Conclusie
1.Feiten
DFW) is één van de grootste onafhankelijke filmdistributeurs van Nederland. DFW is voor de in 2017 uitgebrachte speelfilm The Hitman's Bodyguard (hierna:
de Film) de sub-distributeur voor Nederland. DFW is gerechtigd om, mede namens de andere rechthebbenden op werken in de Film, op te treden tegen inbreuken op IE-rechten.
Ziggo c.s.) verrichten onder meer diensten op het gebied van het verlenen van internettoegang. Om toegang tot het internet te krijgen is een Internet Protocol-adres (hierna:
IP-adres) vereist. Access providers als Ziggo c.s. kennen aan hun klanten een IP-adres toe. Dat wordt gekoppeld aan het apparaat dat de klant aan deze aansluiting hangt, bijvoorbeeld een router, waardoor met meerdere toestellen/apparaten van dezelfde internetverbinding gebruik kan worden gemaakt. Ziggo c.s. houdt bij welk IP-adres op welk tijdstip aan welke abonnee is toegewezen.
het Protocol) opgesteld. [2] Het Protocol ziet op de verzameling en de vastlegging van IP-adressen en van de daarmee samenhangende persoonsgegevens met betrekking tot naam, adres en woonplaats (hierna:
NAW-gegevens) van de abonnees van access providers. Om deze gebruikers aan te kunnen spreken dient DFW te beschikken over hun NAW-gegevens, die bij de access provider (hier: Ziggo c.s.) bekend zijn.
AP). [3] Bij (definitief) besluit van 5 december 2017 (hierna:
het Besluit) heeft het AP een rechtmatigheidsoordeel gegeven. [4] Zij heeft geoordeeld dat de in het Protocol beschreven werkwijze “
voldoende waarborgen bevat, zodat de AP besluit de voorgenomen verwerking rechtmatig te achten.”
Tecxipio) in opdracht van DFW het uitwisselen van de Film via BitTorrent-netwerken gemonitord. BitTorrent is een techniek die gebruikers in staat stelt over het internet bestanden te downloaden vanaf computers van internetgebruikers. Het bestand wordt in kleine deeltjes gehakt, zodat deze deeltjes bij verschillende gebruikers kunnen worden gedownload. De downloader zoekt via het internet verbinding met aanbieders die deeltjes van dit bestand aanbieden (de uploaders). [5]
2.Procesverloop
het hof). DFW heeft tien grieven gericht tegen het vonnis. Ziggo c.s. heeft verweer gevoerd en incidenteel hoger beroep ingesteld, grotendeels onder de voorwaarde dat het hoger beroep van DFW slaagt.
Handvest) en art. 1 Eerste Pro Protocol EVRM. Tevens beroept DFW zich op het recht op een effectieve rechtsbescherming (art. 47 Handvest Pro en art. 13 EVRM Pro) (rov. 5.5).
AVG). [13] Volgens het hof staat vast dat de door DFW gevorderde afgifte van bepaalde klantengegevens betekent dat ‘persoonsgegevens’ ter beschikking worden gesteld en dat de verstrekking daarvan een ‘verwerking’ vormt in de zin van art. 4 sub Pro 2 AVG (rov. 5.7).
noodzakelijkvoor de behartiging van de gerechtvaardigde belangen van de verwerkingsverantwoordelijke of van een derde,
behalvewanneer de
belangen of de grondrechten en de fundamentele vrijheden van de betrokkenedie tot bescherming van persoonsgegevens nopen,
zwaarder wegendan die belangen, met name wanneer de betrokkene een kind is. (...)
