ECLI:NL:PHR:2021:855

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
28 september 2021
Publicatiedatum
22 september 2021
Zaaknummer
20/01655
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 WVW94Art. 9a SrArt. 123b WVW94Art. 281 SvArt. 328 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen cassatiebelang bij aanhoudingsverzoek ter omzeiling recidiveregeling rijbewijsverlies

De verdachte werd door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld wegens rijden onder invloed van alcohol en cocaïne, met oplegging van een taakstraf en een voorwaardelijke rijontzegging. Tijdens het hoger beroep werd namens de verdachte een verzoek tot aanhouding van de zaak gedaan om te voorkomen dat de recidiveregeling van artikel 123b Wegenverkeerswet 1994 (WVW94) zou leiden tot automatisch ongeldigverklaren van zijn rijbewijs.

De Hoge Raad overwoog dat het aanhoudingsverzoek niet gemotiveerd is behandeld door het hof, maar dat dit niet tot cassatie leidt omdat aanhouding slechts uitstel en geen afstel betekent van het wettelijke gevolg van ongeldigverklaring van het rijbewijs. De vijfjaarstermijn van de recidiveregeling vangt aan bij de eerste onherroepelijke veroordeling, maar voor de tweede veroordeling is de pleegdatum bepalend en blijft deze onveranderd bij aanhouding.

Verder stelde de Hoge Raad dat het belang van de verdachte om het wettelijke gevolg van de recidiveregeling te omzeilen geen rechtens te respecteren belang is dat cassatie rechtvaardigt. Het hof had het verzoek tot aanhouding terecht kunnen afwijzen zonder nadere motivering. Het cassatieberoep werd daarom verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen omdat het aanhoudingsverzoek geen rechtens te respecteren belang oplevert en de recidiveregeling niet kan worden omzeild.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer20/01655
Zitting28 september 2021
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968,
hierna: de verdachte.

1.Het cassatieberoep

1.1.
Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 13 mei 2020 het vonnis van de rechtbank van 31 juli 2019 (gedeeltelijk) bevestigd en de verdachte wegens “overtreding van artikel 8 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, waarbij het alcoholgehalte van zijn bloed bij een onderzoek blijkt te zijn 0,51 microgram alcohol per liter bloed en het cocaïne-gehalte 23 microgram cocaïne per liter bloed”, veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uren (waarvan 40 voorwaardelijk). Daarnaast heeft het hof aan de verdachte een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen opgelegd voor de duur van tien maanden.
1.2.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. P.H.L.M. Souren, advocaat te Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

2.Het middel

2.1.
Het middel bevat de klacht dat het hof heeft nagelaten (gemotiveerd) te beslissen op een namens de verdachte gedaan aanhoudingsverzoek.
2.2.
Uit het proces-verbaal van de behandeling in hoger beroep op 13 mei 2020 blijkt onder meer het volgende:
“De verdachte verklaart:
Het klopt dat ik op 10 juli 2018 een personenauto in Amsterdam heb bestuurd nadat ik alcohol had gedronken en cocaïne had gesnoven. (…)
De raadsheer merkt op dat uit de Justitiële Documentatie van 1 mei 2020 blijkt dat het tenlastegelegde feit gedurende een proeftijd is begaan.
(…)
De raadsman voert het woord tot verdediging als volgt:
Een onherroepelijke veroordeling zorgt voor een tweede strafpunt op het rijbewijs van mijn cliënt, wat zou leiden tot ongeldigverklaring van het rijbewijs. Ik heb om die reden de brief van het CJIB van 24 april 2018 aan het hof doen toekomen. De consequentie daarvan is dat hij opnieuw zijn rijbewijs zou moeten halen. Dat duurt heel lang bij het CBR in deze tijden. Is mijn cliënt niet al genoeg gestraft? Primair verzoek ik de behandeling van de zaak en daarmee de veroordeling en de strafoplegging aan te houden, zodat de vijfjaarstermijn verstrijkt en mijn cliënt zijn rijbewijs niet kwijtraakt. Hij heeft dan de tijd en de mogelijkheid om geld te sparen en inkomen te verkrijgen. Subsidiair verzoek ik de toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. Cliënt is zijn rijbewijs negentien maanden kwijt geweest door de invordering.
Desgevraagd verklaart de verdachte dat zijn rijbewijs slechts voor de duur van één jaar ongeldig was verklaard.
De raadsheer onderbreekt het onderzoek voor beraad.
Na hervatting van het onderzoek wordt de verdachte in de gelegenheid gesteld het laatste woord te voeren. Hij verklaart:
Ik denk dat alles is gezegd.
De raadsheer sluit het onderzoek en doet direct uitspraak.”
2.3.
In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het verzoek om aanhouding een verzoek is in de zin van art. 331 lid 1 Sv Pro in verbinding met art. 328 Sv Pro om toepassing te geven aan art. 281 lid 1 Sv Pro. Die bepalingen zijn ingevolge art. 415 lid 1 Sv Pro ook in hoger beroep van toepassing. Het hof heeft op dit verzoek niet beslist. Dat verzuim heeft op grond van art. 330 Sv Pro nietigheid tot gevolg. Daarnaast voert de steller van het middel aan dat uit de inhoud van het cassatiemiddel blijkt dat het belang van verdachte bij cassatie en een nieuwe behandeling in hoger beroep evident is.

