ECLI:NL:PHR:2021:838

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
22 juni 2021
Publicatiedatum
17 september 2021
Zaaknummer
19/04937
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 OpiumwetArt. 437 SvArt. 588 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep wegens niet-indienen middelen

De verdachte is door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld voor medeplegen van een opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet en diefstal door twee of meer verenigde personen. De opgelegde straf bestond uit een werkstraf van 80 uur, subsidiair 40 dagen hechtenis en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken met een proeftijd van twee jaar.

Tegen dit arrest is cassatie ingesteld, maar de verdachte heeft geen schriftuur met middelen van cassatie ingediend binnen de daarvoor gestelde termijn. De aanzegging van het cassatieberoep is rechtsgeldig betekend aan een huisgenoot van de verdachte.

Omdat niet aan het vereiste van het indienen van middelen is voldaan, kan de Hoge Raad het beroep niet ontvankelijk verklaren. De conclusie van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad is dan ook dat het cassatieberoep van de verdachte niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte is niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet indienen van middelen binnen de wettelijke termijn.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer19/04937
Zitting22 juni 2021 (bij vervroeging)

CONCLUSIE

P.C. Vegter
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,
hierna: de verdachte.
1. De verdachte is bij arrest van 2 september 2019 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens 1 primair: “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod” en 2 primair: “diefstal door twee of meer verenigde personen” veroordeeld tot 80 uur werkstraf, subsidiair 40 dagen hechtenis en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken, met een proeftijd van twee jaren.
2. Er bestaat samenhang met de zaak 19/04135. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
3. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Er is geen schriftuur ingediend.
4. De aanzegging in cassatie is op 4 augustus 20208 uitgereikt aan een huisgenoot. Aldus is de aanzegging overeenkomstig art. 588, eerste lid, sub b, Sv rechtsgeldig betekend.
5. Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is het voorschrift van art. 437, tweede lid, Sv niet in acht genomen, zodat de verdachte niet in zijn cassatieberoep kan worden ontvangen.
6. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG