Gelet hierop moet worden aangenomen dat het beginsel van hoor en wederhoor is geschonden.
zelfstandigheeft geconcludeerd dat psychiater [betrokkene 1] staat ingeschreven in het BIG-register: zij stond volgens de rechtbank geregistreerd onder de naam van haar echtgenoot en was derhalve niet vindbaar onder haar meisjesnaam. In het licht van de inhoud van de hiervoor in 2.3 weergegeven uitspraak van 9 november 2012 meen ik dat de gestelde vraag bevestigend moet worden beantwoord. De grondslag van het recht op hoor en wederhoor is, zo overweegt de Hoge Raad, mede gelegen in “het vertrouwen dat rechtzoekenden dienen te kunnen stellen in het goed functioneren van de rechtspraak”. Hieruit volgt dat het in beginsel niet van belang is of – en zo ja, in welke mate – gegevens en bescheiden waarvan partijen geen kennis hebben genomen, al dan niet nieuwe feiten of argumenten behelzen
dan weldaadwerkelijk van invloed zijn (geweest) op de beslissing van de rechter. Gelet op voormeld uitgangspunt is het immers niet aan de rechter, maar aan partijen om te beoordelen of de desbetreffende gegevens of bescheiden nopen tot een reactie. Van de in het arrest genoemde uitzonderingssituatie – het betreft gegevens of bescheiden waarvan in redelijkheid niet kan worden gezegd dat zij van enig belang kunnen zijn voor de beoordeling van de zaak – is, zoals gezegd (onder 2.6), geen sprake.