Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bevestigde bij arrest van 26 november 2019 het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 27 januari 2017, waarin het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld werd op €93.966,86. De betrokkene werd verplicht dit bedrag aan de staat te betalen.
In cassatie werd aangevoerd dat de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel ontoereikend en onbegrijpelijk was gemotiveerd, met name vanwege het ontbreken van bewijs voor een schijn-huurconstructie die door de rechtbank was vastgesteld. De Hoge Raad oordeelt echter dat de rechtbank terecht op basis van het rapport van 5 februari 2016 en de daarin opgenomen huurcontracten heeft geconcludeerd dat sprake was van een schijn-huurconstructie.
De Hoge Raad wijst erop dat verschillen in parafen en huurbedragen in de contracten niet onbegrijpelijk zijn en dat de verklaring van de medeverdachte dat hij vanaf eind maart 2013 niet meer in de woning verbleef juist een extra indicatie vormt voor de schijn-huurconstructie. De klacht faalt en de Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep, bevestigend dat de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel voldoende gemotiveerd is.