3.Beoordeling van het middel

3.1.
Uit het proces-verbaal van de behandeling in hoger beroep blijkt dat er een verzoek om aanhouding is gedaan. Het onderzoek is daarop wel geschorst voor beraad maar uit het proces-verbaal blijkt niet (althans niet expliciet) dat na dat beraad nog door het hof is beslist op het aanhoudingsverzoek. In zoverre klaagt het middel terecht over het uitblijven van een beslissing op het aanhoudingsverzoek. Van de andere kant zou kunnen worden betoogd dat het hof, door na het beraad verder te gaan met de behandeling en daarna direct uitspraak te doen, het verzoek klaarblijkelijk heeft afgewezen. [1] In dat geval zou het hof kunnen worden tegengeworpen dat het die afwijzing niet met redenen heeft omkleed. In beide gevallen speelt de vraag of deze omissies – het niet beslissen of het ongemotiveerd afwijzen – tot cassatie zouden moeten leiden. Ik meen van niet en wel vanwege het volgende.
3.2.
Volgens de steller van het middel is het belang bij cassatie voor de verdachte evident. Kennelijk is dat ingegeven door de stelling van de raadsman in hoger beroep dat bij aanhouding van de zaak “de vijfjaarstermijn verstrijkt en mijn cliënt zijn rijbewijs niet kwijtraakt”. Daarmee doelt de raadsman op de recidiveregeling van art. 123b Wegenverkeerswet 1994 (WVW94). Daarin is – kort gezegd – bepaald dat het rijbewijs automatisch zijn geldigheid verliest indien de houder binnen vijf jaar na een onherroepelijke veroordeling voor, onder andere, rijden onder invloed van drugs of alcohol (art. 8 WVW94) opnieuw de fout ingaat. [2] Zowel de eerste veroordeling als de tweede veroordeling moeten onherroepelijk zijn voordat het rechtsgevolg van ongeldigheid van het rijbewijs intreedt. [3]
3.3.
De raadsman in hoger beroep, en in het verlengde daarvan naar ik vermoed ook de steller van het middel, hebben echter niet onderkend dat aanhouding van de onderhavige zaak in het geval dat een veroordeling volgt, nooit kan leiden tot het door de verdachte gewenste gevolg, namelijk dat zijn rijbewijs niet automatisch ongeldig wordt. De vijfjaarstermijn van de recidiveregeling vangt weliswaar aan op de dag dat de veroordeling voor de eerste overtreding onherroepelijk is geworden, maar voor de vraag of de tweede veroordeling valt binnen die vijfjaarstermijn is de pleegdatum van de tweede veroordeling bepalend en die pleegdatum blijft bij aanhouding vanzelfsprekend ongewijzigd. De tekst van art. 123b WVW94 luidt immers dat een rijbewijs zijn geldigheid verliest indien de houder bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak is veroordeeld wegens bepaalde daarin genoemde verkeersovertredingen, zoals rijden onder invloed, “een en ander voor zover
ten tijde van het begaan van het strafbare feit[onderstreping AG TS] nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert de houder als bestuurder van een motorrijtuig onherroepelijk is veroordeeld wegens overtreding van (…)” wederom enkele in art. 123b WVW94 genoemde verkeersovertredingen, zoals rijden onder invloed. [4]
3.4.
Dat betekent dat een aanhouding van de behandeling door het hof hooguit uitstel en geen afstel betekent van het wettelijk gevolg dat art. 123b WVW94 verbindt aan een tweede onherroepelijke veroordeling.
3.5.
Het belang bij cassatie zou dan uitsluitend gelegen zijn in het belang dat de verdachte zou kunnen hebben bij uitstel van het ongeldig worden van zijn rijbewijs, maar voor zover dat al een rechtens te respecteren belang is, is dat in hoger beroep en in cassatie niet aangevoerd.
3.6.
Ik zou het hierbij kunnen laten en concluderen dat de verdachte naar mijn mening geen rechtens te respecteren belang bij cassatie heeft. Ten overvloede wil ik nog opmerken dat dit belang eveneens ontbreekt indien de recidiveregeling wel zou gelden zoals de raadsman zich dat had voorgesteld. Daarover het volgende.
3.7.
De maatstaf voor de beslissing op een aanhoudingsverzoek is of het belang van het onderzoek de schorsing vordert en daarvan kan sprake zijn indien het hof de noodzaak daarvan blijkt. [5] Vanuit het perspectief van de rechter moet de reden voor de schorsing van het onderzoek gelegen zijn in het onderzoek zelf. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om de oproeping van een getuige, het (laten) verrichten van nader onderzoek, of wanneer een schorsing nodig is in verband met een bevel tot verschijning van de verdachte of een wijziging van de tenlastelegging. [6] Het gaat dan steeds om situaties dat de rechter zonder aanhouding van de zaak niet tot (juiste en volledige) beslissingen als bedoeld in art. 358 en Pro 350 Sv kan komen.