3.Juridisch kader
Het recht op eigendom
De bescherming van persoonsgegevens
grondslagen:a) toestemming, b) noodzakelijk voor de uitvoering van een overeenkomst, c) noodzakelijk om te voldoen aan wettelijke verplichtingen, d) noodzakelijk om vitale belangen van betrokkenen of andere natuurlijke personen te beschermen, e) noodzakelijk om een taak van algemeen belang of openbaar gezag te vervullen en f) noodzakelijk om gerechtvaardigde belangen van de verwerkingsverantwoordelijke of een derde te behartigen. Als aan de voorwaarden van een van deze gronden is voldaan, is de verwerkingsverantwoordelijke tot verwerking
bevoegd.
beginselen, waaronder het beginsel van doelbinding. De verwerkingsverantwoordelijke mag alleen persoonsgegevens verwerken voor welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden. Het beginsel van doelbinding houdt daarnaast in dat eenmaal verzamelde gegevens niet verder mogen worden verwerkt op een wijze die onverenigbaar is met die doeleinden (art. 5 lid Pro 1, onder b, AVG).
verdere verwerking’. Dat kan een verwerking zijn door dezelfde verwerkingsverantwoordelijke die de gegevens voor het oorspronkelijke doel heeft verzameld. De verstrekking van gegevens aan een andere verwerkingsverantwoordelijke is daar een mogelijk voorbeeld van. Verdere verwerking is alleen toegestaan als zij
verenigbaaris met het oorspronkelijke doel. Indien dat het geval is, is geen andere afzonderlijke rechtsgrond vereist.
Wbp). Op grond van art. 43 Wbp Pro [23] mocht de verantwoordelijke (onder andere) art. 9 Wbp Pro buiten toepassing laten, voor zover dit noodzakelijk was in het belang van (onder meer) de bescherming van de betrokkene of van de rechten en vrijheden van anderen. [24]
UAVG). Deze bepaling creëert de mogelijkheid om bepaalde verplichtingen en rechten buiten toepassing te laten, maar ziet – anders dan voorheen art. 43 Wbp Pro – niet tevens op ‘beginselen’, zoals het doelbeginsel. Om die reden is de verdere verwerking van voor een bepaald doel verzamelde gegevens onderworpen aan de verenigbaarheidstoets van art. 6 lid 4 AVG Pro. [25]
ACI Adam c.s./Stichting Thuiskopieuit 2014 niet langer houdbaar. [28] Het Hof heeft in dat arrest namelijk geoordeeld dat een lidstaat het kopiëren uit illegale bron niet mag toestaan.
initial seeder. Veelal treedt Stichting BREIN namens rechthebbenden als eisende partij op. [30] Geen rechtsregel hoeft een individuele rechthebbende er echter van te weerhouden om zelf handhavingsmaatregelen te nemen tegen individuele internetgebruikers. Maar dan moet hij wel achter hun identiteit kunnen komen.
ofDFW bevoegd is handhavend op te treden tegen individuele internetgebruikers die de Film illegaal hebben gedownload, maar
hoeDFW die bevoegdheid moet uitoefenen. Met name speelt een rol op welke wijze DFW rekening moet houden met de belangen van de internetgebruikers die hij op de korrel wil nemen, in het bijzonder wat betreft de bescherming van hun persoonsgegevens.
onverminderd andere regelgeving waarbij (…) e) de bescherming van de vertrouwelijkheid van informatiebronnen of de verwerking van persoonsgegevens”. Art. 8 Handhavingsrichtlijn Pro is omgezet in art. 28 lid 9 Auteurswet Pro. Aangezien DFW haar vordering tot afgifte van NAW-gegevens niet op die grondslag heeft gebaseerd, ga ik daar niet verder op in.
Promusicaeuit 2008. [32] Net als de onderhavige zaak ging die zaak over een vordering van een (organisatie van) rechthebbende(n) tot verstrekking van persoonsgegevens betreffende het internetgebruik via door een internet service provider ter beschikking gestelde aansluitingen. De prejudiciële vragen hadden betrekking op de Handhavingsrichtlijn en de e-Privacyrichtlijn. [33] Het arrest
Promusicaeis ook voor deze zaak mogelijk relevant, in de eerste plaats omdat het Hof oordeelt dat lidstaten mogen maar niet moeten voorzien in de verplichting persoonsgegevens door te geven met het oog op de civielrechtelijke gevolgen van inbreuken op het auteursrecht (punten 54 en 55) en, in de tweede plaats, door de overwegingen omtrent de afweging tussen de vermogensrechtelijke belangen van de IE-rechthebbenden en het belang van internetgebruikers bij bescherming van hun persoonsgegevens (punt 56). De rechter die heeft te oordelen over een vordering tot afgifte van persoonsgegevens van klanten van een access provider, dient een afweging tussen deze verschillende belangen te maken.
