ECLI:NL:PHR:2021:813

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
15 juni 2021
Publicatiedatum
10 september 2021
Zaaknummer
19/04296
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 435 lid 1 SvArt. 437 lid 1 SvArt. 437 lid 2 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens niet tijdig indienen middelen

De verdachte is bij arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeeld tot 35 maanden gevangenisstraf wegens medeplegen van een opzettelijk handelen in strijd met artikel 2 onder Pro D van de Opiumwet. Tegen dit arrest is cassatie ingesteld.

De aanzegging van het cassatieberoep is op 9 september 2020 uitgereikt aan een huisgenoot op het BRP-adres van de verdachte. De wettelijke termijn voor het indienen van schriftuur houdende middelen van cassatie liep af op 9 november 2020. Gedurende deze termijn zijn geen middelen ingediend.

Daarom kan de verdachte niet in zijn cassatieberoep worden ontvangen op grond van artikel 437 lid 2 Sv Pro. De Procureur-Generaal concludeert dan ook tot niet-ontvankelijkheid van de verdachte in het cassatieberoep. Er bestaat samenhang met vijf andere zaken waarin eveneens conclusies zijn genomen.

Uitkomst: De verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens het niet tijdig indienen van middelen.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer19/04296
Zitting15 juni 2021
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,
hierna: de verdachte.

1.Inleiding

1.1.
De verdachte is bij arrest van 16 september 2019 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro D van de Opiumwet gegeven verbod”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 35 maanden, met aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest.
1.2.
Er bestaat samenhang met de zaken 19/04267 ( [medeverdachte 1] ), 19/04263 ( [medeverdachte 6] ), 19/04368 ( [medeverdachte 2] ), 19/04445 ( [medeverdachte 3] ) en 19/04339 ( [medeverdachte 5] ). In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.

2.Ontvankelijkheid van het beroep

2.1.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. De aanzegging als bedoeld in art. 435 lid 1 Sv Pro is blijkens de akte van uitreiking op 9 september 2020 uitgereikt aan een huisgenoot op het BRP- adres van de verdachte. [1] De in het tweede lid van art. 437 Sv Pro gestelde termijn van twee maanden liep af op 9 november 2020. Gedurende deze termijn is geen schriftuur houdende middelen van cassatie binnengekomen.
2.2.
Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, kan hij ingevolge art. 437 lid 2 Sv Pro niet in zijn cassatieberoep worden ontvangen.

3.Conclusie

3.1.
Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in het ingestelde cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Blijkens de BRP-bevraging door de Hoge Raad van 27 augustus 2020 is het BRP-adres van de verdachte sinds 19 januari 2016 [a-straat 1] [plaats] , het adres waarop de akte is uitgereikt.