3.8.
De ‘noodzaak’ tot schorsing van de zaak heeft echter een breder bereik en kan ook zijn grondslag vinden in het belang van een effectieve verdediging. Zo kan schorsing nodig zijn om de verdachte (of de advocaat), die om aanhouding verzoekt, in staat te stellen bij het onderzoek ter terechtzitting aanwezig te zijn [7] , om meer voorbereidingstijd te verkrijgen voor het voeren van de verdediging of om zelf nader onderzoek te kunnen doen. [8]
3.9.
Daarnaast dient de rechter bij de beoordeling van een verzoek mee te wegen dat een zaak binnen een redelijke termijn afgedaan moet worden. [9]
3.10.
Er zijn dus meer belangen te bedenken dan alleen het onderzoeksbelang in strikte zin, die door de rechter moeten worden meegewogen bij de beoordeling of er al dan niet ‘noodzaak’ bestaat om tot aanhouding over te gaan. Hoewel de Hoge Raad in zijn jurisprudentie spreekt van een afweging van “alle belangen” zijn, als ik het goed zie, tot nu toe uitsluitend (of in elk geval voornamelijk) allerlei procedurele belangen om een recht op een eerlijk proces als bedoeld in art. 6 EVRM Pro te kunnen waarborgen, als mee te wegen belang erkend.
3.11.
Het belang van de verdachte om een door de wetgever bepaald gevolg dat verbonden is aan een sanctie of veroordeling al dan niet tijdelijk te omzeilen, zoals in dit geval, valt daar mijns inziens echter niet onder. Het gaat daarbij immers niet om een beschermd belang of recht als bedoeld in art. 6 EVRM Pro en ook niet om een onderzoeksbelang in strikte zin.
3.12.
Dat wil overigens nog niet zeggen dat het de rechter niet vrij staat om aan wensen van de verdachte tegemoet te komen, mits natuurlijk de belangen of rechten van anderen, zoals getuigen, slachtoffers en benadeelden of het belang van de maatschappij bij een doeltreffende en spoedige berechting niet in het gedrang komen.
3.13.
Zo is er een voorbeeld in de jurisprudentie te vinden waarin de rechter tot schorsing overging om de verdachte een termijn te gunnen waarbinnen de verdachte de schade die hij heeft veroorzaakt aan de benadeelde te vergoeden, hetgeen de rechterlijke beslissing over de op te leggen straf (positief) zou kunnen beïnvloeden. [10] Dat in sommige gevallen de rechter wel open staat voor bepaalde wensen van de verdachte en in dat geval een schorsing kennelijk ‘noodzakelijk’ acht, betekent echter nog niet dat schorsing in deze gevallen als een ‘afdwingbaar’ recht zou moeten worden beschouwd. [11] Daarbij merk ik nog op dat in het zojuist genoemd voorbeeld de aanhouding zijn noodzaak vond in een door de rechter te nemen beslissing over de straftoemeting. Dat is in onderhavige zaak niet het geval. Het gaat hier louter om een wettelijk gevolg van een rechterlijke beslissing en niet om de beslissing zelf. Overigens had het hof wel rekening kunnen houden met dit wettelijk gevolg. Volgens de Hoge Raad staat het namelijk het hof vrij, en had de raadsman er dus om kunnen verzoeken, om bij de straftoemeting rekening te houden met het gevolg dat door de regeling van art. 123b WVW94 wordt verbonden aan de onderhavige veroordeling indien deze onherroepelijk wordt. [12]
3.14.
Kortom, het hof had naar mijn smaak het aanhoudingsverzoek, zeker zoals dat door de verdediging is ingekleed, slechts kunnen afwijzen, zodat voor verdachte een door het recht te beschermen belang bij cassatie ontbreekt. In het geval het ervoor moet worden gehouden dat het hof klaarblijkelijk afwijzend op het aanhoudingsverzoek heeft beslist, stel ik mij op het standpunt dat het oordeel van het hof, gelet op de onderbouwing van het verzoek, niet onbegrijpelijk is en geen nadere motivering behoeft.
3.15.
Tot slot: door cassatieberoep in te stellen heeft de verdachte in feite het belang van uitstel van het ongeldig worden van zijn rijbewijs verwezenlijkt: de ongeldigheid van het rijbewijs gaat pas in op het moment dat de Hoge Raad uitspraak zal doen.
3.16.
Het middel is vergeefs voorgesteld.