Bonnieruit 2012 [34] zag op het zonder toestemming van de rechthebbende voor het publiek toegankelijk maken van luisterboeken via een file transfer protocol op internet. De rechthebbende vorderde de mededeling van de naam en het adres van de gebruiker van het IP-adres dat was gebruikt om de betrokken bestanden door te geven, wat lijkt op de vordering in deze zaak. De prejudiciële vragen hadden betrekking op de Handhavingsrichtlijn, de e-Privacyrichtlijn en de richtlijn over bewaring van telecomgegevens waarbij de e-Privacyrichtlijn is gewijzigd. [35] Het Hof overweegt omtrent de toepasselijke Zweedse wetgeving als volgt:
UPC Telekabel Wienuit 2014 [36] gaat over een rechterlijk verbod aan een internetprovider om toegang te verschaffen tot een website waarop beschermde werken zonder toestemming van de rechthebbenden waren geplaatst. Er werd dus een blokkade tot een website gevorderd, wat iets anders is dan een vordering van NAW-gegevens. De juridische invalshoek in die zaak was art. 8 lid 3 van Pro de Auteursrechtrichtlijn, [37] waarin het volgende wordt bepaald:
Coty Germanyuit 2015 [38] gaat over de uitleg van art. 8 lid Pro 3, onder e), Handhavingsrichtlijn (vgl. 3.17). De zaak betreft een vordering van een merkhouder om een bank te gelasten de naam en het adres te verstrekken van de houder van een bankrekening waarop de opbrengst van de verkoop van namaakartikelen was gestort. De betrokken bank weigerde dat met een beroep op het bankgeheim (en dus de privacy van de klant). Ook die zaak wierp de vraag op hoe de bescherming van de verschillende grondrechten in overeenstemming kan worden gebracht.
onbeperkte en onvoorwaardelijkemogelijkheid biedt zich te beroepen op het bankgeheim om te weigeren informatie te verstrekken over de naam en het adres van een rekeninghouder als die wordt vermoed een inbreuk op IE-rechten te hebben begaan. De ingeroepen nationale weigeringsgrond was dus erg absoluut en dat gaat Unierechtelijk meestal mis. Dit arrest is dus in beginsel gunstig voor rechthebbenden. Een verschil met de onderhavige zaak lijkt mij dat de Nederlandse wetgeving een access provider niet “
een onbeperkte en onvoorwaardelijke mogelijkheid” biedt om afgifte van klantgegevens te weigeren op grond van bescherming van de privacy.
McFaddenuit 2016 [39] heeft betrekking op file-sharing (
peer-to-peer) via een open wifi-netwerk, waardoor gebruikers toegang konden krijgen tot een fonogram met beschermde werken. Centraal stond de vraag of de exploitant van het open netwerk direct of indirect aansprakelijk kan worden gehouden voor inbreuken op IE-rechten. Primair ging die zaak over de uitleg van art. 12 van Pro de E-commercerichtlijn. [40] Op grond van die bepaling is een partij die elektronische diensten louter doorgeeft, in beginsel niet aansprakelijk voor de doorgegeven informatie en dus ook niet voor online materiaal dat inbreuk maakt op IE-rechten. [41]
Bastei Lübbeuit 2018 [42] gaat opnieuw over een auteursrechtinbreuk door file-sharing. Naar Duits recht wordt de persoon op wiens naam de internetverbinding staat, vermoed een dergelijke inbreuk te hebben begaan. Als familieleden van de internetaansluiting gebruik maken, hoeft de houder van de internetaansluiting daar geen gegevens over te verstrekken. [43] Familieleden worden aldus beschermd tegen handhaving, die in Duitsland door IE-rechthebbenden of hun organisaties kennelijk nogal stevig wordt aangepakt. De prejudiciële vraag hield in of dit familiale verschoningsrecht verenigbaar is met art. 8 Handhavingsrichtlijn Pro.
Coty Germanywas de door de Duitse wetgeving verleende bescherming van de gebruiker te categorisch, met als gevolg dat niet werkelijk een belangenafweging kon worden gemaakt. Over de reikwijdte van de verplichting van een access provider om NAW-gegevens te verstrekken aan een IE-rechthebbende zegt dit arrest naar mijn mening betrekkelijk weinig.
Constantin Film Verleih. [44] Twee films waren, zonder toestemming, op YouTube gezet. De rechthebbende vorderde van YouTube om haar de gegevens te verschaffen omtrent de gebruikers die de bewuste werken zouden hebben geüpload: e-mailadressen, telefoonnummers en het gebruikte IP-adres. Het Bundesgerichtshof stelde de – nogal technische – prejudiciële vraag of het hier ging om ‘adressen’ in de zin van art. 8 lid Pro 2, onder a), Handhavingsrichtlijn. Het Hof beantwoordt die vraag ontkennend: met ‘adressen’ zijn alleen postadressen bedoeld. Lidstaten mogen echter de houders van IE-rechten verdergaande rechten op informatie toekennen, mits daarbij een juist evenwicht tussen de betrokken grondrechten wordt verzekerd en andere algemene beginselen van Unierecht, zoals het evenredigheidsbeginsel, worden geëerbiedigd (punt 39). Dit arrest bevestigt nog maar weer een keer dat het bij vorderingen tot verstrekking van identificerende gegevens aankomt op een afweging van de wederzijdse belangen.
Lycos/ [...]uit 2005. [45]
voldoende aannemelijk is dat de gepubliceerde informatie jegens de derde wel onrechtmatig zou kunnen zijnen dat deze daardoor schade kan lijden, zou het maatschappelijk bezien ongewenst zijn indien die derde geen enkele reële mogelijkheid heeft de websitehouder daarop — zo nodig in rechte — aan te spreken.
Onder omstandigheden kan dan ook een weigering van de serviceprovider om de NAW-gegevens van de websitehouder aan de derde bekend te maken in strijd komen met de zorgvuldigheiddie de serviceprovider jegens een zodanige derde in acht dient te nemen. Dit kan
met namehet geval zijn indien zich de volgende
omstandighedenvoordoen:
is voldoende aannemelijk;
een reëel belangbij de verkrijging van de NAW-gegevens;
geen minder ingrijpende mogelijkheidbestaat om de NAW-gegevens te achterhalen;
afweging van de betrokken belangenvan de derde, de serviceprovider en de websitehouder (voor zover kenbaar) brengt mee dat
het belang van de derde behoort te prevaleren.”
Lycos/ [...]heeft betrekking op diffamerende uitingen. De rechtsregels uit het arrest zijn recent toegepast op een vordering tot het verkrijgen van NAW-gegevens [46] en veel eerder al op een vordering tot overlegging van IP-adressen die IE-rechthebbenden hadden aangespannen tegen een internet service provider. [47] In de vakliteratuur is betoogd dat het
Lycos/ [...]-arrest ten aanzien van aanbieders van elektronische communicatienetwerken zou zijn achterhaald door Europese regelgeving, in het bijzonder art. 5 e-Privacyrichtlijn. [48] Dat artikel verplicht internet service providers vertrouwelijk om te gaan met hun klantgegevens, tenzij
de wetop die regel een specifieke uitzondering maakt. [49] Een specifieke civielrechtelijke wettelijke regeling ontbreekt echter.
Lycos/ [...]is achterhaald. De voorzieningenrechter is daar niet in meegegaan:
civielrechtelijkeregeling gemaakt heeft die een provider als Ziggo c.s. onder omstandigheden verplicht tot afgifte van klantgegevens. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter betekent dit echter niet, zoals door Ziggo c.s. wel is betoogd, dat het op artikel 6:162 BW Pro gebaseerde en door de Hoge Raad als juist bevonden criterium zoals genoemd in het arrest Lycos/ [...] , daarmee niet meer van toepassing is. Dit geldt te meer, omdat er geen aanleiding is om aan te nemen dat het door de Hoge Raad bekrachtigde criterium in conflict komt met de uitlegging van de in Promusicae/Telefónica genoemde diverse Europese richtlijnen, grondrechten of andere algemene beginselen van gemeenschapsrecht en het Hof verder ook nadrukkelijk geoordeeld heeft dat het verstrekken van persoonsgegevens ter bescherming van het auteursrecht niet is uitgesloten.”