4.Conclusie

4.1.
Het middel faalt en kan met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering worden afgedaan.
4.2.
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
4.3.
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Vgl. enigszins HR 31 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:118.
2.Met betrekking tot rijden onder invloed van enkel alcohol moeten wel hogere grenswaarden worden overschreden dan de eerste keer vereist zijn, zie art. 123b lid 1 onder c WVW94: “(…) indien het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan 570 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht dan wel het alcoholgehalte van zijn bloed bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan 1,3 milligram alcohol per milliliter bloed.”
3.Zie ook T&C Strafrecht, commentaar op art. 123b WVW 1994.
4.Zie ook Handelingen I, 2008/2009, 30324, 4, p. 179: “Het wetsvoorstel houdt in dat de rijbewijshouder die binnen vijf jaar na een eerdere strafrechtelijke afdoening opnieuw onder invloed van alcohol rijdt zijn rijbewijs definitief en vanzelf kwijtraakt, op het moment waarop ook dit tweede delict strafrechtelijk wordt afgedaan. Dat is een strenge maatregel, die naar de overtuiging van ons kabinet uit het oogpunt van verkeersveiligheid gerechtvaardigd is.” Vgl. bijv. ook Rb Den Haag 20 december 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:15013, rov. 5.6 en Rb Den Haag 7 oktober 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:14110, rov. 4.9. Dit alles niettegenstaande de ongelukkig geformuleerde toelichting op het amendement waarmee deze wettekst is ingevoerd, zie Kamerstukken II 2006/07, 30 324, nr. 12, p. 3: “Dit amendement strekt ertoe dat de geldigheid van het rijbewijs van rechtswege vervalt, indien de houder, na een eerdere onherroepelijke veroordeling wegens — kort gezegd — ‘besturen van een motorrijtuig onder de invloed’ binnen vijf jaren nadien opnieuw wordt veroordeeld wegens zo een misdrijf.”
5.Vgl. bijv. HR 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1954, rov. 2.4.
6.T&C Strafvordering, commentaar op art. 281 Sv Pro, onder 2a.
7.Vgl. HR 31 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:118; HR 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1934 en HR 26 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1314, NJ 1999/294.
8.Vgl. bijv. HR 31 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:771, rov. 4.3. en HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD8903.
9.Vgl. HR 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1934, rov. 2.5. en HR 26 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1314, NJ 1999/294, rov. 3.3.
10.Vgl. HR 30 mei 1972, NJ 1973/501, zie met name de noot bij dit arrest van Melai onder punt 3.
11.Vgl. HR 2 maart 1982, NJ 1982/460, m.nt. Van Veen, rov. 9.2.
12.Vgl. HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2350, rov. 2.4.