wettelijkeregeling vereist. [50] Het hof is aan dit betoog niet toegekomen. [51]
nationale wettelijke regeling”, [52] impliceert niet dat er een specifieke nationale wetsbepaling dient te zijn die regelt onder welke voorwaarden een access provider klantgegevens moet verstrekken aan een IE-rechthebbende. Een algemene grondslag zoals art. 6:162 BW Pro kan evenzeer als ‘nationale wettelijke regeling’ gelden, mits die kan worden uitgelegd en toegepast op een wijze die verenigbaar is met de toepasselijke Unierechtelijke regelgeving (waaronder de e-Privacyrichtlijn en de AVG) en met de grondrechten (met name art. 8 EVRM Pro en de art. 7 en Pro 8 Handvest).
Lycos/ [...]genoemde criteria a. t/m d. laten mijns inziens een AVG- en grondrechtconforme uitleg toe. In het bijzonder kan op grond van de onder d. genoemde belangenafweging worden bereikt dat de lat voor toewijzing van een door een IE-rechthebbende gevraagd bevel tot overlegging van klantgegevens voldoende hoog komt te liggen om de bescherming van de privacybelangen van de klanten van een access provider te waarborgen. [53] Lycos/ [...]kan daarom naar mijn mening worden toegepast als rechtsgrond voor het opvragen van NAW-gegevens van een access provider.
DFW/Ziggo c.s.zal worden gesproken. [60]
4.Bespreking van het cassatiemiddel in het principale beroep
verenigbaardient te zijn met het aanvankelijke doel (vgl. 3.9-3.11 hiervoor).
magde verdere verwerking plaatsvinden op basis van de oorspronkelijke grondslag. Een volgende (en afzonderlijke) vraag is dan of Ziggo c.s. jegens DFW ook
verplichtis die gegevens te verstrekken. Net als de voorzieningenrechter heeft het hof die vraag op grond van de gemaakte belangenafweging ontkennend beantwoord.
sec, maar ook – als gevolg van de koppeling van de NAW-gegevens aan het gemonitorde internetgebruik (het downloaden van de Film) – informatie over (en daarmee enig inzicht in) het internetgebruik van de betrokken Ziggo-abonnees. Toewijzing van het gevraagde bevel zou daarom inbreuk kunnen opleveren op het door art. 8 EVRM Pro beschermde recht om, in mijn woorden, vrijelijk en onbespied te kunnen internetten. [62] Ziggo c.s. heeft zich daar ook op beroepen. [63]
belang om niet te worden aangesproken voor een inbreuk op DFW’s IE-rechten” gaat uit van een onjuiste lezing van het arrest.
subonderdeel 3.1heeft het hof art. 24 Rv Pro geschonden en een ontoelaatbare verrassingsbeslissing gegeven door buiten de grenzen van de rechtsstrijd te treden. Ziggo c.s. zou zich niet op het standpunt hebben gesteld dat de verstrekking van NAW-gegevens aan DFW zou gelden als ‘verdere verstrekking’ in de zin van art. 6 lid 4 AVG Pro en onverenigbaar zou zijn met het aanvankelijke verwerkingsdoel.
Subonderdeel 3.2.1betoogt dat art. 6 lid Pro 1, onder f, AVG een toereikende grondslag biedt voor de verstrekking door Ziggo c.s. aan DFW van de gevorderde NAW-gegevens, en daarom art. 6 lid 4 AVG Pro niet van toepassing is. Indien het hier wél zou gaan om een ‘verdere verwerking’, dan staat de aanvankelijke verwerkingsgrond niet ter beoordeling en behoefde ook niet te worden onderzocht of de verstrekking kon worden gebaseerd op de grondslag van art. 6 lid Pro 1, onder f, AVG (
subonderdeel 3.2.2). Aldus is ten onrechte het bepaalde in art. 6 lid Pro 1, onder f, en in art. 6 lid 4 AVG Pro met elkaar gecombineerd (
subonderdeel 3.2.3). Als het oordeel van het hof zo moet worden begrepen dat sprake is van verdere verwerking, is dit oordeel onjuist dan wel onvoldoende gemotiveerd (
subonderdeel 3.2.4). De verstrekking van de NAW-gegevens door Ziggo c.s. is onderdeel van de gegevensverwerking
door DFW, waarvoor de AP met het Besluit toestemming heeft gegeven. De verstrekking door Ziggo c.s. beantwoordt aan hetzelfde doel als waarvoor DFW de gegevens wil verzamelen (kort gezegd: het benaderen van inbreukmakers). Het oordeel in rov. 5.8 dat de gegevensverwerking door DFW niet als zodanig aan de orde is, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting of is onvoldoende gemotiveerd omdat deze verstrekking deel uitmaakt van de verwerking door DFW, die daartoe van de AP toestemming heeft verkregen (
subonderdeel 3.2.5).
subonderdelen 3.2.2 en 3.2.3stel ik het volgende voorop.
bevoegdis om de gevraagde gegevens te verstrekken, besloten ligt in art. 6 AVG Pro. Dat is juist. Verderop in rov. 5.11 overweegt het hof dat voor de beoordeling van de vraag of er een
rechtsplichttot afgifte (verwerking) van persoonsgegevens op Ziggo c.s. rust, voldaan moet zijn aan de in art. 6 lid Pro 1, onder f), AVG genoemde voorwaarden. Dat kan verwarring wekken: de toetsing aan art. 6 AVG Pro, of het nu is aan lid 1, onder f) of aan lid 4, dient ertoe om vast te stellen of een bepaalde verwerking rechtmatig is en dus
magworden uitgevoerd. Of jegens een derde ook een
verplichtingbestaat om tot die verwerking over te gaan is een afzonderlijke vraag (vgl. 4.7 hiervoor). De grondslag voor een dergelijke rechtsplicht kan niet in art. 6 AVG Pro besloten liggen.
Lycos/ [...] . [68] Zoals toegelicht (vgl. 3.31-3.32 hiervoor), heeft de Hoge Raad in dat arrest bepaald dat de weigering van een tussenpersoon om aan een benadeelde derde (NAW) gegevens te verstrekken onzorgvuldig kan zijn, met name als de aldaar genoemde vier omstandigheden zich voordoen. De laatste omstandigheid betreft de uitkomst van een afweging van de betrokken belangen.
op dit moment” (zie rov. 5.22, voorlaatste zin) in het nadeel van DFW uitvalt, omdat –samengevat – de gevolgen van handhaving voor de Ziggo-klanten aanzienlijk kunnen zijn (rov. 5.18) en DFW onvoldoende transparant is (geweest) over de wijze waarop zij zal handhaven (rov. 5.19). Naar mijn mening had de uitkomst van de gemaakte belangenafweging redelijkerwijs geen andere kunnen zijn indien het hof – verondersteld dat de afgifte van NAW-gegevens zou zijn toegestaan (op grond van art. 6 lid 4 AVG Pro) – voor het antwoord op de vraag of er een
rechtsplichttot afgifte bestaat, die afweging in het kader van de vierde omstandigheid van
Lycos/ [...]had geplaatst. Met andere woorden, ook indien het hof wél de rechtmatigheid van de beoogde verwerking aan art. 6 lid 4 AVG Pro had getoetst en vervolgens had onderzocht of Ziggo c.s. op basis van
Lycos/ [...]gehouden is om de NAW-gegevens aan DFW te verstrekken, dan had de in dàt kader gemaakte belangenafweging geen andere kunnen zijn en zouden de vorderingen van DFW op dezelfde gronden zijn afgewezen.
subonderdelen 3.2.4 en 3.2.5ten slotte gaan eraan voorbij dat onderscheid moet worden gemaakt tussen enerzijds het verstrekken van de NAW-gegevens door Ziggo c.s., wat op zichzelf een verwerking door Ziggo c.s. is, en het ontvangen en vervolgens gebruiken van die gegevens door DFW. Het in het Protocol gemaakte onderscheid tussen drie stappen waarbij DFW persoonsgegevens verwerkt, laat onverlet dat de doorgifte door Ziggo c.s. als verwerkingshandeling van Ziggo c.s. dient te worden aangemerkt. DFW betwist dat in wat ik zie als een poging om de afgifte van de gevraagde gegevens door Ziggo c.s. binnen het toepassingsbereik van het Besluit en dus van het rechtmatigheidsoordeel van AP te trekken. Die poging dient te stranden.
voldoende aannemelijkis dat deze de inbreukmaker is.
met namedie gevallen waarin onzeker is of de Ziggo-klant de inbreukmaker is, het tussen de belangen van betrokkenen te vinden evenwicht teveel is verstoord door het bestaande gebrek aan transparantie aan de kant van DFW. Daaruit volgt niet dat het hof heeft verlangd dat de betrokken Ziggo-klant noodzakelijkerwijs de inbreukmaker
is.
met namein deze gevallen teveel is verstoord, maar heeft de vordering integraal afgewezen. Met andere woorden: ook voor de gevallen waarin niet de vraag zou spelen of een Ziggo-klant de daadwerkelijke inbreukmaker is, zijn de vorderingen afgewezen. Nu het hof dus in zoverre niet van belang heeft geacht of een Ziggo-klant in het concrete geval de daadwerkelijke inbreukmaker is, kan het ook niet hebben miskend aan de hand van welke omstandigheden dit moet worden vastgesteld en wat nodig is om die omstandigheden boven tafel te krijgen.
Te verstrekken informatie wanneer de persoonsgegevens niet van de betrokkene zijn verkregen”. Bij de klacht bestaat echter geen belang omdat het hof de informatieverplichting van Ziggo c.s. niet alleen op art. 14 AVG Pro heeft gegrond maar ook op art. 5 AVG Pro. [70]
Te verstrekken informatie wanneer persoonsgegevens bij de betrokkene worden verzameld”(welke situatie zich volgens DFW voordoet) en nu als meermalen gezegd de doorgifte van de NAW-gegevens aan DFW te kwalificeren is als verdere verwerking door Ziggo c.s. van door haar verzamelde persoonsgegevens, moet er van worden uitgegaan dat art. 13 lid 3 AVG Pro daarop van toepassing is.
subonderdeel 4.4.3van een onjuiste rechtsopvatting uitgegaan door te miskennen dat:
subonderdeel 4.4.4aan dat het oordeel dat Ziggo c.s. haar klanten niet adequaat zou kunnen informeren, onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd omdat de mogelijke gevolgen van de verstrekking van persoonsgegevens aan DFW voldoende duidelijk zijn. Deze zouden namelijk volgen uit het Protocol en het Besluit.
subonderdeel 4.6.2komt DFW op tegen de overweging in rov. 5.21 dat niet zonder meer kan worden uitgegaan van de juistheid van de in het Protocol onder 7.6 vervatte regel dat een betrokkene verplicht is feiten en omstandigheden naar voren te brengen die aantonen dat de inbreuk niet aan hem/haar kan worden toegerekend, omdat de stelplicht en bewijslast van de inbreuk op grond van de hoofdregel van art. 150 Rv Pro. in beginsel op DFW rust. Dit oordeel zou onjuist, dan wel onvoldoende gemotiveerd zijn, omdat volgens DFW vaststaat dat vanaf de aan de Ziggo-klanten verleende IP-adressen inbreuk is gemaakt.
heeftvoldaan, kan dit aan het oordeel van het hof over de bewijslastverdeling niet afdoen.
allegenoemde Ziggo-klanten, tevens de vordering tot afgifte van de NAW-gegevens van een deel van de Ziggo-klanten besloten ligt. DFW’s betoog dat het hof de gevraagde voorziening had moeten toewijzen onder de voorwaarden waaronder volgens het hof wel een juist evenwicht zou zijn bereikt, zou evenwel geen inperking van het gevorderde inhouden omdat dan nog steeds het gevorderde bevel volledig zou worden toegewezen. Dat een dergelijke aanpassing van het gevorderde in het petitum ligt besloten, is derhalve veel minder aannemelijk dan in de hiervoor genoemde voorbeelden. Dat het hof het door het middel betoogde ‘mindere’ niet in de vorderingen van DFW heeft gelezen is, in het licht van het voorgaande, in elk geval niet onbegrijpelijk en getuigt evenmin van een onjuiste rechtsopvatting.
5.Bespreking van het cassatiemiddel in het voorwaardelijk incidenteel beroep
aansprakelijkis voor inbreuk makend handelen via zijn internetaansluiting, tenzij hij de door het hof genoemde specifieke informatie verstrekt. In dat geval is het hof, volgens de klacht, ten onrechte uitgegaan van een (kwalitatieve of risico-)aansprakelijkheid van de houder van een IP-adres, die geen steun vindt in het recht.
aansprakelijkis voor inbreuk makend handelen via zijn internetaansluiting, ook als hij of zij niet de daadwerkelijke inbreukmaker is. [74]
Bastei Lübbe/Strotzer. [75]
kan wordenverlangd dat hij de bedoelde informatie geeft. Onder welke omstandigheden dat kan worden verlangd en welke consequenties aan een weigering daartoe kunnen worden verbonden, is in het arrest niet verder uitgewerkt en daartoe bestond ook, gezien het karakter van de ten overvloede gegeven overweging, geen noodzaak. Mijns inziens heeft het hof bedoeld dat van de Ziggo-klant die de stelling van DFW betwist dat hij inbreuk heeft gemaakt op haar IE-rechten, mag worden verlangd dat hij die betwisting motiveert door meer informatie te geven over wie de inbreuk wél zou hebben gemaakt.
subonderdeel 1.3uit van een onjuiste lezing van het bestreden arrest. Het subonderdeel veronderstelt namelijk dat het hof heeft geoordeeld dat de enkele omstandigheid dat via een internetaansluiting inbreuk is gemaakt volstaat om het bewijsvermoeden aan te nemen dat de houder van die aansluiting de inbreuk zelf heeft gemaakt, tenzij hij specifieke informatie verschaft aan de hand waarvan kan worden vastgesteld dat een ander de inbreukmaker is. Die veronderstelling miskent dat het hof in rov. 5.18 (net onder het midden) andersom redeneert: onder verwijzing (via rov. 5.15) naar het arrest
Bastei Lübbe/Strotzeroverweegt het hof, kort gezegd, dat geen
absolutebescherming kan worden geboden aan een houder van een internetaansluiting en dat van hem
kanworden verlangd dat hij specifieke informatie geeft waarmee de inbreukmaker kan worden achterhaald. Daaruit mag nog niet worden afgeleid wat de gevolgen zijn als die informatie niet wordt, of kan worden, verstrekt. Het hof heeft dus niet geoordeeld dat in die gevallen steeds moet worden aangenomen dat de houder van de internetaansluiting de inbreuk zelf heeft gemaakt.
Subonderdeel 2.2, waarin Ziggo c.s. ervan uitgaat dat het hof wél een dergelijk oordeel heeft gegeven, behoeft daarom geen behandeling.
voorwaardelijkincidenteel appel. [78] Het hof is aan de beoordeling van die stellingen van Ziggo c.s. daarom niet toegekomen rov. 5.25).
isgemaakt op rechten van DFW. Ter onderbouwing van de klacht vat het subonderdeel onder (i) – (iii) de hoofdpunten samen van de technische kritiek die in feitelijke aanleg is geuit op het door Texcipio uitgevoerde onderzoek.
isgepleegd, aangezien Ziggo c.s. dat gemotiveerd heeft betwist. Ik meen de rov. 5.13 en 5.17 echter zo te moeten lezen dat het hof daar niet de vaststelling doet dat vanaf de bewuste IP-adressen inbreuk is gepleegd. Mijns inziens heeft het hof hier enkel de hypothetische aanname gehanteerd dat inbreuk is gepleegd, te weten de inbreuk die volgens DFW aan de hand van het meergenoemde onderzoek “
is vastgesteld” (rov. 5.13) respectievelijk “
is geconstateerd” (rov. 5.17).
voorwaardelijkgrieven aangevoerd. [79] Het hof diende eerst de door DFW in het principale appel aangevoerde grieven tegen de uitkomst van de belangenafweging door de rechtbank te beoordelen. Die beoordeling zou in het luchtledige hangen indien daar niet de hypothetische aanname aan ten grondslag kon liggen dat inbreuk was gepleegd en er daarom in beginsel voor DFW grond was om tot handhaving over te gaan.